Zaken als hulp in de nood : The Commission for Relief in Belgium

Tags

, , , , , , , , ,

Commission for Relief in Belgium

Wat is voedselhulp? In beginsel heeft het verstrekken van levensmiddelen in noodlijdende regionen een humanitair doel. Wij, de geciviliseerde wereld, laten miljoenen door knagende honger geplaagde soortgenoten toch zeker niet verrekken? Het tegendeel is waar. Dagelijks sterven zo’n 24.000 mensen aan de gevolgen van ondervoeding. ‘Slechts’ 10% hiervan wordt door oorlogssituaties veroorzaakt. Toch worden massale voedselhulpacties meestal alleen op touw gezet bij die met oorlog in verband staande ellende, terwijl op hetzelfde moment 90% van de ondervoeden in vredige armoede creperen.

Dus laat de vraag herhaald zijn. Wat is voedselhulp? Het is wrang maar waar; het laven en spijzen van nooddruftigen in tijden van oorlog heeft onder andere te maken met big business. Burgers in rijke landen worden bewust gemaakt van een ramp en moeten gul hun geld gaan geven, want overheden hebben daarvan niet genoeg. Behalve als het om de ontwikkeling van een Joint Strike Fighter gaat of andere peperdure dingen waarvan niemand procentueel zijn persoonlijke bijdrage in zijn belastingaanslag kan herkennen. Het daarnaast toch graag geschonken geld van de burgers komt gelukkig goed terecht. Denk immers niet dat boeren hun oogsten zomaar afstaan. De meeste levensmiddelen moeten toch gekocht worden en dat werd in de Eerste Wereldoorlog in België ook weer verkocht. Kort samengevat is dat de essentie van de American Commission for Relief in Belgium.

Er was eens een zakenman luisterend naar de naam Herbert Clark Hoover. Van oorsprong was hij mijnbouwingenieur. In die bedrijvigheid had hij in China en Australië al op jonge leeftijd fortuin gemaakt. Dat lukte hem, omdat hij even sluw als schaamteloos wist om te gaan met de beschikbaarheid van goedkope arbeidskracht. Zo werd hij rijk en toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak woonde hij in luxe in Londen. Daar strandden steeds meer van het continent vluchtende landgenoten. Heel wat van deze Amerikanen ontbrak het aan geld om de overtocht naar de USA te maken. Mr. Hoover begon zich over hun lot te ontfermen en daarbij lichtte in zijn toch al heldere hoofd nog een extra lampje op. Aan de andere kant van het Kanaal, daar in België, was heel wat aan de hand! Van zijn fellow Americans vernam hij het toenemend; die Belgen zaten knap in de knel, want België moest voor haar bevolking in vredestijd al voedsel importeren. Dat was nu veel lastiger geworden.

Vrij onmogelijk, beter gezegd. Nederland, de noorderbuur, moest neutraliteit waren, dus kon niet te veel wagen. En ten zuiden van België lag het oorlogsfront met Frankrijk. Ook uit die regionen was geen voedselimport van betekenis te bewerkstelligen. Zo kwam het alimentatieprobleem op het bord van de Duitsers te liggen. Duitsland had op grond van internationaal vigerende verdragen als bezetter de plicht de voeding van de Belgen te garanderen, maar was ternauwernood in staat op eigen kracht de eigen bevolking te bedruipen. Duitsland produceerde bijvoorbeeld lang niet voldoende broodgranen. Dus ook nog eens voor de foeragering van ca. 7 miljoen Belgen garant staan zat niet echt in de Duitse oven, pan of pot.

Dit tekort had die slimme Mr. Hoover snel in de smiezen. Hier lagen lucratieve kansen, want waar gebrek heerst, is geld te verdienen. Het was afzienbaar dat er in België flink hulp geboden zou moeten gaan worden. Aldus entameerden wakkere zakenlieden als Hoover en zijn vroegere concurrent bij de uitbuiting van China, de Belgische bankier Émile Francqui, onderhandelingen tussen de geallieerden en de Duitsers over voedselhulp aan België. De Britten waren eerst fel tegen. Zij vreesden dat het allemaal toch bij de Duitsers terecht zou komen. Maar baron Wilhelm Leopold Colmar von der Goltz, gouverneur-generaal van de bezettingsmacht, gaf op 16 oktober 1914 schriftelijk te kennen de hulp uit Amerika te begroeten en garandeerde daarbij tevens dat de hulpgoederen uitsluitend voor de Belgische bevolking bestemd zouden blijven. Gecontroleerd via een uitgekiend systeem van verkooppunten kwam het leeuwendeel ook inderdaad bij de Belgen zelf terecht. Wat zij er daarna mee deden, is een ander verhaal, maar dat was dan niet meer het probleem van Hoover en consorten. Zij hadden aanvankelijk een heel ander probleem en daarmee hielp die deftige monsieur van de Société Générale de Belgique, die bankier Francqui.

Hoe moest deze enorme hulporganisatie aan het nodige geld komen? Die vraag werd aan de Belgische regering voorgelegd die in ballingschap in Le Havre, Noord-Frankrijk verwijlde. Het probleem was al snel uit de wereld geholpen. De Belgische staat zou de voedselhulp financieren, mede op grond van leningen bij Francqui’s bank natuurlijk, of leningen bij de Amerikanen, en Hoover zou met het beschikbaar gestelde geld in Amerika raad weten. Dat klopte! Hoovers hoofdrol bij de Commission for Relief in Belgium (CRB) was die van inkoper. Hij speelde het zoals het een voortvarend zakenman betaamd. Hij kocht vliegensvlug enorme partijen graan en meel van Amerikaanse boeren op en verrichtte die humanitaire daad in een periode waarin de voedselnood in Europa nog niet echt schrijnend was. De prijs voor al die agrarische producten was nog betrekkelijk laag. Maar naarmate de oorlog langer duurde, stegen de voedselprijzen op de wereldmarkt. En zo werd bij de verkoop aan de Belgen steeds winst gemaakt, waarbij onze monsieur Francqui, die voor de verkoop mocht zorgen, als zakenman wellicht zijn beste tijd ooit beleefde. Het CRB werd voor een gering aantal mensen een goudmijn, niet in de laatste plaats voor de gewezen mijnbouwer Hoover, die voor zijn harde werk geen salaris verlangde. Dat gaf hem het beste decorum de reddende engel van België te zijn. Hij, Mr. Hoover, die grootmoedige Amerikaanse filantroop. En hij, Francqui, die bankierende Belgische victualiënventer.

Hoover + Francqui (xkl) © 2014 J.J. Wielaert

Goed, dat is wat scherp geformuleerd. Men kan ervan denken wat men wil, maar dankzij deze twee ondernemers heerste er tijdens de Eerste Wereldoorlog in België geen onoverkomelijke hongersnood. De Amerikaanse uitbuiter en de Belgische uitbater kweten zich voorbeeldig van hun werken van barmhartigheid. Boze tongen hebben later beweerd dat de oorlog hierdoor gerekt werd, want zonder de Relief in Belgium hadden de Duitsers een enorm extra probleem gehad en waren in Duitsland en bij het Duitse leger veel sneller voedseltekorten ontstaan. Dat is theoretisch denkbaar, maar feitelijk gezeur achteraf. Met hypothetische redenaties als ‘had de hond de kat gebeten, dan was de muis niet weggerend’ valt weinig te bewijzen. Het rekken van de oorlog was in elk geval niet de opzet van Hoovers humanitaire interventies. Dat de oorlog langer dan verwacht duurde, was hooguit een lateraal gevolg van zijn zaken doen in gebrek, net zoals dat voor de wapenindustrie gold. Had de Amerikaanse industrie de Europese geallieerden niet voortdurend met wapentuig en voedsel bevoorraad en had de Amerikaanse bankier J.P. Morgan hen daarvoor niet honderden miljoenen dollars geleend, dan was de oorlog in West-Europa snel afgelopen geweest. Maar afdwalen in die materie is misschien beter iets voor later. Laten we eens overwegen wie er verder nog aan de Relief in Belgium verdienden.

Om te beginnen moest al het Amerikaanse meel ingescheept naar Europa gebracht worden. Dat kostte niet niets. Het kwam allemaal in de haven van Rotterdam aan, omdat de haven van Antwerpen geblokkeerd bleef. De CRB opende al gauw een kantoor in de Rotterdamse haven om de zaken te kunnen coördineren. Hier werd een compleet team werkzaam, dat er zijn boterham mee verdiende. Ontscheping en tussenopslag in Rotterdamse loodsen was uiteraard niet gratis. Besef daarbij steeds dat het jaren lang om honderdduizenden tonnen meel ging. Dit bood fijne werkgelegenheid. En dan moest het vervoer naar België nog gedaan worden. Daar werd het meel vervolgens in speciale winkels met winst aan de burgers verkocht. En daar had bankier Francqui de hele charitatieve business onder zijn hoede. Laat het duidelijk zijn. Het woord “hulp” als in “voedselhulp” betekende niet meer of minder dan dat er handig gejongleerd werd om ervoor te zorgen dat er voedsel voor de Belgen was. Maar dat betekende niet dat het Amerikaanse meel gratis bij de Belgen belandde. In tegendeel. Er werd in een handelsketen die van de korenvelden in Amerika tot in de kleinste dorpen in België reikte constant geld verdiend. Dàt is wat men voedselhulp noemt. Er zijn miljoenen in het spel als voor rampgebieden grootschalige hulpprojecten georganiseerd worden.

Toch deed Hoover als energieke organisator bewonderenswaardig menslievend werk. Zijn hulpbetoon staat buiten kijf, maar het zakelijke aspect moet daarbij niet over het hoofd gezien worden. Amerikaanse agrariërs hebben hem op handen gedragen, want hij hield maar niet op hun oogsten in hulpprogramma’s te verpakken. Het ging pas mis toen omstreeks 1927-1928 wereldwijd de prijzen op de graanmarkten kelderden. Dat kwam onder meer door de Sovjets, die hun graanoverschotten begonnen te dumpen. Hoover zette door als verlosser en werd president van de Verenigde Staten. De gevolgen van de Wall Street Crash in 1929 wist hij echter niet op te lossen en dus keerde hij, nadat Franklin D. Roosevelt in 1933 aan de macht gekomen was, terug naar business as usual.

Hoover + Hitler © 2014, J.J. Wielaert

Waar anders dan over alimentaire voorziening converseerde Hoover, toen hij op 8 maart 1938 in Berlijn een gesprek met Adolf Hitler had? Dat onderhoud vond nota bene plaats toen de al gepensioneerde Shell directeur Deterding bezig was met zijn eigen voedselhulp aan Nazi-Duitsland. Het was destijds aan de Duitse eettafels niet al te best gesteld, want Hitler gaf nogal veel aan wapenproductie uit. Vlak nadat hij daarmee in 1939 Polen overrompeld had, begon Mr. Hoover weer een hulporganisatie, de Commission for Polish Relief. Die CPR organiseerde in feite hetzelfde als in de Eerste Wereldoorlog met de Commission for Relief in Belgium het geval was geweest. De verplichting van de Duitse bezetter voor Polen te zorgen werd door Hoovers CPR materieel verzacht en in ruil daarvoor kon hij als hulpapostel weer eens voor de afzet van Amerikaanse producten gaan zorgen. Net zoals hij dat in 1914-1917 in België gedaan had en daarna, in 1921, Ierland en in Rusland.

Al met al ging het bij Mr. Hoover steeds om een eenvoudig zakenmodel. Hij wist van zijn vroegste loopbaan in China wat het betekende als mensen hongerden, maar wou dat later niet meer weten. Hij keerde in 1914 in zijn hoofd de lepel om. Hij zag in het verhelpen van voedseltekort iets zitten om zich voor in te zetten. Daarmee zou evengoed geld te verdienen zijn. Het maakte Hoover feitelijk nooit uit waar het politiek over ging, maar hij moet wel als een liberal, een vrij zakenman, gezien worden. So what!? Deed hij iets verkeerd? Waar Mr. Hoover was, was minder honger. Dat was mooi. En waar honger was, daar verscheen vaak ook Mr. Hoover. Te beginnen met België vanaf oktober 1914.

En monsieur le banquier Émile Francqui? Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog steenrijk en zou nog het ongekroonde staatshoofd van België genoemd gaan worden. Laten we dus zijn rol in Belgisch Congo maar vergeten, toen hij geen bankier maar militair was in het leger van de afgrijselijke massamoordenaar Leopold II, koning der Belgen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties

Nieuwe ontberingen : hutje en mutje in Harderwijk.

Tags

, , , , , ,

prins 1914_11_21_245 - harderwijk kl

Harderwijk, oktober 1914. In het tentenkamp boordevol Belgische soldaten heerst gebrek. Duizenden jonge kerels moeten in witte, kegelvormige canvastenten maar zien wat ervan komt. Wat zal de toekomst brengen? Waar zijn we beland? ’t Is guur en nat buiten, kil en vochtig binnen. Het stro dat als matras moet dienen helpt nauwelijks om slapend op de koude grond niet klam wakker te worden. In het holst van de nacht, met knorrende maag.

Maar daar waren ze dan, die duizenden Belgische soldaten, verslagen en op de vlucht gejaagd, na twee maanden lang in eigen land hun benen uit het lijf gelopen te hebben bij nutteloze manoeuvres. Twee maanden waren ze veeleer door hun officieren dan door Duitsers opgejaagd. Voor deze naar Nederland gevluchte stakkers was dat nu fini. Lafaards kon je ze niet noemen. De Duitse overmacht was niet te stuiten geweest en tijdens de aanval op Antwerpen lieten leidende officieren de manschappen in de forten soms gewoon het eerst in de steek. Langs de Schelde gingen vele soldaten, naar Nederland, om niet krijgsgevangen genomen te worden. Tweede luitenant Leclercq haalde het op 7 oktober 1914 met zijn mannen best nog tot over de Schelde, maar vond het later toch beter noordwaarts naar Nederland te zwenken, in plaats van naar Diksmuide door te lopen. Dáár, in het neutrale Nederland, zou niet gevochten worden zeker? Nou, die snuggere onderluitenant Leclercq had daar gelijk in en bracht de rest van de Eerste Wereldoorlog veilig in Nederland door. We mogen hem, zonder enig voorbehoud, een deserteur pur sang noemen.

Onderluitenant Leclercq was bevelhebber bij het 1e Régiment des Grenadiers, 3e Bataljon, 4e Compagnie. Zijn chef, luitenant Reclercq, liep wél dapper door naar Diksmuide en maakte de eerste slag bij Ieper mee. Als ondergeschikte van kapitein Rolet was deze Reclercq ook commandant van de compagnie waar grenadier Schoup in meemarcheerde. Maar die soldaat raakte tot zijn geluk nog goed op tijd gewond en vond het toen beter de spontane ondernemingsgeest van onderluitenant Leclercq na te volgen, al wisten zij vast niets van de gemeenschappelijke gedachte de oorlog maar gedag te zeggen. Soms komen mensen gewoon tegelijkertijd op hetzelfde idee. In en nabij Antwerpen is dat rond 6 oktober 1914 zelfs opmerkelijk vaak voorgekomen.

Jean Gustave Schoup liep langs de oostelijke oever van de Schelde in de stroom burgervluchtelingen mee, incognito in burgerkledij. Op 9 oktober 1914 kwam hij aan. In Ossendrecht vond hij logies in een pension, tot hij als soldaat herkend werd. “Den tweeden dag van mijn verblijf in Holland werd ik door een oprecht vaderlander, een hoogstaand patriot, verraden en door de Nederlandsche autoriteiten geïnterneerd”, zou hij achttien jaar later in zijn antioorlogsroman schrijven. Wie die patriot was, mogen we van de auteur niet weten. Jammer, maar het maakte hem zelf toch niks uit waar hij terecht zou komen. Voor hem was de hoofdzaak bereikt: “ik was verlost uit den waanzin, uit de hel, uit het moordenaarsbedrijf, dat nog elken dag doorging in Vlaanderen en in half Europa. Ik bekende ronduit dat ik militair was, gaf matriculatie-nummer, regiment en compagnie op en werd naar Bergen-op-Zoom gezonden, onder militair geleide”.

Waar hij belandde, beschrijft hij niet, maar dat blijkt uit legerdocumenten. Het meteen iets minder montere meneerke werd na kort oponthoud in Bergen op Zoom naar het miezerige tentenkamp voor militaire vluchtelingen bij Harderwijk gebracht. Wie had dat gedacht? Schoup niet, maar nu zat hij toch in die schamele tentenbende, verstoken van het comfort dat hij voor de oorlog in Antwerpen gewend was geweest. Het leven was er niet alleen karig en klam. Er was niet eens wasgelegenheid. Er waren nog geen latrines en dus moet het ook daarom in dit kamp gestonken hebben als in de smerigste zwijnenstal.

IMG_8968 - © 2014, J.J. Wielaert

‘Interneringsdepot Harderwijk’, zoals het genoemd zou gaan worden, was destijds bij lange niet wat het in de Eerste Wereldoorlog nog zou worden, een compleet Belgisch dorp, groter dan Harderwijk zelf. In oktober 1914 waren daar alleen maar tenten die als een veld van witte paddenstoelen tegen de grauwe bodem en bebossing afstaken. De soldaten werden niet of nauwelijks ingetekend – de registratie uit de eerste tijd is verloren gegaan, wat er ook van heeft bestaan. Er was nog geen afrastering en niet voldoende bewaking. Wie had dat ook moeten klaren? De Nederlandse krijgsmacht was met defensie van de landsgrenzen bezig. Het was even ten zuidoosten van Harderwijk kortom een ongeregeld zooitje voor een zooitje ongeregeld. Zo’n 7000 Belgische soldaten zaten in het Nederlandse herfstweer lijdzaam lijdend te wachten op het eind van een oorlog die, naar men toen nog dacht of hoopte, kort zou zijn. Het bleek alleen toch wat langer te gaan duren en dus werd langzaam een beginnetje gemaakt voor humanere behuizing.

In diezelfde begintijd van het kamp wachtten sommigen echter niet op betere tijden. Zo’n 250 soldaten ontvluchtten vluchtoord Harderwijk in de eerste maanden. Gezien de schrijnende omstandigheden die er heersten was hen dat niet kwalijk te nemen. ‘Het Volk’ drukte op 7 november af wat een Belgische soldaat de krant liet weten over het stro waar de mannen al drie weken op sliepen. “Door de regens der laatste dagen is het helemaal vochtig geworden. Nu begint het te rotten en verspreidt een duffen geur. Versch stroo zou hier niet misplaatst zijn”. Op 10 november publiceerde dezelfde krant weer dat 7000 soldaten sinds half oktober op hetzelfde stro sliepen. “Voeg daarbij dat sinds drie à vier weken de geïnterneerde soldaten de gelegenheid niet meer gehad hebben een bad te nemen of zich behoorlijk te reinigen, wijl voor die 7000 soldaten slechts één enkel bad ten dienste staat, en wel in het Hospitaal te Harderwijk, en buitendien alleen maar verlof tot het bad wordt verkregen, wanneer men reeds door schurft of andere dergelijke kwaal is aangetast”. Velen hadden op de vlucht uit België alles verloren en dus slechts één onderbroek. Verschonen was er niet bij. Twee dagen later werden de eerste gevallen van tyfus geconstateerd. Echt waar? Awel, ’t is te zeggen; een dag daarna maakte een krant bekend dat er een huidziekte was uitgebroken “welke zich bij de aangetasten aan het gelaat vertoont. Een 40-tal lijders zijn reeds of worden van de andere militairen afgezonderd”.

Conform een lelijke verwensing in het Nederlandse spraakgebruik kregen enkele van de als stalvee in de kou gezette Belgische soldaten letterlijk de tyfus. Dat was uiteraard geen opzet van de Nederlandse autoriteiten, maar waarom liet men het dan toch zo ver komen? Waarom die mensonwaardige behandeling? Was het zo slecht gesteld met onze edelmoedigheid? Nee, maar logistiek kreeg men in zo korte tijd niet al het nodige georganiseerd. Maar had het met het beddengoed toch niet iets sneller mogen lukken? Een Belgische soldaat schreef half december 1914 vanuit het kamp Harderwijk: “Geïnterneerd van 11 October moesten wij ons vergenoegen op open stroo te slapen gedekt met een deken. Sedert een maand kregen wij dan een zak, waar wij het lang gebruikte stroo dat onder ons lag moest in bergen om daar voort op te slapen. Het is wel waar, er kwam dan ook stroo aan om onder de manschappen te verdeelen, tot zoolang de voorraad strekte, doch verreweg het meerendeel moest hetzelfde stroo, dat reeds stof en zand was geworden, maar in zijn zak steken, waar zij nu nog op slapen. Men staat op die wijze ’s morgens schier gebroken op”.

Maanden lang moesten ze kamperen in kale tenten met een bed van zompig stro en met de regen als enige potentiële douche! Eén van degenen die dit meemaakte was soldaat 2e klasse Jean Gustave Schoup, zij het maar kort. Volgens papieren van het Belgische leger was hij van 10 tot 15 oktober 1914 geïnterneerd. Een krantenbericht van woensdag 21 oktober 1914 is daarbij interessant. Het bewijst dat er naamlijsten van geïnterneerden moeten zijn geweest, want anders is het houden van een appèl ondoenlijk. J.G. Schoup ontsnapte vast midden in de week van 11 tot 18 oktober 1914 uit het kamp Harderwijk. Hoe dat gegaan is weten we niet. Maar op zondag 18 oktober constateerde men op het appèl dat er maar liefst 61 soldaten ontbraken.

1914_10_21_03 (NTC - Geïnterneerden zoek + kamp Harderwijk)

Bar en boos was het, verstoken van de meest fundamentele hygiëne voor 7000 man even smerig als besmettelijk, maar Schoup maakte de akelige toestanden die in november 1914 in Harderwijk optraden niet mee. In 1932 verkondigde hij in zijn boek dus alleen maar lof over de Nederlandse hulp. Holland had “de grenzen wijd open gezet, het Hollandsche volk zijn hart niet minder en duizenden, opgenomen en verzorgd, zonder te rekenen, zonder te wikken en te wegen. Er mòest geholpen worden, er wèrd geholpen. October 1914 zal in de Nederlandsche geschiedenis een schone bladzijde blijven. October 1914 zag het Nederlandsche volk – neutraal en geïsoleerd – een grootsche, menschelijke daad stellen, zonder lawaaierig decorum of bombastig geschetter. Enkele uitzonderingen, die later, sterk overdreven meestal, dienst moesten doen om de ontvangst der Belgische vluchtelingen in Holland te brandmerken, doen niets af aan de warme, gulle gastvrijheid die het Nederlandsche volk, als geheel, in October 1914 heeft betoond”.

Dat is de andere kant van de waarheid, ondanks de misstanden die bij dit plotselinge vluchtelingenprobleem niet uit konden blijven. Nederland deed behoorlijk zijn best, maar was met zijn 6,3 miljoen inwoners niet op opvang van 1 miljoen extra gasten voorbereid. We zouden er tegenwoordig niet minder moeite mee hebben. Er is veel minder stro dan toentertijd, maar wat extra dekens of slaapzakken hebben we allemaal wel in huis.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Waarheen met al die Belgen? Nederland in rep en roer

Tags

, , , , , , ,

prins 1914_10_17_185 - Damrak (cut) kl

Als gevolg van de Duitse belegering van Antwerpen en het bulderende geschut dat de stad bombardeerde werden in oktober 1914 Zeeuws-Vlaanderen, Zeeland en het westen van Brabant overspoeld door in panische schrik op de vlucht geslagen burgers en soldaten. Kleine plaatsen als Putte en Ossendrecht maar ook het grotere Bergen op Zoom, waar het stadspark meteen een soort camping werd, konden het niet aan. In de laatstgenoemde plaats verrezen rap twee opvangcentra, eentje met losstaande tenten en eentje in een circustent. Toch was dit volstrekt ontoereikend. Massa’s Belgische vluchtelingen zaten letterlijk op straat.

Zo goed en zo kwaad als het ging werden de vluchtelingen gecoördineerd zo snel mogelijk over het hele land verdeeld opgevangen. Vanuit Roosendaal kwam bijvoorbeeld op 11 oktober 1914 in het dorp Veenendaal een treinlading van zo’n 1200 Belgen aan. Er was iets misgegaan. Voor 350 zielen was plaats aangekondigd, maar op die bewuste zaterdagavond moesten plotsklaps drie keer zoveel personen onderdak krijgen. Meteen al op de volgende dag werden noodgedwongen 500 vluchtelingen van Veenendaal naar Amersfoort getreind. Velen bleven echter. En voor mensen die huis en haard verlaten hebben, is het aanpassen geblazen. Het Steuncomité van Veenendaal, een zwaar godvruchtige gemeente, verbood de Belgen een week later met kaartspelen de tijd te doden, uiteraard omdat kaarten een duivels spel is!

1914_10_21_2_05 (Alg. Hblad - Kaartspelen verboden) cut

Op grond van de spreekwoordelijke christelijke naastenliefde werd in oktober 1914 overal in ons land hulp geboden. In korte tijd moesten dagelijks duizenden en nog eens duizenden Belgische vluchtelingen onder dak gebracht en gevoed worden. Nederland stond voor een ongekende opgave. De chaos die de eindeloze vluchtelingenstroom veroorzaakte is moeilijk voorstelbaar. Zo’n menselijke vloedgolf was nooit eerder op deze schaal voorgekomen en de omvang ervan is nooit meer geëvenaard. Zelfs de problemen die repatriëring van kolonialen uit Nederlands-Indië tussen 1950 en 1952 gaf, zijn hiermee niet te vergelijken. Maar ook toen moest Nederland massa’s mensen opvang bieden en ook toen kwamen die vluchtelingen onder meer in kampen terecht.

In de herfst van 1914 moest het echter allemaal ook veel sneller geregeld zijn, want met de komende winter op het oog kon men de Belgen niet blijvend in tochtige tenten op stro laten bivakkeren. En zo kwam allerlei alternatieve verblijfsruimte vrij. Bedrijven stelden loodsen en fabriekshallen ter beschikking, zoals de Groningse rijwielfabriek A. Fongers dat besloot te doen, “sympathiek en menslievend”.

prins 1915_01_30_60 - A.Fongers (cut) kl

In ijltempo werden tegelijkertijd verscheidene kampen met houten barakken opgericht die nog in complete Belgische dorpen zouden veranderen. Voor burgers kwamen er vluchtoorden bij Bergen op Zoom, Nunspeet, Ede, Uden en bijvoorbeeld in loodsen op de IJkade te Amsterdam en in een bloemkwekerij te Gouda. Ook in kazernes was plaats vrij, omdat het Nederlandse leger zich ter verdediging van de grenzen elders bewoog. De Belgische soldaten kwamen eerst provisorisch in die kazernes terecht, onder meer in Alkmaar, Leeuwarden, Assen, Harderwijk, Oldebroek en Amersfoort. Maar omdat de kazernes te klein waren, zaten ze ook al gauw in geïmproviseerde tentenkampen bij Harderwijk en Zeist. Zij die weigerden schriftelijk te verklaren niet te zullen vluchten werden uiteindelijk geïnterneerd op het ‘Nederlandse Elba’, een klein kamp op het eiland Urk. Britten werden in Groningen geïnterneerd, Duitsers in een interneringskamp te Bergen, NH.

prins 1914_11_28_261 - loods IJkade (cut) kl

Een fijne bijkomstigheid was dat al die activiteit zich niet per sé als liefdadigheid afspeelde. Voor de boeren, winkeliers en ook voor industriëlen was deze ontwikkeling, de verzorging van honderdduizenden Belgen, van begin af aan een economische opsteker. De enorme hoeveelheid voedsel die in de gevluchte Belgen verdween, moest gefinancierd worden en de huisvesting werd echt niet steeds gratis ter beschikking gesteld. Voor dit grootschalige hulpbetoon was geld nodig en dat kwam er. De staat droeg er wezenlijk aan bij, want de opvang van Belgische burgers en soldaten kostte een lieve duit. Om maar een voorbeeld te noemen; het vluchtoord Gouda, de plantenkwekerij waar Belgische burgers in broeikassen en barakken werden ondergebracht, was door de Nederlandse overheid gehuurd. In de herfst en winter moest het complex warm gestookt worden, wat in de andere kampen ook niet uit kon blijven. Of kleding, schoeisel, beddengoed; er was gebrek aan van alles. Denk ook eens eventjes aan het bouwmateriaal voor de barakken, afrasteringen en omheiningen. En uiteraard moesten alle Belgische, Engelse en Duitse geïnterneerden vier jaar lang te eten krijgen.

Dat was de prijs en verplichting die aan de Nederlandse neutraliteit hing. De buitenlandse soldaten mochten niet naar hun land terug om te beletten dat zij eventueel weer aan de oorlog zouden deelnemen. Maar de oorlogvoerende landen moesten naderhand wel het gelag betalen. Britse en Duitse militairen hadden we in kleinere aantallen moeten herbergen, maar Belgische des te meer. België kreeg na afloop van de Eerste Wereldoorlog voor de gastvrijheid van Nederland een rekening van 53 miljoen gulden gepresenteerd, waarvan 6 miljoen aan rente. Niets voor niets, voor wat, hoort wat! De Belgen zijn een tiental jaren danig verontwaardigd geweest, maar in feite was de rekening gerechtvaardigd. De vraag was hooguit of het bedrag klopte. En België wees verongelijkt op het feit dat de Nederlandse economie er vier jaar lang van had geprofiteerd vluchtelingen niet te laten sterven van honger en kou. Dat klopte, maar hoe had het anders gemoeten? Nederland had aan zijn verplichtingen voldaan en daar zat een prijskaartje aan.

België moest het maar op de Duitsers verhalen bij de vredesonderhandelingen in Versailles. Maar daar kwamen de Belgen er bekaaid vanaf. Geleden had België ten eerste lang niet zo erg als Frankrijk. Er was beduidend minder verwoest en ook veel minder te ruimen. Bovendien profiteerden vele Belgen van de Duitse bezetting. De Duitsers hadden van alles nodig gehad en dat werd in 1914-1918 veelal niet zomaar geconfisqueerd, met uitzondering van Belgisch industrieel materieel. Het schaarse voedsel te grazen nemen zou vijandigheid en verzet van de bevolking in de hand hebben gewerkt. Beter was het nodige van de Belgen te kopen. Dat er volop met de bezetter gehandeld werd, bleek uit ettelijke miljarden Duitse marken die bij beëindiging van de oorlog in november 1918 in bezit van de Belgische boeren, burgers en bourgeoisie was. De Britse econoom Keynes vermeldde in zijn boek The Economic Consequences of the Peace (1920) dat het om maar liefst 6 miljard mark ging. Had België dus echt zo veel te klagen? Nederland hield ondanks de felle protesten voet bij stuk. Toen vanaf 1 januari 1923 met terugbetaling werd begonnen, was de schuld tot meer dan 60 miljoen gulden opgelopen. De vereffening zou tot eind 1937 duren, maar de 45 miljoen gulden die met de noodhulp voor de burgervluchtelingen gemoeid was, heeft Nederland niet opgeëist.

prins 1914_12_26_309 - Nunspeet (panorama) kl

De meeste Belgische burgers keerden na de eerste paniek van oktober 1914 al gauw naar huis terug. België was nou wel door de Duitsers bezet, maar de gruwelijke moordpartijen en barbaarse vernielingen waaraan zij zich in de eerste maanden van de oorlog te buiten gingen, waren definitief afgelopen. Bovendien waren in bijna heel België de echte oorlogshandelingen voorbij. Al in december 1914 was het aantal vluchtelingen dan ook tot 200.000 geslonken en een half jaar later waren er nog maar zo’n 100.000 in Nederland over, een tiende van de aanvankelijke Belgische exodus. Dat aantal zou tijdens de hele oorlog bij ons blijven. Zo’n 33.500 van hen waren militairen die op grond van de internationale verdragen omtrent neutraliteit niet over de grens gezet mochten worden.

In de uit de grond gestampte militaire opvangkampen bij Zeist en Harderwijk moesten in oktober 1914 meteen al omstreeks 25.000 soldaten en officieren geïnterneerd worden. Vanwege de destijds nog bitter primitieve omstandigheden was vlucht uit deze oorden een frequent voorkomend fenomeen. En al werden de tenten peu à peu vervangen door houten barakken; in de eerste winter ontbrak in het kamp Harderwijk verwarming. Gezellig en gerieflijk was het voor de Belgische soldaten in die winter dus zeker niet.

Slimmeriken die iets meer dan deze ellende wilden meemaken, zochten elders een goed heenkomen. Het kamp bij Harderwijk was in oktober en november 1914 nog zo lek als een mandje…

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Maar eentje van een miljoen zielen : J.G. Schoup en de Belgische exodus

Tags

, ,

Antwerpen 1914 Willy Stöwer

Op 7 oktober 1914 is het moderne Duitse geschut dicht genoeg bij Antwerpen om met het bombardement van de stad te beginnen. De dag tevoren heeft het Belgische leger zich uit de voeten gemaakt, de Schelde  over. Voor de evacuatie is inderhaast een pontonbrug over de rivier gelegd. Inmiddels dreigt de stad aan gort geschoten te worden. Vanaf middernacht 8 oktober 1914 ligt het centrum onafgebroken onder vuur en geen Antwerpenaar weet of het volgende huis dat getroffen wordt het zijne zal zijn. Massaal slaan ook de burgers op de vlucht. Wie er vroeg bij is, vindt een plek op een boot aan de haven, maar de schepen raken al snel overvol. Dan maar de Schelde over, op de pontonbrug, of anders subiet langs de oostelijke Schelde-oever naar het noorden, de enige uitweg over land. Eén blik over de schouders is genoeg om een catastrofe te vermoeden; heel Antwerpen lijkt in brand te staan.

Naar schatting 100.000 tot 300.000 Antwerpenaren vluchtten in deze dagen de stad uit. Als gevolg van deze panische uittocht kwamen in de eerste week van oktober 1914 één miljoen Belgen de Nederlandse grens over. Jean Gustave Schoup, gedeserteerd uit de 4e Compagnie van het 3e Bataljon van het 1e Régiment des Grenadiers, was één van hen. Op 9 oktober 1914, vandaag precies honderd jaar geleden, kwam hij te voet aan in het Nederlandse dorp Ossendrecht, samen met een onafzienbare stroom landgenoten.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Honderd jaar geleden : licht gewonde Vlaamse grenadier verlaat de oorlog

Tags

, , , , , , , , , ,

J.G. Schoup, soldaat tweede klasse bij de grenadiers, deserteerde niet zomaar toevallig in 1914.

Deze jongeman, met destijds nog maar 21 jaren op de teller van het leven, werd op 21 februari 1893 in Antwerpen geboren. Daar woonden in 1914 zijn ouders nog steeds. Een mooie bijkomstigheid; het hele Belgische leger had zich binnen de fortengordel van de vesting Antwerpen teruggetrokken. Wát er ook zou gebeuren; Schoup was dicht bij huis!

In de laatste dagen van september 1914 en de eerste dagen van oktober 1914 zetten de Duitsers het offensief tegen Antwerpen in. Het 1e Régiment des Grenadiers lag toen boven het gehucht Opdorp en moest zich na een korte schermutseling in en om het dorp Buggenhout in noordelijke richting terugtrekken. Er was weinig eer te behalen aan confrontatie met het Duitse leger. De overmacht was te groot en dus hield het Belgische leger zich sinds het begin van de oorlog, ondanks enkele verbeten momenten van verzet en victorie, vrijwel permanent vaardig om te vertrekken.

De grenadiers deden in de begindagen van oktober 1914 nog een poging het gebied tussen de dorpen Sint Amands en Bornem vast te houden. Dit was zinloos, zoals de afgelopen twee maanden vol oorlogshandelingen al hadden uitgewezen. De Duitsers zouden er toch wel doorkomen. Tegen die teutoonse mankracht en tegen hun titaanse artillerie stond het Belgische leger als een mug onder een vliegenmepper. De Belgen hadden de woeste Duitse wolf twee keer zijdelings kunnen pesten, maar werden toch wel doodgebeten en sowieso constant op de vlucht gejaagd. Steeds moest het Belgische leger zo snel mogelijk zorgen dat het wegkwam. Maar steeds weer ook boden de Belgen moedig weerstand, ook op weilanden boven Sint Amands.

J.G. Schoup deed in die dagen dienst in een molen, zo blijkt uit In Vlaanderen heb ik gedood. Molens en ook kerktorens waren belangrijke observatieposten. Maar molens en kerktorens werden daarom ook beschoten. Molens en kerktorens werden zelfs bij terugtrekking van het Belgische leger als het even kon verbrand of vernield, om ervoor te zorgen dat de Duitsers er bij het oprukken geen observatiepost aan overhielden.

In deze turbulente dagen raakte soldaat tweede klasse Schoup tussen Sint Amands en Bornem gewond. Hij zou, volgens zijn boek, een schotwond door zijn linkerarm gekregen hebben. Dat kan wel zo zijn, maar op de datum waarop dit dan gebeurde, waren de Duitsers in feite nog niet in de buurt van de Kraeyhoef, de boerderij waar hij met zijn compagnie was gelegerd. De Kraaihof, zoals deze herenboerderij ook vaak gespeld is, bestaat niet meer. Het complex bestond uit vier in een carré gesitueerde gebouwen die een bijna vierkante binnenplaats omringden, met een groot, lang woonhuis, diverse stallen en een rosmolen. Het was wat de plattegrond betreft een soort burcht en zo een pleisterplaats op het Vlaamse platteland die goed te verdedigen was.

kraaihoef foto achterzijde

Maar de Duitse infanterie was op 3 oktober 1914 nog niet ter plekke. Soldaat Schoup moest toen dus ook niet, zoals in zijn boek staat, in een kogelregen rennend zijn vege lijf redden. Op 3 oktober 1914 kan hij uitsluitend gewond geraakt zijn, omdat Duitse kanonnen de sector onder vuur namen waar hij was of omdat het fort Bornem niet al te raak tegenvuur gaf. Het ging de Duitsers op die dag niet eens om de Kraeyhoef. Vlak ten noorden van Sint Amands stond een molen die volgens de Duitsers verdwijnen moest, de Heimolen. Maar daar zat soldaat Schoup op die dag al niet meer in. Zeker is; de verwonding die hij aan zijn arm opliep moet door granaatscherven veroorzaakt zijn, niet in een vuurgevecht met Duitse soldaten en dito kogels. En als het werkelijk om een schotwond gegaan is, dan kan uitsluitend een verdwaalde Belgische kogel zijn geluk bepaald hebben. Want ja, hoe gek het ook klinkt, die wond werd echt het grootste gelukje (of ongelukje?) van zijn leven. Wegens dit letsel werd hij uit de frontlinies gehaald. Maar van wie die Belgische kogel was, vertelt In Vlaanderen heb ik gedood niet en in documenten van het Belgische leger is het evenmin te vinden. De Belgische legerautoriteiten hebben het zelf nagezocht, maar vonden geen medische documentatie over de aard van Schoups verwonding. Hij werd in het noodziekenhuis in het Sint-Jan Berchmanscollege aan de Meir te Antwerpen behandeld, maar kennelijk werden dit soort gegevens in de chaos van die dagen niet eens opgetekend. De artsen en zusters hadden wel wat anders te doen.

Schoup werd op 3 oktober 1914 gewond, dát is het enige dat vaststaand gedocumenteerd is. Wat er ook precies gebeurd is; gewond werd hij die dag, precies honderd jaar geleden. Licht gewond, maar genoeg om naar Berchem en daarna in het noodziekenhuis in Antwerpen opgenomen te worden. Daarmee was hij van zijn dienstijd aan het front verlost. Drie dagen later vluchtte het Belgische leger de Schelde over, met ongewisse toekomst. En voor veel grenadiers van Schoups compagnie betekende de oorlog kort daarna de dood, bij Diksmuide al vrij gauw, of later aan de IJzer.

Schoup deed daar niet aan mee. Hij voegde zich niet bij het zich terugtrekkende leger, net zoals vele andere Belgische soldaten dat niet meer deden. Hij vond het genoeg zo. Hij had het wel gezien. Met zijn licht gewonde arm op de koop toe nam hij de benen. Op 7 oktober begon hij zijn laatste voettocht als soldaat van het Belgische leger, maar nu richting Nederlandse grens. En daar begon Jean Gustave Schoup in de nacht van 8 op 9 oktober 1914 zijn nieuwe leven.

Op de plek waar de grote boerderij stond, ligt tegenwoordig een geasfalteerd keerpleintje, aan het eind van de doodlopende Kraeyhoevelaan, vlakbij de Sint-Amandsesteenweg in de gemeente Bornem.

Go google.maps!

En zie voor meer informatie over de geschiedenis van de een halve eeuw geleden gesloopte boerderij het interessante boekje De Kraeyhoef te Bornem (2002) van Luc Rochtus en Eva van Hoye.

PS: Dit bericht is vandaag gepost met speciale felicitaties en een aanmoediging voor iedere journalist en/of dichter die een gedetailleerd boek over Jean Gustave Schoup wil schrijven.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Aanval op het Duitse leger : even prikken en meteen weer weg!

Tags

, , , ,

Vesting Antwerpen (Nrc - 14_10_01_2_05)

Eind september 1914. Het regiment grenadiers waar J.G. Schoup deel van uitmaakt, is na terugtrekking uit de velden boven Opdorp noordelijk getogen en in fort Bornem aangekomen. Dit fort behoorde tot de derde verdedigingslinie rondom Antwerpen, als we de oude stadswallen als eerste verdedigingslinie zien. Er was dichter bij de stad een tweede fortengordel, daar waar tegenwoordig de ringweg loopt. Maar die verdedigingslinie was uit de tijd geraakt, omdat het moderne geschut tegen het eind van de 19e eeuw steeds verder droeg. Een derde fortengordel moest gaan voorkomen dat de stad van veraf beschoten kon worden.  Aan bommen afgeworpen vanuit de lucht dachten de militairen destijds nog niet.

En zo was de stad Antwerpen schijnbaar veilig beschermd door een systeem van wel drie verdedigingslinies. Maar waarom Brussel niet? Awel, Antwerpen werd vanwege de verbinding met de zee belangrijker, want veiliger geacht, niet alleen voor bevoorrading maar ook voor een eventuele aftocht. Antwerpen werd daarom specifiek bestemd als thuishaven voor leger en regering in geval van uiterste nood. En als die uitzonderlijke situatie zich zou voordoen, dan kon men alsnog via de Schelde ontsnappen.

In september 1914 lag dat echter anders. De Schelde lag voor een breed deel op Nederlands grondgebied. En Nederland was neutraal. Er kwam daarom over de Schelde niets naar Antwerpen en ging ook niets uit Antwerpen via de Schelde. De toegang tot de Noordzee was geblokkeerd. Maar enfin, wat zou dat uitmaken? Al die forten waren toch berensterk en er was voedsel voor alle zes Belgische legerdivisies om een belegering van de Scheldestad maaaaanden lang uit te kunnen houden! Behalve natuurlijk als er toch bommen op de stad zouden vallen. Maar dat verwachtte geen enkele Belgische generaal. Toch viel er al gauw explosieve ellende uit Duitse zeppelins en vooral granaten afgeschoten uit Duitse monstermortieren zoals nog nooit iemand ze gezien had. De ‘Dicke Bertha’ had zelfs de forten rond Luik aan gort geschoten.

42cm Krupp ''Dicke Bertha'' Mörser

En toch voelde het Belgische leger zich na de aftocht uit Zuid-Brabant in augustus en september 1914 betrekkelijk veilig achter de Antwerpse fortengordels. Tegelijkertijd hadden de Duitsers immers hun handen vol aan de invasie van Noord-Frankrijk, dus wat kon er gebeuren? De Duitsers lieten het hele gebied ten westen en noordwesten van Brussel voor wat het was. Als Frankrijk op de knieën gedwongen zou zijn, dan was sowieso alles afgelopen. Een korte, snelle oorlog moest het worden. Maar zo liep het niet. Na het echec in de Slag bij de Marne, vlak boven Parijs, waren de Duitsers gedwongen toch ook heel Vlaanderen te bezetten. Als dat niet gedane zaak was, kon het Duitse leger in de flank worden aangevallen.

En precies dat deden nou juist de Belgen in augustus en september 1914 twee keer. Dit is de geschiedenis ingegaan als de twee uitvallen uit de vesting Antwerpen. Van de schrijver Schoup mogen we in zijn antioorlogsboek vernemen wat hierbij kwam kijken. Bulderend geweld van Duitse kanonnen maakte hij mee, dat is zeker. Het blijkt uit de hoofdstukken Leuven en Mechelen. Maar bij die manoeuvres maakte hij in feite maar twee korte schermutselingen met de Duitsers mee. De eerste vond plaats op 26 augustus bij het plaatsje Elewijt onder Mechelen en de tweede op 12 september bij het gehucht Molen, boven Leuven. Er vielen in de compagnie waar Schoup toe behoorde doden en gewonden, maar er vonden geen gevechten van man tegen man plaats. De slachtoffers vonden de dood door beschietingen van de Duitse artillerie. En na maar een etmaal of twee van zo’n zware bommenbui, nam de 4e Compagnie van het 3e Bataljon grenadiers liever het hazenpad dan terminale confrontatie. Dit aanvallen en dan weer weg wezen was precies zo gepland.

De strategie bij de twee uitvallen uit de vesting Antwerpen lag vast. Het was de bedoeling de Duitse legers een beetje in België bezig te houden om de druk op het front in Frankrijk te verminderen. Dat lukte een beetje, maar het Belgische leger kon voor het Duitse Heer toch nooit een gevaar van betekenis vormen. De Belgische krijgsmacht werd door de Duitsers niet serieus genomen en dat was ook terecht. Zelfs het oponthoud dat de Belgen in de eerste dagen van de oorlog wisten te bewerkstelligen is niet doorslaggevend geweest voor het fiasco van het Duitse offensief in Frankrijk. De aanvoerlijnen tot vlakbij Parijs bleken te lang en de kracht van de manschappen schoot tekort.

Eind september 1914 lag de situatie in België in elk geval wel ietsje anders dan die door de Duitse strategen was bedacht. Ze hadden de Fransen niet tot Parijs kunnen overvallen en ze hadden ook niet het hele Franse leger kunnen insluiten. Tot overmaat van ramp verschenen in Vlaanderen reeds de eerste Engelse soldaten van de British Expeditionary Force (BEF). Nu moesten de Duitsers zich toch echt, buiten de planning, met Vlaanderen gaan bezighouden!

Op 29 september 1914 verveelde soldaat Schoup zich daarom eens een keertje niet. Zijn compagnie lag boven het plaatsje Opdorp, aan de spoorweg tussen Mechelen en Dendermonde. In bosschages bij Buggenhout kwam het tot de eerste Duitse beschietingen van ver met als resultaat dat de grenadiers zich die dag via Oppuurs terugtrokken tot aan Bornem. Daar was (en is) ook het fort Bornem dat deel uitmaakte van de toen modernste derde verdedigingslinie rond Antwerpen.

Een deel van de grenadiers kreeg echter orders een grote herenboerderij tussen Sint Amands en Bornem te gaan verdedigen. En daar was onze Schoup bij, vandaag precies honderd jaar geleden.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

In de Eerste Wereldoorlog : grenadier tegen wil en dank

Tags

, , ,

Palais Royal cut

J.G. Schoup maakte, tot hij deserteerde, twee maanden van de Eerste Wereldoorlog mee. In zijn boek In Vlaanderen heb ik gedood doet hij er verslag van. Hij was in het 1e Régiment Grenadiers soldaat bij het “derde bataljon, vierde compagnie”, zoals hij op blz. 35 schrijft. De grenadiers gingen in 1914 gekleed in een traditioneel uniform dat je eerder zou verwachten op schilderijen van Napoleontische oorlogen. Het was een tenue dat niet meer bij de komende, moderne oorlogvoering van 1914-1918 paste.

Grenadiers waren oorspronkelijk, vanaf het midden van de 16e eeuw, soldaten die in een tas kleine ronde ballen van ijzer gevuld met buskruit bij zich droegen. Het waren de eerste handgranaten, waarvan de grenadier bij veldslagen in de eerste linie de lont aanstak om dan dat explosieve ijzeren bol als een rotje in de richting van de tegenstander weg te slingeren. Grenadiers, die menselijke bommenwerpers, hadden een zekere elitaire faam, omdat het niet ongevaarlijk was ontstoken bommen in de hand te houden en evenmin was het makkelijk daarmee effectief te mikken. Vanwege hun taak moesten ze lang van postuur en sterk zijn. De later bekend geworden berenmuts die grenadiers dragen heeft ook een geschiedenis. Bij het gooien van een bom zat de voor soldaten traditioneel breedgerande hoed in de weg. Grenadiers kregen een hoge mijter die later wel bekleed werd met bont.

Toen de granaat in onbruik raakte, bleef de elitestatus van de grenadiers bestaan, net als hun betere soldij en specifieke uniformering. Die kwam er in België in 1845; ter onderscheiding van de andere linieregimenten ontstond het 1e en 2e Régiment des Grenadiers die iets later, in 1859, één keurregiment zouden gaan vormen. De berenmuts die bij het nieuwe uniform hoorde, werd tot het begin van de Eerste Wereldoorlog gedragen. Het samengevoegde Régiment des Grenadiers werd vlak voor die oorlog weer in twee afzonderlijke regimenten zgn. ontdubbeld. En omdat die twee regimenten door de oorlog al gauw fataal in omvang slonken, werden ze al in november 1914 weer één.

Belgische grenadiers waren lange, slanke maar forse kerels gekleed in zwarte broek met rode bies en een lange donkerblauwe overjas met messing knopen. Deze rijzige gestalten met ook nog eens die berenmuts op het hoofd vielen in het veld enorm op. Schoup heeft het in zijn antioorlogsroman op blz. 44 dan ook over dat probleem. De Duitsers, met hun grauwe uniformen, waren nauwelijks zichtbaar, terwijl de Belgische grenadiers “op een kilometer afstand” in de peiling te nemen waren. En de berenmutsen waren (blz. 64) “een uitstekend mikpunt” gebleken. Dat was het einde voor die muts bij oorlogshandelingen. De lange knapen kregen nu de kwartiermuts en later een helm.

Grenadiers met berenmuts bestaan nog steeds. Ze hebben een rol bij plechtstatige ceremoniële gebeurtenissen en bestaan nog in diverse landen. Vooral de Koninklijke bewakers van Buckingham Palace zijn met hun robotachtige wisseling van de wacht wereldberoemd. En met dit soort taken werd Schoup vóór de Eerste Wereldoorlog belast. In Vlaanderen heb ik gedood begint daarmee.

“Juli 1914. Voor het bezoek van de Deenschen Koning was natuurlijk de groote tenue voorgeschreven. Een uniform, die sterk gekleurd, zeer smaakvol was volgens de meening van buitenstaande beoordelaars, voor ons echter een ontzetting. De grenadiersuniform was berekend op onvermoeibare krachtmensen. De berenmuts woog drie kilogram ongeveer. Dan nog de zwart lakensche broek met roode strepen, blauwe tuniek in stevig laken, de zware blauwe kapotjas met roode epauletten, de staande roode kraag met gele granaten en bovendien de uitrusting: geweer met bajonet, graafschop, ransel, koppel met zwaar koperen beslag, veldflesch met voorraadzak”.

In die uitdossing stond grenadier Schoup op wacht. En hij vervloekte het. “Op post vóór het koninklijk paleis in de brandende Julizon, het gezicht verhit door de reflex van het tegelpad, het hoofd vermoeid door de gespannen aandacht en bezwaard door de berenmuts van drie kilogram”.

Grenadier Tenue de campagne

En zo trok hij met zijn kompanen op 3 augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog in.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Schoups vertaalwerk : niet zonder afgunst, intrige en een raadsel

Tags

, , , , , , , ,

IMG_8776 © 2014 J.J. Wielaert

Nadat J.G. Schoup in vier jaar zijn vier romans had gepubliceerd hield het op. We mogen aannemen dat hij meer manuscripten heeft geproduceerd, maar er is, als die veronderstelling klopt, niets meer van uitgegeven. Met Geldhonger (mei 1935) begon wat zijn auteurschap aangaat al de neergang. Om op een andere manier in zijn levensonderhoud te voorzien, begon Schoup zich toen op vertalingen te werpen. Maar dat deed hij ook al eerder.

In 1933 vertaalde hij Behind the Scenes of International Finance (1932), een analyse van de Britse economisch journalist Paul Einzig. Het boek kwam in Nederland in 1933 uit onder de titel Achter de schermen der internationale financiën en gaat over economische oorlogvoering, vooral van Franse kant. Pas in 1935 ging Schoups vertaalwerk verder met een boek van de Franse auteur Guéhenno, Journal d’un homme de 40 ans (Grasset, 1935), in Nederland verschenen als Nu ik 40 ben. Menno ter Braak sprak zijn blijdschap over de verschenen vertaling in ‘Het Vaderland’ niet onder stoelen of banken en had geen kritiek op de kwaliteit van de vertaling als zodanig. Toch kwam dit boek Schoup onverwacht op een lelijke twist met twee andere literatuurexperts te staan.

Het lijkt er sterk op dat die het niet konden hebben dat Schoup, midden in de magere crisisjaren, aan hun broodwinning begon te knabbelen. Literair criticus Jan Greshoff meende in hoge toonaard dat Schoup het boek slecht vertaald had. Wel heel duidelijk werd de kinnesinne en de nijd een jaar later, in maart 1936. Schoup had contact opgenomen met de Franse schrijver Louis Guilloux om zijn antioorlogsroman Le sang noir te gaan vertalen. Dat beviel Edgar du Perron niet. Hij maakte Schoup tegenover Guilloux eerst zwart met de konde dat hij Guéhenno niet in de juiste toon vertaald zou hebben en dat Schoup maar een derderangs uitgever op het oog had. Aldus twijfels over Schoups kwaliteiten zaaiend, bood Du Perron enige dagen later Guilloux aan het boek te gaan vertalen. Hij kon dat natuurlijk veel beter en hij had ook een betere uitgeverij. Het was een smerige intrige die in de analytische biografie over J.G. Schoup uitgebreid aan de orde komt.

Ondanks deze tegenwind vertaalde Schoup vanaf eind 1936 tot 1939 nog zeven boeken, met als het meest bekende werk No Pasarán! (They shall not pass): A Story of the Battle of Madrid van de Amerikaan Upton Sinclair. In Schoups vertaling verscheen dit pamflet over de Spaanse Burgeroorlog in 1937 bij twee verschillende uitgeverijen: Uitgeverij Servire, Den Haag en de Vereniging Anarchistische Uitgeverij, Amsterdam. Alleen de laatstgenoemde uitgave heeft een harde kaft en ook grafisch fraaier coverontwerp, in zwart en rood. In 1939 vertaalde Schoup nog L’araigne van Franse auteur Henri Troyat, dat bij ons verscheen onder de titel De aasvlieg. Over het algemeen werden de vertalingen positief besproken. Zo stak ‘Het Vaderland’ in november 1937 als volgt de loftrompet over de vertaling van Grandeur Nature van Henri Troyat: “Van deze voortreffelijke vertaling mag gezegd worden, dat zij den bekenden roman van Troyat geheel tot zijn recht laat komen”. Het boek verscheen in Nederland onder de titel Roem.

Tot slot was er nog die obscure kwestie rond De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme eind 1933. Ook dit was immers, volgens Schoup zelf althans, een vertaling van een Amerikaans manuscript. De Nederlandse pers veronderstelde al gauw dat Schoup de tekst zelf geschreven had, maar dagblad ‘De Telegraaf’ had bij uitgeverij Van Holkema & Warendorf een in het Engels opgesteld manuscript te zien gekregen. Dat zou betekenen dat er een oorspronkelijk Amerikaans manuscript bestaan heeft. En het zou wel heel merkwaardig zijn dat Schoup eerst een dergelijk manuscript fabriceerde, in het Engels dus, en dat ook nog eens vertaalde.

Of deze tekst inderdaad wel helemaal uit zijn geest stamt, kon nooit onomstotelijk worden vastgesteld.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

De geldbronnen van het nationaal-socialisme : een heikel twistpunt

Tags

, , , , , , , , , ,

heruitgave

Terugkomend op het weblog van 20 september, waarin de roman Geldhonger uit 1935 nog even is aangehaald, weten we dat accountant Dycke een boek tegen “de funeste macht van het bankkapitaal” publiceerde. Zijn aanklacht was “vlijmend scherp”. Wie als verslag ook zo’n scherpe kritiek op de machinaties van het internationale kapitalisme noteerde was een zekere Sidney Warburg. Zijn ware identiteit kon nooit vastgesteld worden, maar deze Amerikaanse bankier zou voor een groep geld- en oliemagnaten in 1929, 1931 en 1933 uitgezonden zijn om Hitlers strijd om de macht met 32 miljoen dollar te ondersteunen. Vlijmscherp inderdaad kwamen in dit verslag vele details aan de orde, al trad tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog pas aan het licht dat die een kern van waarheid hebben.

Naast de vier romans die Schoup in zijn leven schreef – er zijn er wellicht meer geweest, maar die verschenen dan niet en over ongepubliceerde manuscripten is niets bekend – moet dit verslag genoemd worden. Het is goed mogelijk dat hij er in zijn hoedanigheid als auteur zijn steentje aan bijdroeg. In elk geval was hij van die publicatie, zoals in het boekje staat: “De Vertaler : October 1933”. En het werd, mits Schoup die hele tekst zelf schreef, zijn bekendste pennenvrucht, wereldwijd.

Het verslag van Sidney Warburg dat J.G. Schoup vertaald zou hebben, werd in november 1933 door de Amsterdamse firma Van Holkema & Warendorf uitgegeven: De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme – Drie gesprekken met Hitler. In de media ontstond er al gauw stampij over. Logisch; de machtige olietycoon John D. Rockefeller werd als financier van Hitler afgestempeld, net als Montagu Norman, de gouverneur van de Bank of England. Bovendien zou Shell, met Standard Oil de grootste speler in de globale petroleum business, ook achter de financiering van Hitler staan. En zo werden er nog meer gewichtige namen genoemd, zoals die van bankier Von der Heydt, een directeur van de August-Thyssen-Bank in Berlijn. Deze Duitse baron had, zo is later onomstotelijk geconstateerd, zeker met financiering van de nazi’s te maken.

Het boekje hierover moest dus, om het even van wie de tekst afkomstig was, zo snel mogelijk van de markt verdwijnen. En dat gebeurde ook. Het is geen twee maanden vrij te koop geweest en de hele oplage werd, voor zover dat mogelijk was, door de uitgever teruggenomen en vervolgens vernietigd. Een curieuze consequentie van dat feit is dat er later allerlei mythes en theses over ontstonden. Dit is in de eerste plaats te wijten geweest aan de Zwitserse uitgever en publicist René Sonderegger, die er in 1936 een pamflet over naar buiten bracht, onmiskenbaar nog van links allooi en zeker tegen het nazisme. In 1948 deed hij het omgekeerd nog eens over in zijn boek Spanischer Sommer, niet meer zo uitgebreid overigens, maar met theorieën die een eigen leven gingen leiden. Niet voor niets werd dit boek meermaals herdrukt. De joodse bankier James Paul Warburg zou Sidney Warburg geweest zijn!

Sindsdien hield de controverse over de waarheid nooit meer op. Voor allerlei propagandisten bleek De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme bruikbaar, zij het om te beweren dat Hitler met joods kapitaal was gefinancierd (wat niet in het boekje staat), zij het om het kapitalisme als systeem zwart te maken, zij het om Amerikaanse wereldpolitiek negatief te belichten en zo vele mogelijkheden meer. In 2008 beleefde het boek in Nederland een in de media nauwelijks opgemerkte heruitgave. De inleiding vertoonde zowel onduidelijkheden als onwaarheden. Schoup zou bijvoorbeeld “in 1944 door de Gestapo” zijn vermoord “waarmee bewezen is dat de Gestapo hem dus juist het zwijgen wilde opleggen over de financiers”. Volgens de zich onderzoeksjournalist noemende auteur die de inleiding schreef, zou de tekst als zodanig “een brouwsel van de Gestapo” geweest zijn. Dat is alleen maar in deze heruitgave te lezen en is zonder twijfel enorm belangwekkend, maar toch niet meer dan pure nonsens. De inleider ziet dit gegeven en ook dat de Gestapo achter de tekst zat “om te bewijzen dat de joden mede Hitler in het zadel hadden geholpen” dan ook volledig terecht als “kromme bewering die onhoudbaar is”. Hierna, tevens in 2008, verscheen bij dezelfde uitgever het warrig met materiaal uit het Internet samengestelde De Boogeyman. Hieruit moeten we begrijpen dat het kapitaal van de Warburgs achter de financiering van Hitler stak (wat, nogmaals, niet in het verslag van Sidney Warburg staat) en we mogen in dit spookachtige boek ook lezen dat niet alleen Schoup, maar ook diens uitgever vermoord werd! Hieruit blijkt nog eens hoe ontzaglijk veel onjuiste informatie er in de loop der jaren over De geldbronnen is gedrukt.

Maar dit zijn meteen de voornaamste twee Nederlandse voorbeelden van boeken waaruit blijkt hoe slordig en fout met de tekst werd en wordt omgegaan. Met name in Duitsland, maar op zich in de hele wereld, is er veel meer onzin over verspreid. En steeds weer wordt, voortbouwend op valse interpretaties, van alles uit het Internet geknipt en geplakt alsof het de waarheid zou zijn. De Boogeyman beleefde in 2012 een tweede editie. De reden was niet het succes van de eerste. Die editie werd uit de handel genomen, vooral omdat er een hoofdstuk in voorkwam waarin de Holocaust werd gerelativeerd. Maar niets nieuws onder de zon; in boeken met die wrange tendens is de story van Sidney Warburg wel vaker misbruikt.

Het mag voor hem al met al spijtig genoemd worden dat Sidney Warburg (wie hij ook was) sinds 1933 met zijn verslag gelegenheid gaf voor een nasleep die in de betichting ontaardde dat Hitler dankzij joodse bankiers en mede gebaseerd op Zionistische strategie aan de macht zou zijn gebracht. Dat poneerde Sonderegger in 1948 en velen papegaaiden het hem na. Maar in feite zou iedereen moeten weten dat oliemagnaat Rockefeller, bankdirecteur Norman en bankdirecteur Von der Heydt niet joods waren, net zo min als Shell-directeur Deterding joods was en ook niet alle bankdirecties in Wall Street per definitie joods waren of zijn. De enige (naast een oom) die in De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme joods is, was Sidney Warburg, die nooit geïdentificeerd kon worden en in het boekje met grote tegenzin alleen maar als boodschapper fungeerde, maar geen geldgever van Hitler was.

Het meest opmerkelijke is daarom de hete ophef die in november-december 1933 over De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme ontstond. Over teksten die van onzin zwanger zijn, maakt men zich doorgaans niet druk. Pas als ongewenste zwangerschap geconstateerd is, wordt in sommige gevallen tot abortus besloten. Want na de afdrijving laat het de mensen koud waar het feitelijk om ging.

J.G. Schoup heeft overigens nooit bekend het boekje zelf geschreven te hebben.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

In Vlaanderen heb ik gedood : Schoups antimilitaristische bom

Tags

, , , , , , , ,

IMG_8767 © 2014 J.J. Wielaert

Bij de Rotterdamse uitgeverij W.L. & J. Brusse N.V. verscheen in september 1932 Schoups debuutroman In Vlaanderen heb ik gedood. Het was een autobiografisch relaas over wat hij als soldaat in de eerste twee maanden van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische oorlogstoneel had meegemaakt. Iets aangedikt, dat wel, maar dat moest, want het boek was bedoeld als forse aanklacht tegen oorlogvoering.

In de analytische studie over Schoups leven komt dit boek inhoudelijk gedetailleerd aan de orde. Het is daarom hier niet nodig er nader op in te gaan. Maar in de biografie kon onmogelijk alles opgenomen worden. Het weblog biedt ruimte voor details die in het boek achterwege moesten blijven. Wat de Nederlandse pers bijvoorbeeld over In Vlaanderen heb ik gedood zei – en er ontstond goede aandacht voor – is de moeite waard kort belicht te worden.

Al verscheen het boek veertien jaar nadat op alle fronten van de Eerste Wereldoorlog de kanonnen zwegen en achttien jaar nadat Schoup persoonlijk iets van die oorlog meemaakte; zijn bundel sloeg in als een bom. In Nederland wel te verstaan. In België werd het boek doodgezwegen. Hoe kon deze roman bij ons zo snel redelijke populariteit krijgen? Na de Eerste Wereldoorlog ontstond in de literatuur een verschijnsel dat de oorlogen van de 19e eeuw niet teweeg hadden gebracht: de antioorlogsroman. Deze ontwikkeling lag ongetwijfeld aan de schaal waarop de Grote Oorlog gevoerd was, aan de uitzichtloosheid en de duur ervan, maar vooral aan de zinloze slachting van miljoenen, mogelijk gemaakt door talloze moderne moordmachines en de erbij horende productie daarvan, kortom de algehele industrialisatie van de oorlog. Zo’n gruwel had de mensheid nog nooit voortgebracht en er ontstond na 1918 dan ook felle weerstand tegen ieder idee dat oorlog de wereldproblemen zou kunnen oplossen.

De Dadaïsten in Frankrijk en Zwitserland begonnen met antikunst het fiasco van de beschaving op de hak te nemen. En ook soldaten die de onvoorstelbare ellende mee hadden moeten maken, hielden hun mond niet meer. Als ze schrijftalent hadden, klommen ze in de pen. Zo ontstond een divers scala boeken die oorlog de oorlog verklaarden. Krieg dem Kriege heette ook een tweedelig pamflet van Friedrich Ernst, een uitgave van het Kriegsmuseum, vol met foto’s over verminkingen en andere verschrikkingen van de oorlog. De latere communist Henri Barbusse kwam al in 1916 met zijn oorlogsdagboek Le Feu. In 1917 publiceerde de joodse Hongaar Andreas Latzko voor het eerst zijn aanklacht Menschen im Krieg. In 1919 kwam de Fransman Roland Dorgelès met Les Croix de Bois, waarin hij de executies van eigen soldaten niet onvermeld liet. In 1928 behaalde Erich Maria Remarque met Im Westen nichts Neues meteen groot succes. In Duitsland verscheen toen ook de antioorlogsroman Krieg waarmee Arnold Friedrich Vieth von Golßenau beroemd werd. Ludwig Renn was zijn hoofdpersoon. Door de nazi’s aange­vallen, legde Golßenau zijn adelstitel neer, sloot zich bij de communisten aan en noemde zich voortaan naar die roman­figuur. Met zijn boeken Nachkrieg (1930) en Rußlandfahrten (1932) behoorde hij al gauw tot de belang­rijkste communistische auteurs. Ook van 1928 is Schlump van Hans Herbert Grimm dat al gauw in het Engels vertaald werd en in de UK en USA meermaals verscheen. Alleen in Duitsland was het met de bekendheid van dit boek slechter gesteld en toen de nazi’s aan de macht kwamen, eindigde het met die van Latzko, Renn en Remarque en zo vele anderen op de brandstapels. Het exemplaar van Grimm zelf werd tientallen jaren later in zijn huis in Altenburg ontdekt. Hij had het voor zijn eigen veiligheid ingemetseld. Dit jaar verscheen een herdruk.

Schoups werk misstond in dit genre niet. Zijn boek is vlot en beeldend geschreven, zodat de lezer erin komt alsof hij of zij het zelf meemaakt. De katholieke krant ‘De Tijd’ waarschuwde zelfs dat de schrijver “voor het platste realisme” niet terugschrok. Enige episoden “worden hier zoo plastisch voorgesteld, dat we ernstig voorbehoud zelfs voor rijperen moeten maken”. Maar zo bereikte de auteur juist zijn doel; weerzin tegen oorlog wekken en tegen hen die eraan verdienen. Het socialistische dagblad ‘Het Volk’ noemde het in een lovende recensie met vele fragmenten een “Oerend sterk en eerlijk boek” van “de man die den moed had deserteur te worden”. Volgens de communistische ‘Tribune’, die ook flink aandacht aan het boek besteedde, vertelde Schoup “onopgesmukt, maar vaak niet zonder beeldende kracht. Hij weet de verschrikkingen der gevechten en bombardementen, de misères en liederlijkheden van het soldatenleven overtuigend te teekenen”. Maar de ‘Tribune’ maakte ook bezwaar. Al werd in boeken als die van Schoup de oorlog wel “in alle toonaarden verafschuwd en vervloekt”, toch ontbrak steeds een oplossing voor het probleem.

Het is niet te ontkennen dat dit bij In Vlaanderen heb ik gedood zo is, al vertelde Schoup (in het boek Schoef genoemd) uiteindelijk in de gevangenis socialist geworden te zijn. Een communist had aan het socialisme echter een broertje dood. En van ware strijd tegen de oorlog zou volgens de ‘Tribune’ in dit genre boeken geen sprake zijn. “Noch in zijn diensttijd, noch als geïnterneerde, noch later doet Schoef op dit gebied iets en hij geeft ook geen richting aan. […] Daarom is ook het nut van zulke boeken uiterst beperkt”. Dat is geen zuivere voorstelling van zaken van dit communistische dagblad, want de auteur wees wel degelijk een uitweg aan, die van het socialisme. Maar Schoup liep in zijn oorlogstijd inderdaad alleen maar mee, tot hij deserteerde. Volgens het Haagse liberale dagblad ‘Het Vaderland’ tenslotte, dat weer andere inhoudelijke kritiek uitte, deed het boek wat stijl aangaat “niet onder voor Hinter Stackeldraht en Drei von der Infanterie en Im Westen nichts Neues”.

J.G. Schoup had een gevoelige snaar getroffen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com