Belgenkamp revisited : van Rotterdam via (…) terug naar Harderwijk!

Tags

, , , , , , ,

Dankzij Hoovers en Francqui’s hulpcomités ging het met de voedselvoorziening van de Belgen vooruit. Maar hoe stond het begin 1915 met de in Harderwijk geïnterneerde Belgische soldaten? Konden zij binnen de omheiningen hun behoefte al wat humaner doen dan in een diep in de grond gegraven gat, een open beerput zeg maar, of kwam de ontlasting ook nog wel vrijelijk ergens in een beschut hoekje op de heide terecht? Werden de arme zielen nog bevangen door vlektyfus? Konden ze zich al eens wassen of zouden ze ook de volgende maanden een uur in de wind stinken? Sliepen ze nog als beesten op stro in een tochtig tentenkamp? Kregen ze genoeg te eten en verrekten ze niet steeds meer van de kou? Ja en nee…

Kamp Harderwijk © JJ. Wielaert

In het Interneringsdepot Harderwijk was in februari 1915 de situatie enorm veranderd in vergelijking met de onhoudbare omstandigheden die er eerst heersten. Jawel, het had even geduurd, maar in dat barre oord begonnen de mensonwaardige toestanden van oktober-november 1914 door de bouw van een groot aantal barakken allengs te verbeteren! Vergeet niet dat de Nederlandse autoriteiten daar eerst niet toe hadden besloten, omdat het Duitse offensief in Frankrijk leek te gaan slagen en de oorlog dus snel voorbij kon zijn. Dat was een misrekening, maar het speelde mee in het besluit de opzet van het Harderwijkse opvangkamp voor Belgische militairen provisorisch te laten zijn. Veel goedkoper immers ook! Maar nee, toch niet, tenminste niet voor de Belgen, want niets zou gratis blijven. Na de oorlog kreeg België de rekening gepresenteerd.

Zeker; eerst moest Nederland een en ander bekostigen. Datzelfde Nederland was er niet op voorbereid honderdduizenden Belgische vluchtelingen onderdak te geven. Was het duidelijk hoeveel er zouden blijven? Nee, ook al niet, dus bleef het aanvankelijk bij noodoplossingen en werd er niet meteen voor de Belgen gebouwd. Dat leek het beste, want zou dat gedonder daar in Noord-Frankrijk niet gauw afgelopen zijn? Even leek het erop, maar niemand wist het. En dus werd er in kamp Harderwijk in het begin niet veel geïnvesteerd.

Nederland kon Belgische burgers wel met zachte drang afschuiven. Het gros van de burgervluchtelingen ging sowieso uit vrije wil naar eigen land terug toen het ergste voorbij was. Maar de gevluchte soldaten moesten blijven. Belgische militairen mochten vanuit het neutrale Nederland nergens anders belanden en dat had gevolgen voor wat men huisvesting noemt. Er moest vanaf november 1914 dringend iets gebeuren. Na de Duitse nederlaag in de Eerste Slag bij de Marne (5 tot 12 september 1914) kwam het bliksemoffensief tot stilstand. De Teutoonse invasie stagneerde en de oorlogvoerenden begonnen zich aan beide kanten in te graven. Het werd duidelijk dat een snelle overwinning in 1914 niet meer haalbaar zou zijn. En dus, jawel, nu zat Nederland met een niet geringe complicatie, te meer daar de winter zich aankondigde. De problemen op humanitair vlak hoopten zich op, zodat dan toch besloten werd dat voor de Belgische militaire vluchtelingen, die de status van krijgsgevangenen hadden, een geconcentreerd kampement van node was.

Van het Interneringsdepot Harderwijk maakten drie Belgen later een maquette. Het complex lijkt optisch op de beelden die dertig jaar later van luchtopnames van concentratiekamp Auschwitz-Birkenau bekend werden. Dat Duitse vernietigingskamp was meer dan vijf keer zo groot, maar toch toont de maquette (zie boven) hoe uitgestrekt het kamp bij Harderwijk met zijn 32 hectare was. Laten we een essentieel verschil echter niet uitvlakken. In Auschwitz werden mensen vier jaar lang de dood in gedreven. In Harderwijk werden mensen vier jaar lang verzorgd.

Kamp in opbouw © JJ. Wielaert

De Belgische soldaten moesten bij de bouw van hun barakken ook zelf de handen uit de mouwen steken. Dat deden ze niet allemaal vrijwillig, maar ja, ze zagen zelf in dat de ellende langer zou duren dan gedacht en dat ze er het beste van moesten maken. Nog jaren lang lazen ze in Harderwijk over hun collega’s die in het uiterste puntje van West-Vlaanderen met de geallieerden heldhaftig standhielden tegen de Duitsers en daarbij sneuvelden. Daar mochten de Belgische soldaten die in Nederland vastzaten niet aan deelnemen.

Het eerste wat ze in Harderwijk wel mochten doen, was lijdzaam lijden en vervolgens lustig timmeren. Het resultaat mocht er wezen. Er was plotseling heel wat nodig en het ging uiteraard niet alleen maar om slaapplaatsen. Toereikende wasruimte moest er komen, latrines evenzeer, kantines en een ziekenboeg. Het nodigste werd het eerst gebouwd en Interneringsdepot Harderwijk werd daarna, van 1915 tot 1917, steeds verder vervolmaakt. Zeker, het verging de Belgische soldaten door deze maatregelen gauw beter. Maar toch is het niet anders mogelijk dan ook negatief over de verbeteringen te berichten.

De accommodatie was met 250 man per slaapbarak overbevolkt. Van privacy was geen sprake en er was geen verwarming. Dit maakte vooral de winters voor de soldaten alles behalve gerieflijk. Overdag moesten ze zich opwarmen in de kantines. ’s Nachts warmden de uiterst nauw bemeten logies dankzij de lichaamstemperatuur van 250 man wat op, maar daardoor kon het gebeuren dat aangevroren ijs ontdooide en op de slapers neerviel. Het is guur en winderig koud in Nederland en daar bleek niets aan te doen. Buiten de barakken was het begin 1915 verre van aangenaam. Pas later kon in het Belgenkamp Harderwijk iets aan het egaliseren van de tussen de behuizing liggende paden gedaan worden en aan wat riolering. In de eerste winter was kamp Harderwijk nog steeds maar een miezerig houten dorp waar ca. 12.000 tijdelijke bewoners door de modder moesten banjeren.

Kampstraat 1915 © JJ. Wielaert

Er was dus verbetering gekomen, jawel, maar was het genoeg? Nee, bij lange na niet. Dat was ook niet te verwachten. Zoals het bij de stichting en opbouw van ieder dorp gaat, laat het begin veel te wensen over. Er is niet meteen een bibliotheek of een voorziening voor vrijetijdsbesteding of scholing. Bij een merkwaardig garnizoen als het Belgenkamp op de heide ten zuiden van Harderwijk was dat niet anders. Stap voor stap en al naar gelang de behoeften die zich kenbaar maakten, werd het kamp geperfectioneerd en uitgebreid. Uiteindelijk zouden de burgers van Harderwijk nog profiteren van het Belgische toneelgezelschap dat in het nabijgelegen kamp voor vertier zorgde. Maar daar kon men in februari 1915 slechts van dromen. Eind januari 1915 berichtten de kranten over de “nieuwe kazerne” in Harderwijk, het kamp waarin uit alle windrichtingen Belgische militairen geconcentreerd werden. Het gros van de onderkomens was in slechts twee maanden uit de grond gestampt en dat zal, midden in de winter, geen lolletje geweest zijn.

Een goede vraag is wellicht: timmerde Schoup ook mee? Dat is misschien ook wel een vreemde vraag, want hij deed toch in Rotterdam zijn best voor de voedselhulp aan België? Welnu, er bestaat een aanwijzing dat hij vóór de jaarwisseling 1914-1915 in het zuiden van Nederland werd gearresteerd. En als het waar is dat hij Rotterdam inderdaad even verliet; wat voerde Jean Gustave dan op die bewuste decemberdag in zijn schild?

Men kan ernaar gissen, meer niet. Misschien heeft hij tegen het eind van 1914 gedacht Oud en Nieuw in Antwerpen bij zijn ouders te kunnen vieren? Misschien woonde daar wel een mooie Julia op wie hij verliefd was? Misschien… we zullen het nooit te weten komen! Maar als het een vermetel plan van hem geweest is een poging te wagen de grens naar België te overschrijden, dan mislukte dat danig. Hij mocht zo’n poging niet wagen. Schoup had weliswaar een officiële vergunning voor de business van Amerikaanse graanleveranciers in Rotterdam te werken, maar dat hield geen toestemming in op eigen houtje elders in Nederland te gaan flierefluiten. Dát was vanwege zijn status als Belgische krijgsgevangene in een neutraal land meteen een ontduiking van de regels. Dát kan dan ook negatieve gevolgen gehad hebben voor de uitzonderlijke vrijheid die hij als kantoorbediende van de Commission for Relief in Belgium genoot.

Het staat vast dat Schoup op 14 januari 1915 in Interneringsdepot Harderwijk werd geregistreerd. Zie voor een kleurenreproductie van die registratie de appendix achter in de biografie. Hij was (hoe en waarom dan ook) kennelijk over een schreef gegaan, maar misschien werd hij wel om gewone redenen van zijn taak bij de Commission for Relief ontheven.* Hoe het ook zij; in elk geval kwam hij voor de tweede keer in het kamp te terecht, waar overigens op 15 maart 1915 de laatste slaapbarak gereed zou komen.

Slaapbarak © JJ. Wielaert

* Onder welke omstandigheden J.G. Schoup misschien al in december 1914 zijn bevoorrechte betrekking in Rotterdam verloor, is niets met zekerheid te zeggen. Daar het om niet meer dan een vage indicatie gaat die niet te verifiëren was, is dit gegeven niet in de biografie opgenomen. Overigens bevat dit weblog vooral details die evenmin in het boek zijn opgenomen, omdat met al die zijpaden het panorama over Schoups avontuurlijke levens te wijdlopig zou zijn geworden.

De illustraties komen uit: Vluchten voor de Groote Oorlog (De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1988) en uit Gehalveerde mensen (BDU, Barneveld, 2004)

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties

Met de beste wensen ; in oud nieuws op zoek naar een gelukkig 1915

Tags

, , , , , ,

Bonne Année © J.J. Wielaert

Bij jaarwisselingen maken de mensen graag hun beste wensen kenbaar. Ieder voor zich is daarbij geneigd als de Romeinse god Janus zowel terug als vooruit te blikken, uiteraard in de hoop op betere tijden. Maar of het nu 31 december of 1 januari is; de wereld draait ook dan even snel door ramp- en voorspoed. Met de Januskop die op de drempel tussen Oud en Nieuw zowel recapituleert als naar de toekomst uitziet, ligt het voor de hand nuchter te bezien hoe het op alle andere dagen van het jaar met het geluk staat. Is er reden collectief zo uitbundig en vol blijdschap Oud en Nieuw te vieren?

Honderd jaar geleden zag het er in elk geval niet al te best uit. De slachtingen van voor de jaarwisseling werden op 1 januari 1915 onverminderd voortgezet en er was geen einde in zicht. Dus wat had die nieuwjaarsviering te betekenen? Hierbij een keuze uit de laatste kranten van 1914 en de eerste van 1915, nieuws dat J.G. Schoup destijds wellicht ook gelezen heeft.

‘De Telegraaf’, 23 december 1914 ; Interneeringsdepots

Naar men ons meldt, is tot opheffing van de interneeringsdepots te Assen, Zwolle, Kampen en Leeuwarden besloten. De vier depots worden verdeeld over Harderwijk en Oldenbroek. Harderwijk wordt aangevuld tot een sterkte van 12,500. Zeist komt dan tot een sterkte van 14,500. Het kamp in Gaasterland blijft bestaan.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; Belgische vluchtelingen

In de loods aan de binnenhaven te Vlissingen, waarin nog tal van vluchtelingen zijn ondergebracht en die kort geleden onder medisch toezicht geheel en nauwkeurig was ontsmet, zijn Donderdag weder twee nieuwe typhus-gevallen ontdekt en tengevolge daarvan is afgezien van het plan om Maandag ongeveer 1500 vluchtelingen van Vlissingen naar het kamp Nunspeet te vervoeren. De typhus breidt zich langzaam maar gestadig uit.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; De Joden in den Oorlog

In dezen oorlog staan, in de verschillende legers, ongeveer zesmaal honderd duizend Joden te Velde. Alleen in het Russische leger dienen meer dan 300,000 geloofsgenooten. Zij worden daar in nog grooter sterkte dan de zonen van andere vreemde natiën in het vuur gezonden op de gevaarlijke punten. […] In Duitschland hebben de Joden de oude roemrijke traditiën uit de bevrijdingsoorlogen en van het jaar 1870 schitterend gehandhaafd. Niet alleen hebben zij, gelijk vanzelf spreekt, hun plicht betracht, maar zij hebben in veel hooger getale dan naar verhouding van hun zielental, zich als vrijwilliger gesteld.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 28 december 1914 ; Paarden-uitvoer

In de maanden November en December zijn van het station Oldenzaal ongeveer 5700 paarden (ruinen beneden 20 maanden) en veulens naar Duitschland uitgevoerd.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Voor de Belgen

De “Commission for Relief” heeft in onze haven thans drie schepen in lossing. De “Agamemnon” heeft 2750 ton levensmiddelen, waarbij graan en meel, de “Skogland” 4500 ton, de “Neches” 5500 ton. Heden of morgen worden verwacht de “Batiscan” met 6800 ton en de “Maskinonge” met 7100 ton. Woensdag rekent men op de “Lincluten” die 6200 ton meel voor de Belgen meebrengt.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Lotgevallen van een Duitschen deserteur

Uit een boerderij op de grens was, naar beweerd werd, geschoten en het huis werd doorzocht. Wij vonden er slechts een oude vrouw en twee kinderen in, een meisje en een jongen van 10 à 12 jaren. De oude vrouwe wilde wegloopen, maar werd neergesabeld en mij werd bevolen de kinderen dood te schieten. Dat kon ik niet, waarop de sergeant, die het mij bevolen had, mij met de woorden “jij bent geen kerel” opzij stiet en zelf de kinderen neerschoot. Het meisje kreeg een kogel door het hoofd, zoodat zij dadelijk dood was, de jongen een in de rug. Hij viel neer en leefde nog, waarop de sergeant ook hem door het hoofd schoot. Het was afgrijselijk. Men liet ons echter niet veel tijd daarover na te denken, wij moeten weer voort, na eerst de boerderij in brand gestoken te hebben. […] De grootste slag, die ik heb meegetreden was die bij St. Quentin waar wij 2 dagen onafgebroken in de loopgraven hebben staan vuren, terwijl het water ons tot aan de knieën reikte. Nog veel langer heeft de slag geduurd. […] In de omgeving van ons kamp lagen de lijken van de gesneuvelden op sommige plaatsen 4 hoog op elkaar. Gewonden lagen er ook tusschen, die onze rust verstoorden door hun hartverscheurende gekerm, maar wij mochten hen niet gaan helpen en dat konden wij ook niet, want onafgebroken vlogen de kogels en granaten over het veld. Van het begraven van de lijken was ook geen sprake en zij gingen op het veld tot ontbinding over en verpestten den dampkring. Eindelijk, toen het te erg werd, overgoten wij de lijken met petroleum en staken ze in brand. Of er nog levenden tusschen waren wisten wij niet, er was geen tijd voor om daarnaar te zien.

‘Tilburgsche Courant’, 30 december 1914 ; DUITSCHE MAATREGELEN AAN DE GRENS

Men meldt uit Eindhoven van 27 Dec.: Tot heden werd aan onze bakkers toegestaan brood over de grens te brengen naar de Belgische grensplaats Arendonck en omliggende dorpen. Toen vanmorgen echter de bezendingen brood arriveerden, vernamen de leveranciers, dat de Duitsche overheid allen verderen invoer had verboden zoodat geen brood meer de grens over mocht. De Eindhovensche bakkers hebben daar een grooten schadepost aan en de Belgische afnemers zullen nu maar moeten zien, waar ze aan het noodige brood komen.

 ‘De Telegraaf’, 30 december 1914 ; Nabetrachting over het jaar 1914

[…] Voorts was er het New York – New Haven schandaal, waardoor de fondsenmarkten verrast werden. De het vorig jaar overleden spoorwegkoning J.P. Morgan bleek door middel dezer maatschappij enorme sommen verdiend te hebben, o.a. door het tot fabelachtige prijzen aan haar afschuiven van allerhande kleinere sporen, trammen, utility-ondernemingen enz.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 30 december 1914 ; advertentie ‘Meilleurs souhaits de’

Meilleurs souhaits de Jacques, Nouch, Bar, Renée, Jacques, Alice, Raymond, Paul, Alice, Rob, Nor, Jacq, Joe, Greet, Georges pour Père et Tante. Bonne lettre de schoup pour JULIA. 47518.6

NRC - 1914_12_30

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; Gaan de Duitschers een dam maken?

Naar ik verneem, zoo bericht de Antwerpsche correspondent van De Tijd, worden reeds sedert weken in geheel België behalve koper en andere artikelen alle linnen- en jute-zakken door de Duitschers in beslag genomen. Bij groote transporten worden de lege zakken vervoerd naar het front aan de Yser, waar zij vermoedelijk gebruikt worden om met zand gevuld te worden en voor afdamming of demping te dienen.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; De toestand in België

Reeds eenige malen deden verhalen de ronde, dat de Duitschers ook kachels opeischten, om ze in loopgraven te plaatsen. Thans verneem ik van iemand uit Gent, dat aldaar inderdaad zeer vele kachels zijn opgeëischt, welke alle zijn vervoerd in richting Yperen.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; Gemobiliseerde kantoorbedienden

Het dagelijksch bestuur van den Nationalen Bond van Handels- en Kantoorbedienden “Mercurius” heeft zich per request gewend tot den minister van Oorlog met verzoek, bij de beslissing op aanvragen van kantoorbedienden, om extra-verlof, ten einde in hun betrekking de balanswerkzaamheden te kunnen verrichten, een gunstige beschikking te willen bevorderen, waardoor de kans op het behoud dier betrekking na de demobilisatie voor hen grooter wordt en naar oordeel der requestanten geacht kan worden een algemeen belang wordt gediend.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Jaaroverzicht 1914

[…] We hebben hier in ’t kort de voornaamste regeeringsmaatregelen genoemd, die in ’s lands belang werden getroffen, en eindigen het overzicht daarvan met te herinneren aan de oorlogsleening van f 275.000.000 ter bestrijding van de buitengewone uitgaven, en die, naar we hopen, zoo spoedig mogelijk volteekend zal zijn.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Vluchtelingenverzorging

Men schrijft ons uit Vlissingen: In de huisvesting van de vluchtelingen alhier is een groote verbetering gebracht door het in gebruik nemen van twee der vier nieuwe loodsen, die op de Nieuwe Markt zijn gebouwd. Er zijn thans vier loodsen voor huisvesting, maar bovendien een vijfde, die voor eetvertrek is ingericht. Al deze loodsen zijn voorzien van een asphaltbedekking en de muren zijn van binnen met asbest bekleed.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; De modder aan de Yser

Uit een veldpostbrief in het ‘Berliner Tagesblatt’: Op een dag gingen we bij stortregen op weg, een marsch over 21 kilometer, in bodemloos slijk. In het donker struikelde een paard en en de bespanning van hat kanon viel in een diepe granaatkuil, die geheel met slijk volgeloopen en daarom niet te zien was. Van het paard zag men niets meer dan de kop en drie kwartier hebben we met spade en touwen moeten werken voor we het paard en de affuit weer er uit gehaald hadden. Zulke kuilen moet men zien. Groote granaten maken vaak gaten van twee meter diepte en drie tot vier meter doorsnede in den akkergrond. Meestal zijn ze zo rond alsof ze met den passer getrokken waren. Nu bij den aanhoudenden regen staan ze ongeveer voor drie kwart vol water en vormen zoo de mooiste goudvischvijvers, die men zich denken kan. In het begin van November, toen het hier nog vrij warm was, heeft een van onze korporaals een bad genomen in zulk een kuil. […] Het water en de modderpoelen zijn onze ergste vijanden, want de eeuwige vochtigheid en de modderpoelen demoraliseeren meer dan de eigenlijke strijd. In onze schuilplaatsen hebben we op balken een planken vloer liggen. En daaronder klotst vroolijk het water. […] Maar treurig worden we daarom niet. Boven den ingang van onzen schuilplaats staat: aquarium. Verder staat er een waarschuwingsbord: grens voor niet-zwemmers. […]

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 1 januari 1915

Bij het   i n    b e s l a g    n e m e n   van   w a p e n e n   door de Duitschers in België zijn ook bogen en pijlen, die bij wedstrijden gebruikt worden, zorgvuldig vergaard. Men heeft daaruit afgeleid dat de Duitschers wel erg zenuwachtig moesten zijn, om deze onschuldige wapenen nog gevaarlijk te achten. De reden schijnt echter een andere te zijn. Uit Parijs seint Reuter aan Engelsche bladen, dat er met behulp van pijl en boog brieven over de Nederlandsche grens en terug worden geschoten en dat de Duitschers daaraan een einde hebben willen maken.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 2 januari 1915 ; Te Gent

Men schrijft ons uit Vlaanderen: […] Dat de nood te Gent thans “schrikbarend” zou zijn, moet overdreven heeten. Er is armoede, zeer zeker: honger wordt er echter nog niet geleden: dit kan alleen hooge uitzondering wezen. […] De Duitsche bezetting te Gent dagteekent van Maandag 13 October: de vroegere kommandant generaal Junk, is sedert eenigen tijd vervangen door von Seckendorff. Een oorlogsschatting is niet opgelegd geworden. Alleen moet de stad het leger onderhouden; het getal Duitsche soldaten verschilt natuurlijk met den dag. Bovendien heeft de provincie haar deel op te brengen in de krijgsschatting van 480 millioen, waar ieder der negen provinciën zijn deel in te betalen heeft. […] De stad heeft ook pas een boete van 100.000 Mk. (waarvan 200.000 in goud) moeten betalen wegens het breken van een telefoondraad, waar de gemeente voor aansprakelijk gesteld is. De stad heft nu ook een belasting op ongetrouwde burgers. […] Er zijn verder opcentimes al naar de waarde van het bewoonde huis.

1914_12_01_2_05 (Tjgr. - spotprent)

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; Een dagorder van Keizer Wilhelm

BERLIJN, 31 Dec. (Wolff-bureau). Officieel wordt uit het groote hoofdkwartier het volgende medegedeeld:
Aan ‘t Duitsche leger en de Duitsche marine. Na een zwaren en heeten strijd van vijf maanden, gaan wij het nieuwe jaar in.
Schitterende overwinningen zijn er behaald en groote voordelen bereikt. De Duitsche legers staan bijna overal in het vijandelijke land, terwijl de herhaalde pogingen van den vijand, om met zijn legermassa’s den Duitschen bodem te overstroomen, mislukt zijn.
Op alle zeeën hebben mijn schepen zich met roem overladen. Hun bemanning heeft getoond, dat zij niet alleen zegevierend te strijden, maar ook, door de overmacht ter neergedrukt, heldhaftig weet te sterven.
Achter leger en vloot staat het Duitsche volk in voorbeeldige eendracht bereid, om het allerbeste wat het bezit, op te offeren voor den heiligen huiselijken haard, dien wij verdedigen. Veel is er in het oude jaar geschied, maar nog zijn de vijanden niet overwonnen. Steeds voeren zij nieuwe scharen tegen ons en tegen de legers, die met ons verbonden zijn. Maar hun aantal schrikt ons niet af. Al zijn de tijden ook ernstig en onze taak zwaar, toch durven wij vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien.
Naast de hulp van God vertrouw ik op de buitengewone dapperheid van leger en marine en voel mij één met het geheele Duitsche volk.
Daarom onversaagd het nieuwe jaar tegemoet,dat ons voeren moet tot nieuwe overwinningen voor het geliefde vaderland.

Het Groote Hoofdkwartier, 31 Dec. 1914. was getekend: WILHELM

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; De wensch van den Russischen opperbevelhebber

De ‘Daily Mail’ ontving den tekst van den volgende Nieuwjaarswensch van grootvorst Nicolaas, opperbevelhebber der Russische legers:
“Gij vraagt mij voorspellingen voor ’t nieuwe jaar. Ik kan er geen doen. Ik wensch een gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar aan al onze trouwe bondgenoten. ”

‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Nederland en de oorlog – Uitvoerverbod van brood

Bij Kon. Besluit is met ingang van 2 Januari de uitvoer van brood verboden.

 ‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Beperking van het koekbakken

De Berlijnsche Kamer van Koophandel heeft aan het bestuur van het banketbakkersgilde en van de Berlijnse Vereeniging van Banketbakkers medegedeeld, dat voor het nieuwe jaar eene beperking van het koekbakken gewenscht is en ook door de Berlijnsche politie verlangd wordt. In de maanden Januari en Februari mag dus in de banketbakkerijen van groot-Berlijn slechts éénmaal per dag aangemengd en gebakken worden. De Berlijnse banketbakkers willen een protestbetooging houden tegen deze beperking.

Gelukkig Nieuwjaar!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

“This man fed 6,000,000 Belgians” : een Amerikaanse zakenman vertelt

Tags

, , , , , , , , ,

1915_02_28 - NYT - Header

In de ‘New York Times’ van 28 februari 1915 verscheen een uitgebreid artikel over de man die de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam had geleid in de eerste vier maanden waarin de voedselhulp voor noodlijdend België op gang kwam. John Francis Lucey vertelde bij zijn terugkomst in de Verenigde Staten in geuren en kleuren over zijn successen. Op de Orduna was uit Liverpool een “bronzed-faced, pleasant-speaking, big-hearted but very determined Californian” in New York aangekomen. Deze man bleek heel wat te kunnen verhalen, zoals iedereen die verre reizen maakt.

In oktober had captain Lucey, “formerly of the regular army, but now the head of a great business in New York”, op verzoek van Walter H. Page, de Amerikaanse ambassadeur in Londen, zijn eigen zaken even neergelegd om als manager van Hoovers voedselhulporganisatie vanuit Rotterdam de dreigende hongersnood in België te bestrijden. Hij deed goed werk, ongetwijfeld, maar voedde niet 6 miljoen Belgen, zoals de krantenkop het overdreef. Uiteraard zat niet het gros van de Belgen met voedsel-, kleding- en verwarmingsproblemen. Nijpend was de nood in diverse regionen echter wel, vooral in de stedelijke gebieden, en daar wist Lucey vanuit de schakelcentrale in Rotterdam veel aan te doen. De voormalige Amerikaanse legerkapitein ging daadkrachtig aan de slag met de steun aan België. Het was een “vast American Belgian relief charity, a charity that in size and scope has no parallel in history”, aldus de Amerikaanse kwaliteitskrant. Lucey zelf verwoordde Amerika’s liefdadigheid nog bonter. “The world has never seen the like of this American charity. Never before has the great American heart shown up in such splendid fashion, and in Belgium if you are an American you are not only an angel, but a king as well”.

Wie was deze reddende “engel” en “koning”? Lucey was een self-made man die het van armoe tot rijkdom gemaakt had in perfecte overeenstemming met de American dream. Als kind van Ierse ouders kwam hij naar de Nieuwe Wereld met de onbegrensde mogelijkheden, alwaar hij als jongen van elf in New York kranten bezorgde. In 1898 voegde hij zich tijdens de Spaans-Amerikaanse oorlog bij het leger. Hij maakte het uiteindelijk tot kapitein. Na wat oponthoud in een legerziekenhuis in San Francisco hield Lucey in 1900 militaire dienst voor gezien. Hij studeerde rechten en begon voor zichzelf als avonturier, om te beginnen als goudzoeker in Alaska. Olie uit de bodem laten opborrelen bleek eenvoudiger. Destijds was die activiteit nog betrekkelijk simpel. Diep boren hoefde niet; vaak was aan de oppervlakte al te zien waar olie in de grond zat. Daar kwam nog bij dat in exotische landen de inboorlingen niet wisten wat ze ermee moesten. Ruwe aardolie kwam ook van nature aan de oppervlakte en dan gebruikte de plaatselijke bevolking die kleverige, brandbare drap voor fakkels, maar verder hadden ze er niets aan. Dus neem maar mee!

Lucey zou in Californië en in Texas, maar ook in Mexico, Argentinië, Indië, Rusland, Roemenië en zelfs in Spanje olie aanbo­ren. In dat soort landen was natuurlijk wel bekend wat het zwarte goedje waard was, maar het bleef een makkelijke business. Doe maar, gewoon aanpakken; er was voor ondernemende pioniers veel mogelijk destijds. Lucey was op de olievelden in Roemenië bezig toen de Eerste Wereldoorlog begon. En olie zou zijn hele leven blijven smeren. Het brood voor de Belgen was slechts een kort maar krachtig incident.

Toen Lucey op 25 oktober 1914 in Rotterdam begon, was hem gezegd dat het eerste schip binnen twee of drie dagen in de haven zou aanlopen. Dat het langer ging duren was te wijten aan onwil en restricties van het War Office in Londen. Van militair standpunt uit bekeken zagen de Britten de voedselhulp als onding, omdat de waarde van iedere kilo in België gedistribueerde levensmiddelen even veel geld betekende voor de Duitsers om munitie en voorraden voor hun leger te kunnen kopen. Er kwam dus aanvankelijk niets in Rotterdam aan en Lucey kon zich dan ook volop op de organisatie zelf storten. “While waiting for the relief ship I looked about and began the organization of our distributing and food handling forces. My office consisted of seven picked Rhodes scholars from Oxford University, and a number of Dutch and Belgians. They were all splendid”. Lucey vertelde vol trots over zijn team van vooral jonge Amerikaanse studenten. En zo lezen we in de ‘New York Times’ ook een complimentje voor J.G. Schoup, die immers als een van de Belgen in dit team jongelui was opgenomen. Ook hij moet “splendid” gefunctioneerd hebben.

En avontuurlijk was het. “We got word one night that Liége was starving. That very night a ship came in. We hurried enough food to fill fifty cars into Belgium that same night with Capt. Sunderland, United States Military Attaché at The Hague, escorting it. He got as far as Liége and then went forward himself to the German Headquarters and was loaned a special engine by the German General in command, and exactly twenty-four hours after the call was received for food in Liége our train of fifty carloads rolled into the station there”. Dit verliep zoals men zich kan voorstellen zonder de vereiste administratie en registratie. Daar was geen tijd voor. In september 1915 gaf Lucey dan ook ruiterlijk toe dit graan destijds gestolen te hebben. Spijt had hij er niet van. “I had never stolen before and hope that I will never have to steal again; but if the same circumstances as confronted me then arose, I’d do it again”.

De details hierover staan in de ‘New York Times’ van 25 september 1915 onder de vlammende kop “ADMITS $1,000,000 THEFT FOR BELGIUM”. Die diefstal werd dus in november 1914 gepleegd en het gebeurde feitelijk alleen maar, omdat het de officiële wegen bewandelend te lang geduurd zou hebben om hongersnood in Luik te voorkomen. Lucey had de noodzaak wel op een holletje aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Loudon laten voorleggen, maar die wou eerst het standpunt van Frankrijk en Engeland inwinnen. Bij de Franse legatie meende men dat generaal Joffre, opperbevelhebber van het Franse leger, eerst geconsulteerd moest worden. Zo stuitte de Amerikaan op bureaucratische grenzen en al dat overleg frustreerde hem enorm. “We did not want red tape; we wanted food, and at once”. Uit Den Haag terug in Rotterdam vernam hij gelukkig dat er in Zeeland, in Hansweert en in Terneuzen, twee schepen vol graan lagen. Tijdens het beleg van Antwerpen waren deze schepen naar Nederland uitgeweken. De lading was eigenlijk eigendom van Duitse handelaars, maar volgens de Nederlandse wet was het graan nu eigendom van de Nederlandse staat, omdat het in oorlogstijd het land binnenkwam.

Dit graan kaapte Lucey met de hem kenmerkende voortvarendheid. Het maakte hem niet uit. Dit moest naar Luik, en verder geen gezeur! Zo makkelijk ging het echter niet. Voorkomen moest toch worden dat het zou kunnen lijken of Nederland er iets mee te maken had. Het graan moest daarom vliegensvlug in andere schepen overgeladen worden, waarvoor Lucey 500 stuwadoors optrommelde. In Terneuzen lukte het hem 5000 ton graan van de 7500 ton te snaaien tot de Duitsers er lucht van kregen en bij de Nederlandse regering protesteerden. Nou, Lucey zou de 1 miljoen dollar die het waard was wel betalen als de rechtmatige eigenaar zijn vinger maar op zou steken. En dat gebeurde niet. “The ownership of the grain will probably resolve itself into a matter of international arbitration. Now, that is how we stole $1,000,000 worth of grain when the Belgians thought it impossible to get it”, sprak deze Robin Hood niet zonder trots in september 1915.

Maar terug naar het artikel ‘This man fed 6,000,000 Belgians” in de ‘New York Times’ van 28 februari 1915. Heel wat nadruk legde Lucey op de plotselinge populariteit van de Amerikaanse vlag. “In all our First shipments into Belgium and over all of our stores we flew the American flag during the first weeks of our work. But the Belgians began to look upon the American flag as practically their own, and as it had come to their assistance, when their own flag could not, it came to have a far greater value in their eyes”. Lucey wou dit toch even vermelden als teken van de grote waardering, respect en liefde die elke Belg voor het nationale embleem van de Verenigde staten had gekregen. “Even the mites of children know where the food that is keeping their parents and themselves alive comes from, and nearly all of them possess a little American flag, with a star or two missing perhaps, but an American flag just the same, and in nearly every case the flag was ‘Made in Belgium’ by the people themselves”.

Populair werden die vreemde Amerikanen dus opeens, misschien nog wel extra omdat hun werk zeker in het begin alles behalve eenvoudig was. Lastig op te lossen problemen veroorzaakten vooral de verwoeste straat- en spoorwegen en het gemis aan bruggen. In de kanalen lag bovendien het puin van al die opgeblazen bruggen, zodat schepen er niet door konden. “As I surveyed the situation during the First weeks of our work I realized more and more the extent of the terrible devastation that had overtaken the country. […] I saw that I would have to pioneer transportation work, just as if I was in a wild and unsettled country. The canals were full, from bank to bank, with debris, and the canal boats that were left, were not running. The railroads were paralyzed, and I faced a problem that involved not only the getting of the food, but the still bigger one of distributing it once it was in my possession”.

En alsof dat nog niet genoeg was, belemmerden de militaire autoriteiten de voortgang steeds. “Then we had the military problem, the most annoying of the lot. On one occasion I was arrested in company with an American consular official. My men were constantly held up and often detained in arrest. Passes were our only protection and even when armed with all kinds, sizes and degrees of passes, during the first weeks of the commission’s work in Belgium, we were often taken into custody”. Om de haverklap zaten captain J.F. Lucey en zijn medewerkers vast. J.G. Schoup kan daar niet bij geweest zijn, want hij was een Belgische deserteur. Hem zullen ze op het kantoor aan de Haringvliet hebben laten werken, want in België liep hij groot risico krijgsgevangen gemaakt te worden. Behalve natuurlijk als hij met passen op valse naam mee kon. Mocht hij zo toch in België hebben kunnen zijn, laten  we dan wel wezen; van zulke noodoplossingen in moeilijke tijden kan je als jongeman heel wat handigheidjes opsteken!

Goede woorden had Lucey voor de Duitsers, die zich zeer behulpzaam toonden. “On one occasion during the first two week in December, when we had no food ourselves to deliver into Belgium, and when the plight of the Belgians was oppressive, I applied to the Germans for food and would probably have gotten it had not the Government of the Netherlands stepped in and loaned the commission 10,000 ton”. Die lening van 10.000 ton tarwe uit Nederland is al in het weblog De piramiden van Rotterdam van 15 november ter sprake gekomen. Het was, zo blijkt, op dat moment dringend nodig, maar het blijft zo dat Nederland in dit geval geen voedselhulp gaf, maar leende.

Er moest, hoe dan ook, aan allerlei complicaties het hoofd geboden worden. Zelfs werkgelegenheid werd volgens Lucey een issue. Het was raadzaam graan in plaats van meel te laten komen bijvoorbeeld, want op die manier kon de Belgian Relief de molens in België aan de gang houden. “Where ordinarily the mill would employ only twenty men, we employed 100, giving them, however, only a small wage, or about sufficient to cover their food purchases. Besides, it is desirable to keep them busy”. Deze mededeling van Lucey bevestigt het nog eens; de Belgen kregen hun voedsel niet, ze moesten het aanschaffen. En het malen van Amerikaans graan was in België natuurlijk goedkoper. Bovendien werd – en ook dat zegt Lucey hier – de molenknechten wel wat geld gegund, maar niet meer dan ze nodig hadden om uiteindelijk hun zelf gemalen brood te kunnen betalen… Dat noem je dan werken voor je brood. Maar belangrijk was toch ook de mannen bezig te houden, zeker wel!

En bezig waren ze, want zelfs het kaf was van belang. In België was nauwelijks voedsel voor het vee. “In fact, meat is the cheapest food in Belgium, as the cattle are starving in many sections and the people are killing off the animals as fast as possible, because they have no food for the cattle, and because they are afraid of requisitioning by the German authorities”. Een absurde situatie; er was een broodprobleem in België, maar vlees was juist volop te krijgen, omdat de boeren hun vee liever slachtten dan dat ze het zagen vermageren. En zo gaf Lucey de ‘New York Times’ in februari 1915 bij zijn terugkomst in America met nog vele details meer een aardig overzicht over de problemen die hij had moeten meesteren.

“May I add a last word?”, vroeg de kapitein die vier maanden lang brood voor de Belgen verzorgd had afsluitend. “No matter what may come to me in later years, I shall never have a work to do of which I can be so proud as I am of the little I was able to accomplish for the relief of the brave, big hearted, suffering people of wonderful Belgium”.

John F. Lucey, die nog tot vlak voor zijn dood zijn Lucey Petroleum Company in Dallas bestierde, stierf na een operatie op 9 oktober 1947 op 72-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Boston.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Als kantoorbediende in Rotterdam : join our service, mr. Schoup!

Tags

, , , , , ,

Commission for Relief in Belgium (Rotterdam)

Jean Gustave Schoup werd door de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam als kantoorbediende te werk gesteld. Dat kan van alles betekenen, lijkt het, tot iemand die op een blaadje de koffie brengt aan toe. Maar met kantoorbediende werd een administratieve kracht bedoeld, een kantoorklerk. In dat metier was aanzienlijk veel meer te doen dan tegenwoordig. Er was enorm veel schrijfwerk en er waren geen computers.

Het is voor ons nauwelijks nog voorstelbaar, maar geautomatiseerd geschiedde in 1914 nog vrijwel niets. Ofschoon in de industrie natuurlijk allerlei machines draaiden, was toch bijna alles, maar dan ook bijna alles, mensenwerk, ook aan die machines. Zulk mensenwerk bestaat tegenwoordig net zo goed, hoewel het minder lijkt te worden. Maar zelfs een computer bedient zich nog steeds niet vanzelf. Bij productieprocessen zijn alleen veel minder mensen betrokken dan vroeger als we dat aan de productiviteit relateren. Automatisering maakt telkens meer volume mogelijk. We zijn, kortom, efficiënter geworden. Op revolutionaire schaal hebben robots, machines en apparaten mensenwerk overgenomen en (laten we dat niet vergeten) vergemakkelijkt. De mens experimenteert al met kunstmatige intelligentie. Er bestaat een mogelijkheid journalistiek te gaan automatiseren. Dat betekent niet meer door mensen, maar door machines samengestelde nieuwsberichten.

En waarom moet dat allemaal? Automatiseren is economisch efficiënter, goedkoper. Mensenwerk moet betaald worden en dus wordt dat geschrapt, indien mogelijk. Vroeger gingen we bij een achter een loket zittend mens ons geld van de bank halen, tegenwoordig staan we in de rij voor de automaat. Maar er blijft veel te wensen over. Kassières moeten maar eens uit de supermarkt verdwijnen, bijvoorbeeld. Hun geestdodende job is nergens voor nodig. De klant kan de barcode op de boodschappen best zelf scannen, rekent dan elektronisch af met zijn of haar bankkaartje, het poortje gaat open en de spullen mogen mee naar huis. Op iedere verpakking zit een beveiligingschip, zodat per ongeluk niet gescande spullen niet meegenomen kunnen worden zonder dat bij het poortje het alarm aanslaat. Maar dan is er weer personeel nodig om die gevallen op te lossen. Veel te duur. Dus beter nog; voor wie zijn koopwaar niet scant gaat het poortje niet open. Boter bij de vis; wel eerst dokken! Dus alles maar weer opnieuw scannen? Nee, een beeldscherm geeft gemakshalve even aan welk product nog gescand moet worden. De beveiligingschip wordt bij die handeling immers pas gedeactiveerd. En dan eindelijk naar huis!

Dit systeem zal ingevoerd worden door hypermoderne supermarkten waar je niet meer met cashgeld kunt betalen. Dat ouderwetse betaalmiddel moet sowieso verdwijnen. Peperduur al die munten en biljetten! Het is bovendien oncontroleerbaar hoe een mens eraan kwam. Zoals dankzij de OV-chipkaart het reisgedrag van burgers te checken is, weet een bedrijfscomputer straks ook van elke burger precies wat hij kocht en waar hij het kocht. De centrale computer van supermarktketen Cybersuper weet dat bijvoorbeeld. Dat bedrijf verkoopt de data over consumptiegedrag aan een perscomputer die er nieuws van maakt. Niet gedrukt op papier natuurlijk. Dat is veel te duur. Denk aan het milieu! Kranten moeten nota bene huis aan huis bezorgd worden. Overbodig, onnodig kostbaar. Verspilling bovendien. Niet doen. Weg ermee.

stuwadoors Rotterdam (J.J. Wielaert)

Het is verleidelijk mijmerend naar de toekomst af te dwalen, maar dit weblog gaat over het verleden. Laten we dus rechtsomkeert maken en terugblikken op de activiteiten van de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam. Een eeuw geleden was het organisatorisch en administratief nog niet zo flitsend geregeld als het later bleek te kunnen. Hijskranen stonden in 1914 in de Rotterdamse haven wel, maar een scheepsruimte werd nog door stevig gespierde stuwadoors gelost. Stapelbare containers zo groot als vrachtwagens bestonden niet. Ook voor de voedsel- en kledinghulp aan België moest men het stukgoed met lichaamskracht op takels en wagens pakken om dat dan in loodsen te kunnen opstapelen. Op de kades kon de handel niet blijven staan. Daarvoor regent het in Rotterdam te veel, toen wel al automatisch.

Pas na al dat gedoe met lossen en de tussenopslag begon het vervoer met de binnenvaart en ook met treinen naar België. En al die zakken Amerikaans meel en graan moesten langs de hele vervoersweg controleerbaar blijven. Zonder barcodes en scanners ging dat alleen met potlood of kroontjespen, in dikke boeken en op grote hoeveelheden papier. Een reden van belang was onder andere te kunnen blijven bewijzen dat Nederland neutraal was in het gevecht dat de Groote Oorlog zou gaan heten. Daarom moest alles wat naar België werd uitgevoerd nauwgezet administratief bijgehouden worden. Ondefinieerbaar spul mocht er niet tussen zitten, want dat zou hetzelfde zijn als smokkelwaar. Dus als er al een partij Nederlandse peultjes voor België bij zat, dan moesten ook die geregistreerd zijn.

Wat de Relief in Belgium betreft; het was zaaks precies te noteren dat de Amerikaanse hulp – die stilzwijgend net zo goed voor de Amerikaanse landbouw als schreeuwend voor België bestemd was – echt bij de Belgische bevolking terecht kwam. Er ontstond een stroom documentatie over wat waar vandaan kwam en waar het heen moest. Denk alleen maar aan de noodzaak de overslag uit zeeschepen naar loodsen te registreren, of, als dat kon, direct naar binnenschepen of op wagens met bestemming België. De geallieerden hadden geaccepteerd dat voedselhulp doorgang moest vinden, en de vijand liet dat toe, maar het mocht niets bij de bezetter van België belanden. Constante controle was dan ook een vereiste en dat zonder computerprogramma’s als Excel of Sap.

De administratie was het handwerk van een legertje boekhouders en rekenwonders. In 1914 en ook in 1915 misschien, was J.G. Schoup hierbij betrokken. Hoover of Francqui zal hij als kleine kantoorklerk niet hebben leren kennen, maar hij werkte vanaf 1 november 1914 in Rotterdam mee aan de voedselhulp voor België. Hoe dat precies tot stand kwam, staat te lezen in het boek over de bewogen levens van deze Belgische avonturier. In zijn roman In Vlaanderen heb ik gedood schreef hij niets over Interneringsdepot Harderwijk waar hij na zijn desertie in oktober terecht was gekomen. “Twee maanden later was ik in Rotterdam”, dat schreef hij wel. “Op eerewoord vrij gelaten kreeg ik vergunning om in Rotterdam te verblijven”.

Was J.G. Schoup nou ontsnapt uit Harderwijk, of vertrok hij gewoon met toestemming naar Rotterdam? Dat laatste blijkt niet uit de documenten die in de biografie naar voren komen. Waarschijnlijk is hij uit het kamp geglipt, maar hij had gunstige contacten en werd vrijwel meteen in Rotterdam te werk gesteld. Op dat moment had men een man met zijn talenten nodig. Voor de Commission for Relief in Belgium waren zijn capaciteiten geknipt. Het is daarom aannemelijk dat hij in november 1914 inderdaad van de Nederlandse autoriteiten vergunning kreeg om te blijven. Deze kiene jongeman was opgeleid aan de Antwerpse handelshogeschool, kon bogen op talenkennis en had voor de oorlog in Antwerpen ervaring opgedaan bij een scheepvaartkantoor. Bovendien was hij een Vlaming. Hij kende het sociale klimaat in België, de omstandigheden, de regels, de manier met de mensen om te gaan. En alleen al voor de logistiek tussen Rotterdam en Antwerpen kon hij zeker ook Belgen inzetten die hij nog van zijn vooroorlogse baantje kende.

Optimaal, deze oorlogsgast. Zo veel geschikte kandidaten waren er niet. Het is logisch dat zo’n man in Rotterdam door de Amerikaanse hulporganisatie van Mr. Hoover in het team van J.F. Lucey werd opgenomen. Welcome, mr. Schoup! Join our big charity-business for Belgian relief!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

De piramiden van Rotterdam : handen vol aan bergen werk!

Tags

, , , , , , , , , , ,

IMG_9005 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In het vorige bericht kwam tot uitdrukking dat de Amerikaanse voedselhulp aan België met zeker winstoogmerk tot stand kwam en verliep. De Amerikaanse auteur John Hamill veroordeelde dit scherp in zijn in 1931 verschenen boek The Strange Career of Mr. Hoover under two Flags. Hij toonde met tal van details aan dat er op ondoorzichtige manier geld aan de hulp verdiend werd zonder dat publieke controle op de activiteiten mogelijk was. “You see, it was just a private affair. Neither the State, nor the Public had any right to interfere”.

In Londen werd de inkoop door Herbert Hoover geleid en in Brussel regelde Émile Francqui de afzet. Zij, en alleen zij hadden uiteindelijk de leiding. In de zomer van 1915 gaf baron Moritz von Bissing, die op 24 november 1914 tot nieuwe Duitse gouverneur-generaal van België benoemd was, Francqui volledige handelingsbevoegdheid. “Francqui, the iron man of Belgium, could now do practically what he liked with regard to the distribution and sale of food. He supplied what he liked and charged what he liked”, aldus Hamill. Logistiek functioneerde deze handel via een keten van comités en subcomités. Het proces begon met het inzamelen van geld en met preparaties voor ontvangst van de goederen in Nederland. Haastig begon Hoovers organisatie in oktober 1914 het werk eerst tijdelijk bij een Rotterdams scheepvaartbedrijf. Al snel vernam men meer van de Commission for Relief in Belgium dan van het Committee for Relief in Belgium. Dat kwam niet omdat de leiders zich liever als mannen met een missie definieerden dan alleen maar als leden van een organiserend comité.

Er werkten twee verschillende organisaties met bijna dezelfde naam voor één doel. In het verlengde van het Amerikaanse initiatief ontstond een National Committee for Relief in Belgium, een Britse organisatie met zetel in Londen die het nodige geld inzamelde. Dit comité was in Engeland en in het Britse Gemenebest met subcomités actief. Want niet al het kapitaal dat Hoovers hulporganisatie nodig had kwam van banken. Toen Mr. Hoover de nood van de Belgen hoog van de toren had gekraaid, werd vanuit de hele wereld geld en goed geschonken. Wat extra begripsverwarring tussen de woorden comité en commissie veroorzaakte het Comité National de Secours et d’Alimentation in Brussel, het hulpcomité waar bankier Francqui zijn scepter over zwaaide. En naast dat distributieapparaat waren er nog een Spaanse en Italiaanse commissie aan het werk geslagen. Maar Francqui’s Comité National en Hoovers Commission for Relief waren de enige twee kanalen die geautoriseerd waren de beschikbaar komende gelden en goederen te beheren. Alle middelen om de nood in België te lenigen, ook die van liefdadige privéorganisaties die op eigen houtje graag iets wilden doen, moesten op deze twee kruispunten terechtkomen, dat van Hoover in Londen en dat van Francqui in Brussel. De schakelcentrale tussen die twee steden werd Rotterdam.

Erg ingewikkeld wel, al die plaatselijke comités en de nationale comités in Londen en Brussel, commissies in Rome en Madrid, comités in Amerika, Canada en Australië, en stuurcomités overal in België, die tegelijkertijd allen voor dezelfde Commission for Relief in Belgium in de weer waren. Maar actief ging het er aan toe en hoe! In Rotterdam werd het behelpen, want er kwam vanuit Amerika plotsklaps een enorme voedselhoop de haven binnen. Daar had Rotterdam toenemend moeite mee. De eerste aanvoer vanuit Engeland kwam op 1 en 2 november 1914 binnen, respectievelijk op de Coblentz en de Iris. De lading was 1777 ton meel, 414 ton rijst en 210 ton erwten en bonen, die al twee dagen later in Brussel arriveerden. Hoover liet er geen gras over groeien. Hulp was nu echt nodig geworden, want op diverse plaatsen in België, vooral in de grotere steden, dreigde voedseltekort. De mensen hadden hun thuisvoorraden zien slinken, de Duitsers hadden in de eerste oorlogsmaanden aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen geconfisqueerd en er was in België ook heel wat geplunderd. Maar later namen de Duitsers minder in beslag. Ze kochten voor goed geld levensmiddelen van de Belgen om een meer coöperatief klimaat te laten ontstaan. Het is dus niet anders; ook door winstbejag van de Belgen zelf ontstond toenemend tekort. Eind oktober 1914 vreesde men algemeen hongeroproer te mogen verwachten, vooral wegens het gebrek aan brood. Op het platteland was de nood minder schrijnend, want een boer kan zichzelf nog wel behelpen. Maar in de steden raakten de voedselvoorraden op en waar moest dan nog wat leeftocht vandaan komen?

Nou, zelfs uit het neutrale Nederland, dan toch. Daar snel en duidelijk bleek dat de oorlogvoerenden geen bezwaar maakten tegen toevoer van levensmiddelen bestemd voor hongerige Belgen, besloot de Nederlandse regering in november 1914 dat de verkoop aan de CRB van “zekere hoeveelheden peulvruchten” best moest kunnen. Toen er in december 1914 een ernstig tekort aan meel ontstond, zou de Nederlandse regering aan de Belgian Relief in Rotterdam 10.000 ton tarwe lenen. Captain J.F. Lucey, de Amerikaanse manager van de CRB-afdeling Rotterdam, kon de Nederlandse regenten overtuigen dat er in België groot gebrek heerste. En dankbaar dat deze zakenman was! “De commissie kan niet genoeg deze waarlijk menschlievende daad van de Nederlandsche Regeering roemen”, zo vatte ‘De Tijd’ zijn woorden samen.

Peulvruchten naar België © 2014, J.J. Wielaert

Aanvankelijk, vóór oktober 1914 zeg maar, was de voedselsituatie in België niet al te rampzalig. Maar de komende catastrofe was afzienbaar. De Duitse militaire macht had weinig aandacht besteed aan de problemen die bezetting van een land met zich meebrengen. De oorlog zou toch gauw voorbij zijn. Dat was althans de opzet van het Schlieffenplan. De Duitsers hadden bij hun snelle doortocht geplunderd of gekocht wat er te krijgen was. Daarna zou alles goed komen, want als Frankrijk en Rusland op de knieën gedwongen waren, zou er voedsel zat zijn, ook voor de Belgen. Maar dat ging fout. België had in oktober twee maanden oorlog achter de rug, was daardoor deels verwoest en verkeerde in wanorde. Het voedseltekort, vooral brood, werd nu een groot probleem voor de bezetter. Maar een Amerikaanse zakenman kwam dat schijnbaar gratis oplossen en de Duitsers, zeker niet gek, lieten dat graag toe.

Hoe je het ook bekijkt; wat Hoover op touw zette was op humanitair vlak een formidabele en in november 1914 dringend nodig geworden actie. Het was bovendien voor alle betrokkenen een positieve zaak. Ten eerste was de Amerikaanse voedselhulp in het belang van de bezetter, want die had hierdoor een flink probleem minder. Ten tweede kreeg de Belgische bevolking de voedselvoorziening enigszins gegarandeerd, zonder dat de Duitsers er met hun klauwen aan mochten komen. En ten derde werden ook de gulle gevers geholpen en dat niet eens alleen financieel. Marketing speelde een rol van belang, zeker op lange termijn.

Amerikaanse handel © 2014, J.J. Wielaert

De Belgen, even verwonderd als overrompeld door wat hen met de Amerikaanse hulp overkwam, hingen voor het eerst, klein of groot, thuis geborduurd of echt, de Amerikaanse vlag uit. Als er iets is dat Amerikanen goed kunnen, dan is het hun producten aanprijzen en nieuwe markten veroveren. In februari 1915 zou captain Lucey, net uit Rotterdam teruggekeerd in New York, over de Belgen zeggen: “They thought we were trying to sell them something. Many of them had never heard of the United States and did not know that there existed a class of people who would send across the seas free shiploads of food for them. Today they understand. Another thing we have done for the Belgians. We have educated them to know pork and beans. They are crazy about them. They also are learning something about American canned goods, and the use of corn meal. Zelfverheerlijking en voedselhulp als basisonderwijs in het afnemen van ingeblikt Amerikaans varkensvlees en bonen. Geweldig toch? Van Amerikanen kon je nog eens iets opsteken.

Maar wat ze te bieden hadden, was niet helemaal gratis. Dat gold toen de nood het hoogst was wat de donaties betreft nog wel, maar later werd dat minder en de kosten voor vervoer, opslag en distributie moesten toch gemaakt en betaald worden. De eerste boot die van over de Atlantische oceaan aankwam was de Tremorvah. Dat schip bracht op 15 november 1914, nu precies honderd jaar geleden, een lading van 5000 ton levensmiddelen, geschonken door Nieuw-Schotland, Canada. Op 21 november liep in Rotterdam de Massapequa uit New York binnen met 3500 ton goederen gedoneerd door de Rockefeller Foundation. Vanaf dat moment begon het vrij gestaag te lopen, schreef Tracy Kittredge, die het allemaal meemaakte. In constant toenemende hoeveelheden stroomden de levensmiddelen België binnen. In november werd in Rotterdam in totaal 26.431 ton gelost. In december 1914 brachten 17 schepen in totaal 58.000 ton en in januari 1915 wel 20 schepen een tonnage van ruwweg 70.000 ton. Vanaf toen kwam er maandelijks zelden minder dan 75.000 ton voedsel aan, het minimum dat men meende in België nodig te hebben. Vaak werd dit getal overschreden. In mei 1915 brachten 36 schepen 125.000 ton naar Rotterdam en in oktober 1915 werd uit 44 schepen in totaal wel 135.000 ton gelost. In het eerste jaar dat de Belgian Relief opereerde waren 186 volledige scheepsladingen en 308 gedeeltelijke in Rotterdam geleverd. De hoeveelheid aangevoerde hulpgoederen die de Rotterdamse afdeling in het eerste jaar mocht ontvangen bereikte een totaal van 988.852 ton. Bijna één miljard kilo!

Deze omstandigheden hebben de Rotterdamse haven een duw naar voren gegeven, te meer omdat in de Antwerpse haven, die destijds veel groter was, vier jaar lang geen zier gebeurde door de blokkade die het neutrale Nederland moest handhaven. Rotterdam werd the place to be. In velerlei opzichten ontstond voor de Nederlandse economie gelegenheid van de wereldoorlog te profiteren. Dat lazen we al wat een prachtige partij peultjes betreft, maar er kleefden genoeg andere voordelen aan. De hulp aan België werd een geweldige stimulans voor Rotterdam. Er was plotseling veel meer aan de knikker dan voor de oorlog. Als Egyptische piramiden stapelden zich in het havengebied lege vettonnen op. Maar ook administratief accumuleerde zich meteen een berg werk.

Om alles in banen te leiden kwam de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam in oktober 1914 onder leiding te staan van de al genoemde John Francis Lucey, ex-legerkapitein en directeur van de Lucey Manufacturing Company die in de halve wereld aan oliemaatschappijen materiaal en materieel leverde dat nodig was om het zwarte goud aan te boren. Toen in Oost-Europa de oorlog uitbrak, liet deze Amerikaan zijn business in Roemenië even waaien. Hij was op weg naar de Verenigde Staten toen hij in Londen via de Amerikaanse ambassadeur Page met Hoover in contact kwam. Lucey was expert in transport, wist van shipping, zoals dat tegenwoordig zelfs al heet bij het versturen van maar één pakketje. En Lucey was niet alleen een wereldveroveraar bij de exploitatie van aardolie, maar van karakter ook het voortvarende type Amerikaan die bergen kon verzetten, een man die van wanten wist. Hij schijnt het in Rotterdam straf maar sympathiek gedaan te hebben. Het lukte in die eerste vier moeilijke maanden onder zijn leiding het nodige gedaan te krijgen, tot in details. Om de goederen niet met man en muis op de zeebodem te zien verdwijnen, werden de boten van de Belgian Relief bijvoorbeeld aan bak- en stuurboord met spandoeken behangen, zodat het voor Duitse onderzeeërs duidelijk was dat voedselhulp voor België aangevaren kwam.

IMG_9002 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In Rotterdam werkte Lucey’s team vanaf 21 november 1914 in het voormalige residentie van de Incassobank, een pompeus paleisje met van buiten en van binnen allerlei fraaie tierelantijnen. “Er gebeurt in dit kantoor veel goeds voor de Belgen”, schreef een Rotterdamse krant zonder erbij te vertellen dat het voor Nederlanders ook zo slecht niet was. Door het afgebroken goederenverkeer naar België, Frankrijk, Engeland en Duitsland zaten in Rotterdam bijvoorbeeld vele havenarbeiders zonder werk. Dat was dankzij Herbert Hoover meteen afgelopen. Bij het lossen van de genoemde Massapequa drongen zo’n 500 dokkers om het werk te mogen doen. De gelukkige winnaars kregen een pas met “Member American Commission” erop vermeld en gingen aan de slag. “They unloaded the cargo with much speed”, aldus de ‘Los Angeles Times’ van 24 november 1914.

De Rotterdamse krant schreef een dag later: “In twee weken zijn meer dan 20.000 ton goederen naar de misdeelden in België uitgezonden en elken dag gaan er nog 3000 ton goederen weg met alle mogelijke vervoermiddelen, lichters, sporen, trams, enz.” Maar hoe regelde de in 1915 definitief almachtig geworden bankier Francqui het dan verder in België? Hamill is er in zijn boek bitter en boos over. Volgens hem verkocht Hoover de levensmiddelen voor België om te beginnen al met winst aan Francqui. Die zette in alle provincies van België comités aan het werk die op lokaal niveau weer met kleinere subcomités werkten. Elke provincie moest bij Francqui’s bank, de Société Generale , een zekere hoeveelheid krediet opnemen. Als een provinciaal comité goederen van Francqui’s Comité National kocht, dan werd dat betaald uit het krediet dat zo’n provincie dus bij Francqui’s bank opgenomen had. De levensmiddelen werden met winst aan het bewuste provinciecomité gefactureerd. Dat comité leverde dan aan de subcomités in de kleinere districten en moest dat ook weer met een winst in rekening brengen. Uit die winst werd namelijk een deel teruggestort als betaling voor de onkosten van… Francqui’s organisatie, “so that the National Committee was not only making a profit on direct sales but a share in the profits of indirect sales”. En zo staat Hamills boek bol met staaltjes van Francqui’s stuitende eigenliefde.

Gesch. van de Wetenschap in België 1915-2000

Goed geregeld! De burgemeesters van noodlijdende Belgische gemeentes met hun subcomités meldden het gebrek aan de provinciale comités. Of het waar was, bleef een andere vraag, maar er was zeker nood te bespeuren. De provinciale comités gaven de informatie door aan Francqui en zijn Comité National te Brussel, die dan aan Rotterdam doorgaf wat ontbrak. Het kostte kennelijk allemaal niets en overal bleef wel wat aan de strijkstok hangen. Maar “Rotterdam verzamelt slechts: geld, levensmiddelen, kleeren – de jongste aanvoeren zijn met de “Massapequa” en de “Jan Blockx” geschied – en zendt met bekwamen spoed af”, aldus de Rotterdamse krant. Zo was het kantoor van de Amerikaanse legerkapitein en olie-equipement leverancier J.F. Lucey “aldoor vol bezigheid, het is een goed sympathiek werk, dat vele handen dagelijks noodig heeft”.

Twee van die vele handen zaten aan het lichaam van Jean Gustave Schoup. Begin november 1914 begon hij, na het interneringskamp Harderwijk ontvlucht te zijn, in Rotterdam bij de Commission for Relief in Belgium een nieuwe fase in zijn leven.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie: John Hamill, The Strange Career of Mr. Hoover under Two Flags (William Faro, New York, 1931). In een rechtszaak in januari 1933 betuigde Hamill spijt de suggestie gewekt te hebben dat de door de Duitsers gefusilleerde Britse verpleegster en spionne Edith Cavell met één woord van Francqui of Hoover gered had kunnen worden. Hij impliceerde zelfs dat “ruthless men” de executie lieten passeren omdat Cavell te veel over tarwe, spek, rijst, bonen en erwten wist. Hamills boek is polemisch, populistisch en inhoudelijk niet overal correct, maar over de Belgian Relief raak en to the point. Het schilderij van Francqui door J. Laudy stamt uit: Geschiedenis van de Wetenschap in België 1915-2000 (Dexia, Brussel / La Renaissance du Livre, Tournai, 2001).

Zaken als hulp in de nood : The Commission for Relief in Belgium

Tags

, , , , , , , , ,

Commission for Relief in Belgium

Wat is voedselhulp? In beginsel heeft het verstrekken van levensmiddelen in noodlijdende regionen een humanitair doel. Wij, de geciviliseerde wereld, laten miljoenen door knagende honger geplaagde soortgenoten toch zeker niet verrekken? Het tegendeel is waar. Dagelijks sterven zo’n 24.000 mensen aan de gevolgen van ondervoeding. ‘Slechts’ 10% hiervan wordt door oorlogssituaties veroorzaakt. Toch worden massale voedselhulpacties meestal alleen op touw gezet bij die met oorlog in verband staande ellende, terwijl op hetzelfde moment 90% van de ondervoeden in vredige armoede creperen.

Dus laat de vraag herhaald zijn. Wat is voedselhulp? Het is wrang maar waar; het laven en spijzen van nooddruftigen in tijden van oorlog heeft onder andere te maken met big business. Burgers in rijke landen worden bewust gemaakt van een ramp en moeten gul hun geld gaan geven, want overheden hebben daarvan niet genoeg. Behalve als het om de ontwikkeling van een Joint Strike Fighter gaat of andere peperdure dingen waarvan niemand procentueel zijn persoonlijke bijdrage in zijn belastingaanslag kan herkennen. Het daarnaast toch graag geschonken geld van de burgers komt gelukkig goed terecht. Denk immers niet dat boeren hun oogsten zomaar afstaan. De meeste levensmiddelen moeten toch gekocht worden en dat werd in de Eerste Wereldoorlog in België ook weer verkocht. Kort samengevat is dat de essentie van de American Commission for Relief in Belgium.

Er was eens een zakenman luisterend naar de naam Herbert Clark Hoover. Van oorsprong was hij mijnbouwingenieur. In die bedrijvigheid had hij in China en Australië al op jonge leeftijd fortuin gemaakt. Dat lukte hem, omdat hij even sluw als schaamteloos wist om te gaan met de beschikbaarheid van goedkope arbeidskracht. Zo werd hij rijk en toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak woonde hij in luxe in Londen. Daar strandden steeds meer van het continent vluchtende landgenoten. Heel wat van deze Amerikanen ontbrak het aan geld om de overtocht naar de USA te maken. Mr. Hoover begon zich over hun lot te ontfermen en daarbij lichtte in zijn toch al heldere hoofd nog een extra lampje op. Aan de andere kant van het Kanaal, daar in België, was heel wat aan de hand! Van zijn fellow Americans vernam hij het toenemend; die Belgen zaten knap in de knel, want België moest voor haar bevolking in vredestijd al voedsel importeren. Dat was nu veel lastiger geworden.

Vrij onmogelijk, beter gezegd. Nederland, de noorderbuur, moest neutraliteit waren, dus kon niet te veel wagen. En ten zuiden van België lag het oorlogsfront met Frankrijk. Ook uit die regionen was geen voedselimport van betekenis te bewerkstelligen. Zo kwam het alimentatieprobleem op het bord van de Duitsers te liggen. Duitsland had op grond van internationaal vigerende verdragen als bezetter de plicht de voeding van de Belgen te garanderen, maar was ternauwernood in staat op eigen kracht de eigen bevolking te bedruipen. Duitsland produceerde bijvoorbeeld lang niet voldoende broodgranen. Dus ook nog eens voor de foeragering van ca. 7 miljoen Belgen garant staan zat niet echt in de Duitse oven, pan of pot.

Dit tekort had die slimme Mr. Hoover snel in de smiezen. Hier lagen lucratieve kansen, want waar gebrek heerst, is geld te verdienen. Het was afzienbaar dat er in België flink hulp geboden zou moeten gaan worden. Aldus entameerden wakkere zakenlieden als Hoover en zijn vroegere concurrent bij de uitbuiting van China, de Belgische bankier Émile Francqui, onderhandelingen tussen de geallieerden en de Duitsers over voedselhulp aan België. De Britten waren eerst fel tegen. Zij vreesden dat het allemaal toch bij de Duitsers terecht zou komen. Maar baron Wilhelm Leopold Colmar von der Goltz, gouverneur-generaal van de bezettingsmacht, gaf op 16 oktober 1914 schriftelijk te kennen de hulp uit Amerika te begroeten en garandeerde daarbij tevens dat de hulpgoederen uitsluitend voor de Belgische bevolking bestemd zouden blijven. Gecontroleerd via een uitgekiend systeem van verkooppunten kwam het leeuwendeel ook inderdaad bij de Belgen zelf terecht. Wat zij er daarna mee deden, is een ander verhaal, maar dat was dan niet meer het probleem van Hoover en consorten. Zij hadden aanvankelijk een heel ander probleem en daarmee hielp die deftige monsieur van de Société Générale de Belgique, die bankier Francqui.

Hoe moest deze enorme hulporganisatie aan het nodige geld komen? Die vraag werd aan de Belgische regering voorgelegd die in ballingschap in Le Havre, Noord-Frankrijk verwijlde. Het probleem was al snel uit de wereld geholpen. De Belgische staat zou de voedselhulp financieren, mede op grond van leningen bij Francqui’s bank natuurlijk, of leningen bij de Amerikanen, en Hoover zou met het beschikbaar gestelde geld in Amerika raad weten. Dat klopte! Hoovers hoofdrol bij de Commission for Relief in Belgium (CRB) was die van inkoper. Hij speelde het zoals het een voortvarend zakenman betaamd. Hij kocht vliegensvlug enorme partijen graan en meel van Amerikaanse boeren op en verrichtte die humanitaire daad in een periode waarin de voedselnood in Europa nog niet echt schrijnend was. De prijs voor al die agrarische producten was nog betrekkelijk laag. Maar naarmate de oorlog langer duurde, stegen de voedselprijzen op de wereldmarkt. En zo werd bij de verkoop aan de Belgen steeds winst gemaakt, waarbij onze monsieur Francqui, die voor de verkoop mocht zorgen, als zakenman wellicht zijn beste tijd ooit beleefde. Het CRB werd voor een gering aantal mensen een goudmijn, niet in de laatste plaats voor de gewezen mijnbouwer Hoover, die voor zijn harde werk geen salaris verlangde. Dat gaf hem het beste decorum de reddende engel van België te zijn. Hij, Mr. Hoover, die grootmoedige Amerikaanse filantroop. En hij, Francqui, die bankierende Belgische victualiënventer.

Hoover + Francqui (xkl) © 2014 J.J. Wielaert

Goed, dat is wat scherp geformuleerd. Men kan ervan denken wat men wil, maar dankzij deze twee ondernemers heerste er tijdens de Eerste Wereldoorlog in België geen onoverkomelijke hongersnood. De Amerikaanse uitbuiter en de Belgische uitbater kweten zich voorbeeldig van hun werken van barmhartigheid. Boze tongen hebben later beweerd dat de oorlog hierdoor gerekt werd, want zonder de Relief in Belgium hadden de Duitsers een enorm extra probleem gehad en waren in Duitsland en bij het Duitse leger veel sneller voedseltekorten ontstaan. Dat is theoretisch denkbaar, maar feitelijk gezeur achteraf. Met hypothetische redenaties als ‘had de hond de kat gebeten, dan was de muis niet weggerend’ valt weinig te bewijzen. Het rekken van de oorlog was in elk geval niet de opzet van Hoovers humanitaire interventies. Dat de oorlog langer dan verwacht duurde, was hooguit een lateraal gevolg van zijn zaken doen in gebrek, net zoals dat voor de wapenindustrie gold. Had de Amerikaanse industrie de Europese geallieerden niet voortdurend met wapentuig en voedsel bevoorraad en had de Amerikaanse bankier J.P. Morgan hen daarvoor niet honderden miljoenen dollars geleend, dan was de oorlog in West-Europa snel afgelopen geweest. Maar afdwalen in die materie is misschien beter iets voor later. Laten we eens overwegen wie er verder nog aan de Relief in Belgium verdienden.

Om te beginnen moest al het Amerikaanse meel ingescheept naar Europa gebracht worden. Dat kostte niet niets. Het kwam allemaal in de haven van Rotterdam aan, omdat de haven van Antwerpen geblokkeerd bleef. De CRB opende al gauw een kantoor in de Rotterdamse haven om de zaken te kunnen coördineren. Hier werd een compleet team werkzaam, dat er zijn boterham mee verdiende. Ontscheping en tussenopslag in Rotterdamse loodsen was uiteraard niet gratis. Besef daarbij steeds dat het jaren lang om honderdduizenden tonnen meel ging. Dit bood fijne werkgelegenheid. En dan moest het vervoer naar België nog gedaan worden. Daar werd het meel vervolgens in speciale winkels met winst aan de burgers verkocht. En daar had bankier Francqui de hele charitatieve business onder zijn hoede. Laat het duidelijk zijn. Het woord “hulp” als in “voedselhulp” betekende niet meer of minder dan dat er handig gejongleerd werd om ervoor te zorgen dat er voedsel voor de Belgen was. Maar dat betekende niet dat het Amerikaanse meel gratis bij de Belgen belandde. In tegendeel. Er werd in een handelsketen die van de korenvelden in Amerika tot in de kleinste dorpen in België reikte constant geld verdiend. Dàt is wat men voedselhulp noemt. Er zijn miljoenen in het spel als voor rampgebieden grootschalige hulpprojecten georganiseerd worden.

Toch deed Hoover als energieke organisator bewonderenswaardig menslievend werk. Zijn hulpbetoon staat buiten kijf, maar het zakelijke aspect moet daarbij niet over het hoofd gezien worden. Amerikaanse agrariërs hebben hem op handen gedragen, want hij hield maar niet op hun oogsten in hulpprogramma’s te verpakken. Het ging pas mis toen omstreeks 1927-1928 wereldwijd de prijzen op de graanmarkten kelderden. Dat kwam onder meer door de Sovjets, die hun graanoverschotten begonnen te dumpen. Hoover zette door als verlosser en werd president van de Verenigde Staten. De gevolgen van de Wall Street Crash in 1929 wist hij echter niet op te lossen en dus keerde hij, nadat Franklin D. Roosevelt in 1933 aan de macht gekomen was, terug naar business as usual.

Hoover + Hitler © 2014, J.J. Wielaert

Waar anders dan over alimentaire voorziening converseerde Hoover, toen hij op 8 maart 1938 in Berlijn een gesprek met Adolf Hitler had? Dat onderhoud vond nota bene plaats toen de al gepensioneerde Shell directeur Deterding bezig was met zijn eigen voedselhulp aan Nazi-Duitsland. Het was destijds aan de Duitse eettafels niet al te best gesteld, want Hitler gaf nogal veel aan wapenproductie uit. Vlak nadat hij daarmee in 1939 Polen overrompeld had, begon Mr. Hoover weer een hulporganisatie, de Commission for Polish Relief. Die CPR organiseerde in feite hetzelfde als in de Eerste Wereldoorlog met de Commission for Relief in Belgium het geval was geweest. De verplichting van de Duitse bezetter voor Polen te zorgen werd door Hoovers CPR materieel verzacht en in ruil daarvoor kon hij als hulpapostel weer eens voor de afzet van Amerikaanse producten gaan zorgen. Net zoals hij dat in 1914-1917 in België gedaan had en daarna, in 1921, Ierland en in Rusland.

Al met al ging het bij Mr. Hoover steeds om een eenvoudig zakenmodel. Hij wist van zijn vroegste loopbaan in China wat het betekende als mensen hongerden, maar wou dat later niet meer weten. Hij keerde in 1914 in zijn hoofd de lepel om. Hij zag in het verhelpen van voedseltekort iets zitten om zich voor in te zetten. Daarmee zou evengoed geld te verdienen zijn. Het maakte Hoover feitelijk nooit uit waar het politiek over ging, maar hij moet wel als een liberal, een vrij zakenman, gezien worden. So what!? Deed hij iets verkeerd? Waar Mr. Hoover was, was minder honger. Dat was mooi. En waar honger was, daar verscheen vaak ook Mr. Hoover. Te beginnen met België vanaf oktober 1914.

En monsieur le banquier Émile Francqui? Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog steenrijk en zou nog het ongekroonde staatshoofd van België genoemd gaan worden. Laten we dus zijn rol in Belgisch Congo maar vergeten, toen hij geen bankier maar militair was in het leger van de afgrijselijke massamoordenaar Leopold II, koning der Belgen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Nieuwe ontberingen : hutje en mutje in Harderwijk.

Tags

, , , , , ,

prins 1914_11_21_245 - harderwijk kl

Harderwijk, oktober 1914. In het tentenkamp boordevol Belgische soldaten heerst gebrek. Duizenden jonge kerels moeten in witte, kegelvormige canvastenten maar zien wat ervan komt. Wat zal de toekomst brengen? Waar zijn we beland? ’t Is guur en nat buiten, kil en vochtig binnen. Het stro dat als matras moet dienen helpt nauwelijks om slapend op de koude grond niet klam wakker te worden. In het holst van de nacht, met knorrende maag.

Maar daar waren ze dan, die duizenden Belgische soldaten, verslagen en op de vlucht gejaagd, na twee maanden lang in eigen land hun benen uit het lijf gelopen te hebben bij nutteloze manoeuvres. Twee maanden waren ze veeleer door hun officieren dan door Duitsers opgejaagd. Voor deze naar Nederland gevluchte stakkers was dat nu fini. Lafaards kon je ze niet noemen. De Duitse overmacht was niet te stuiten geweest en tijdens de aanval op Antwerpen lieten leidende officieren de manschappen in de forten soms gewoon het eerst in de steek. Langs de Schelde gingen vele soldaten, naar Nederland, om niet krijgsgevangen genomen te worden. Tweede luitenant Leclercq haalde het op 7 oktober 1914 met zijn mannen best nog tot over de Schelde, maar vond het later toch beter noordwaarts naar Nederland te zwenken, in plaats van naar Diksmuide door te lopen. Dáár, in het neutrale Nederland, zou niet gevochten worden zeker? Nou, die snuggere onderluitenant Leclercq had daar gelijk in en bracht de rest van de Eerste Wereldoorlog veilig in Nederland door. We mogen hem, zonder enig voorbehoud, een deserteur pur sang noemen.

Onderluitenant Leclercq was bevelhebber bij het 1e Régiment des Grenadiers, 3e Bataljon, 4e Compagnie. Zijn chef, luitenant Reclercq, liep wél dapper door naar Diksmuide en maakte de eerste slag bij Ieper mee. Als ondergeschikte van kapitein Rolet was deze Reclercq ook commandant van de compagnie waar grenadier Schoup in meemarcheerde. Maar die soldaat raakte tot zijn geluk nog goed op tijd gewond en vond het toen beter de spontane ondernemingsgeest van onderluitenant Leclercq na te volgen, al wisten zij vast niets van de gemeenschappelijke gedachte de oorlog maar gedag te zeggen. Soms komen mensen gewoon tegelijkertijd op hetzelfde idee. In en nabij Antwerpen is dat rond 6 oktober 1914 zelfs opmerkelijk vaak voorgekomen.

Jean Gustave Schoup liep langs de oostelijke oever van de Schelde in de stroom burgervluchtelingen mee, incognito in burgerkledij. Op 9 oktober 1914 kwam hij aan. In Ossendrecht vond hij logies in een pension, tot hij als soldaat herkend werd. “Den tweeden dag van mijn verblijf in Holland werd ik door een oprecht vaderlander, een hoogstaand patriot, verraden en door de Nederlandsche autoriteiten geïnterneerd”, zou hij achttien jaar later in zijn antioorlogsroman schrijven. Wie die patriot was, mogen we van de auteur niet weten. Jammer, maar het maakte hem zelf toch niks uit waar hij terecht zou komen. Voor hem was de hoofdzaak bereikt: “ik was verlost uit den waanzin, uit de hel, uit het moordenaarsbedrijf, dat nog elken dag doorging in Vlaanderen en in half Europa. Ik bekende ronduit dat ik militair was, gaf matriculatie-nummer, regiment en compagnie op en werd naar Bergen-op-Zoom gezonden, onder militair geleide”.

Waar hij belandde, beschrijft hij niet, maar dat blijkt uit legerdocumenten. Het meteen iets minder montere meneerke werd na kort oponthoud in Bergen op Zoom naar het miezerige tentenkamp voor militaire vluchtelingen bij Harderwijk gebracht. Wie had dat gedacht? Schoup niet, maar nu zat hij toch in die schamele tentenbende, verstoken van het comfort dat hij voor de oorlog in Antwerpen gewend was geweest. Het leven was er niet alleen karig en klam. Er was niet eens wasgelegenheid. Er waren nog geen latrines en dus moet het ook daarom in dit kamp gestonken hebben als in de smerigste zwijnenstal.

IMG_8968 - © 2014, J.J. Wielaert

‘Interneringsdepot Harderwijk’, zoals het genoemd zou gaan worden, was destijds bij lange niet wat het in de Eerste Wereldoorlog nog zou worden, een compleet Belgisch dorp, groter dan Harderwijk zelf. In oktober 1914 waren daar alleen maar tenten die als een veld van witte paddenstoelen tegen de grauwe bodem en bebossing afstaken. De soldaten werden niet of nauwelijks ingetekend – de registratie uit de eerste tijd is verloren gegaan, wat er ook van heeft bestaan. Er was nog geen afrastering en niet voldoende bewaking. Wie had dat ook moeten klaren? De Nederlandse krijgsmacht was met defensie van de landsgrenzen bezig. Het was even ten zuidoosten van Harderwijk kortom een ongeregeld zooitje voor een zooitje ongeregeld. Zo’n 7000 Belgische soldaten zaten in het Nederlandse herfstweer lijdzaam lijdend te wachten op het eind van een oorlog die, naar men toen nog dacht of hoopte, kort zou zijn. Het bleek alleen toch wat langer te gaan duren en dus werd langzaam een beginnetje gemaakt voor humanere behuizing.

In diezelfde begintijd van het kamp wachtten sommigen echter niet op betere tijden. Zo’n 250 soldaten ontvluchtten vluchtoord Harderwijk in de eerste maanden. Gezien de schrijnende omstandigheden die er heersten was hen dat niet kwalijk te nemen. ‘Het Volk’ drukte op 7 november af wat een Belgische soldaat de krant liet weten over het stro waar de mannen al drie weken op sliepen. “Door de regens der laatste dagen is het helemaal vochtig geworden. Nu begint het te rotten en verspreidt een duffen geur. Versch stroo zou hier niet misplaatst zijn”. Op 10 november publiceerde dezelfde krant weer dat 7000 soldaten sinds half oktober op hetzelfde stro sliepen. “Voeg daarbij dat sinds drie à vier weken de geïnterneerde soldaten de gelegenheid niet meer gehad hebben een bad te nemen of zich behoorlijk te reinigen, wijl voor die 7000 soldaten slechts één enkel bad ten dienste staat, en wel in het Hospitaal te Harderwijk, en buitendien alleen maar verlof tot het bad wordt verkregen, wanneer men reeds door schurft of andere dergelijke kwaal is aangetast”. Velen hadden op de vlucht uit België alles verloren en dus slechts één onderbroek. Verschonen was er niet bij. Twee dagen later werden de eerste gevallen van tyfus geconstateerd. Echt waar? Awel, ’t is te zeggen; een dag daarna maakte een krant bekend dat er een huidziekte was uitgebroken “welke zich bij de aangetasten aan het gelaat vertoont. Een 40-tal lijders zijn reeds of worden van de andere militairen afgezonderd”.

Conform een lelijke verwensing in het Nederlandse spraakgebruik kregen enkele van de als stalvee in de kou gezette Belgische soldaten letterlijk de tyfus. Dat was uiteraard geen opzet van de Nederlandse autoriteiten, maar waarom liet men het dan toch zo ver komen? Waarom die mensonwaardige behandeling? Was het zo slecht gesteld met onze edelmoedigheid? Nee, maar logistiek kreeg men in zo korte tijd niet al het nodige georganiseerd. Maar had het met het beddengoed toch niet iets sneller mogen lukken? Een Belgische soldaat schreef half december 1914 vanuit het kamp Harderwijk: “Geïnterneerd van 11 October moesten wij ons vergenoegen op open stroo te slapen gedekt met een deken. Sedert een maand kregen wij dan een zak, waar wij het lang gebruikte stroo dat onder ons lag moest in bergen om daar voort op te slapen. Het is wel waar, er kwam dan ook stroo aan om onder de manschappen te verdeelen, tot zoolang de voorraad strekte, doch verreweg het meerendeel moest hetzelfde stroo, dat reeds stof en zand was geworden, maar in zijn zak steken, waar zij nu nog op slapen. Men staat op die wijze ’s morgens schier gebroken op”.

Maanden lang moesten ze kamperen in kale tenten met een bed van zompig stro en met de regen als enige potentiële douche! Eén van degenen die dit meemaakte was soldaat 2e klasse Jean Gustave Schoup, zij het maar kort. Volgens papieren van het Belgische leger was hij van 10 tot 15 oktober 1914 geïnterneerd. Een krantenbericht van woensdag 21 oktober 1914 is daarbij interessant. Het bewijst dat er naamlijsten van geïnterneerden moeten zijn geweest, want anders is het houden van een appèl ondoenlijk. J.G. Schoup ontsnapte vast midden in de week van 11 tot 18 oktober 1914 uit het kamp Harderwijk. Hoe dat gegaan is weten we niet. Maar op zondag 18 oktober constateerde men op het appèl dat er maar liefst 61 soldaten ontbraken.

1914_10_21_03 (NTC - Geïnterneerden zoek + kamp Harderwijk)

Bar en boos was het, verstoken van de meest fundamentele hygiëne voor 7000 man even smerig als besmettelijk, maar Schoup maakte de akelige toestanden die in november 1914 in Harderwijk optraden niet mee. In 1932 verkondigde hij in zijn boek dus alleen maar lof over de Nederlandse hulp. Holland had “de grenzen wijd open gezet, het Hollandsche volk zijn hart niet minder en duizenden, opgenomen en verzorgd, zonder te rekenen, zonder te wikken en te wegen. Er mòest geholpen worden, er wèrd geholpen. October 1914 zal in de Nederlandsche geschiedenis een schone bladzijde blijven. October 1914 zag het Nederlandsche volk – neutraal en geïsoleerd – een grootsche, menschelijke daad stellen, zonder lawaaierig decorum of bombastig geschetter. Enkele uitzonderingen, die later, sterk overdreven meestal, dienst moesten doen om de ontvangst der Belgische vluchtelingen in Holland te brandmerken, doen niets af aan de warme, gulle gastvrijheid die het Nederlandsche volk, als geheel, in October 1914 heeft betoond”.

Dat is de andere kant van de waarheid, ondanks de misstanden die bij dit plotselinge vluchtelingenprobleem niet uit konden blijven. Nederland deed behoorlijk zijn best, maar was met zijn 6,3 miljoen inwoners niet op opvang van 1 miljoen extra gasten voorbereid. We zouden er tegenwoordig niet minder moeite mee hebben. Er is veel minder stro dan toentertijd, maar wat extra dekens of slaapzakken hebben we allemaal wel in huis.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Waarheen met al die Belgen? Nederland in rep en roer

Tags

, , , , , , ,

prins 1914_10_17_185 - Damrak (cut) kl

Als gevolg van de Duitse belegering van Antwerpen en het bulderende geschut dat de stad bombardeerde werden in oktober 1914 Zeeuws-Vlaanderen, Zeeland en het westen van Brabant overspoeld door in panische schrik op de vlucht geslagen burgers en soldaten. Kleine plaatsen als Putte en Ossendrecht maar ook het grotere Bergen op Zoom, waar het stadspark meteen een soort camping werd, konden het niet aan. In de laatstgenoemde plaats verrezen rap twee opvangcentra, eentje met losstaande tenten en eentje in een circustent. Toch was dit volstrekt ontoereikend. Massa’s Belgische vluchtelingen zaten letterlijk op straat.

Zo goed en zo kwaad als het ging werden de vluchtelingen gecoördineerd zo snel mogelijk over het hele land verdeeld opgevangen. Vanuit Roosendaal kwam bijvoorbeeld op 11 oktober 1914 in het dorp Veenendaal een treinlading van zo’n 1200 Belgen aan. Er was iets misgegaan. Voor 350 zielen was plaats aangekondigd, maar op die bewuste zaterdagavond moesten plotsklaps drie keer zoveel personen onderdak krijgen. Meteen al op de volgende dag werden noodgedwongen 500 vluchtelingen van Veenendaal naar Amersfoort getreind. Velen bleven echter. En voor mensen die huis en haard verlaten hebben, is het aanpassen geblazen. Het Steuncomité van Veenendaal, een zwaar godvruchtige gemeente, verbood de Belgen een week later met kaartspelen de tijd te doden, uiteraard omdat kaarten een duivels spel is!

1914_10_21_2_05 (Alg. Hblad - Kaartspelen verboden) cut

Op grond van de spreekwoordelijke christelijke naastenliefde werd in oktober 1914 overal in ons land hulp geboden. In korte tijd moesten dagelijks duizenden en nog eens duizenden Belgische vluchtelingen onder dak gebracht en gevoed worden. Nederland stond voor een ongekende opgave. De chaos die de eindeloze vluchtelingenstroom veroorzaakte is moeilijk voorstelbaar. Zo’n menselijke vloedgolf was nooit eerder op deze schaal voorgekomen en de omvang ervan is nooit meer geëvenaard. Zelfs de problemen die repatriëring van kolonialen uit Nederlands-Indië tussen 1950 en 1952 gaf, zijn hiermee niet te vergelijken. Maar ook toen moest Nederland massa’s mensen opvang bieden en ook toen kwamen die vluchtelingen onder meer in kampen terecht.

In de herfst van 1914 moest het echter allemaal ook veel sneller geregeld zijn, want met de komende winter op het oog kon men de Belgen niet blijvend in tochtige tenten op stro laten bivakkeren. En zo kwam allerlei alternatieve verblijfsruimte vrij. Bedrijven stelden loodsen en fabriekshallen ter beschikking, zoals de Groningse rijwielfabriek A. Fongers dat besloot te doen, “sympathiek en menslievend”.

prins 1915_01_30_60 - A.Fongers (cut) kl

In ijltempo werden tegelijkertijd verscheidene kampen met houten barakken opgericht die nog in complete Belgische dorpen zouden veranderen. Voor burgers kwamen er vluchtoorden bij Bergen op Zoom, Nunspeet, Ede, Uden en bijvoorbeeld in loodsen op de IJkade te Amsterdam en in een bloemkwekerij te Gouda. Ook in kazernes was plaats vrij, omdat het Nederlandse leger zich ter verdediging van de grenzen elders bewoog. De Belgische soldaten kwamen eerst provisorisch in die kazernes terecht, onder meer in Alkmaar, Leeuwarden, Assen, Harderwijk, Oldebroek en Amersfoort. Maar omdat de kazernes te klein waren, zaten ze ook al gauw in geïmproviseerde tentenkampen bij Harderwijk en Zeist. Zij die weigerden schriftelijk te verklaren niet te zullen vluchten werden uiteindelijk geïnterneerd op het ‘Nederlandse Elba’, een klein kamp op het eiland Urk. Britten werden in Groningen geïnterneerd, Duitsers in een interneringskamp te Bergen, NH.

prins 1914_11_28_261 - loods IJkade (cut) kl

Een fijne bijkomstigheid was dat al die activiteit zich niet per sé als liefdadigheid afspeelde. Voor de boeren, winkeliers en ook voor industriëlen was deze ontwikkeling, de verzorging van honderdduizenden Belgen, van begin af aan een economische opsteker. De enorme hoeveelheid voedsel die in de gevluchte Belgen verdween, moest gefinancierd worden en de huisvesting werd echt niet steeds gratis ter beschikking gesteld. Voor dit grootschalige hulpbetoon was geld nodig en dat kwam er. De staat droeg er wezenlijk aan bij, want de opvang van Belgische burgers en soldaten kostte een lieve duit. Om maar een voorbeeld te noemen; het vluchtoord Gouda, de plantenkwekerij waar Belgische burgers in broeikassen en barakken werden ondergebracht, was door de Nederlandse overheid gehuurd. In de herfst en winter moest het complex warm gestookt worden, wat in de andere kampen ook niet uit kon blijven. Of kleding, schoeisel, beddengoed; er was gebrek aan van alles. Denk ook eens eventjes aan het bouwmateriaal voor de barakken, afrasteringen en omheiningen. En uiteraard moesten alle Belgische, Engelse en Duitse geïnterneerden vier jaar lang te eten krijgen.

Dat was de prijs en verplichting die aan de Nederlandse neutraliteit hing. De buitenlandse soldaten mochten niet naar hun land terug om te beletten dat zij eventueel weer aan de oorlog zouden deelnemen. Maar de oorlogvoerende landen moesten naderhand wel het gelag betalen. Britse en Duitse militairen hadden we in kleinere aantallen moeten herbergen, maar Belgische des te meer. België kreeg na afloop van de Eerste Wereldoorlog voor de gastvrijheid van Nederland een rekening van 53 miljoen gulden gepresenteerd, waarvan 6 miljoen aan rente. Niets voor niets, voor wat, hoort wat! De Belgen zijn een tiental jaren danig verontwaardigd geweest, maar in feite was de rekening gerechtvaardigd. De vraag was hooguit of het bedrag klopte. En België wees verongelijkt op het feit dat de Nederlandse economie er vier jaar lang van had geprofiteerd vluchtelingen niet te laten sterven van honger en kou. Dat klopte, maar hoe had het anders gemoeten? Nederland had aan zijn verplichtingen voldaan en daar zat een prijskaartje aan.

België moest het maar op de Duitsers verhalen bij de vredesonderhandelingen in Versailles. Maar daar kwamen de Belgen er bekaaid vanaf. Geleden had België ten eerste lang niet zo erg als Frankrijk. Er was beduidend minder verwoest en ook veel minder te ruimen. Bovendien profiteerden vele Belgen van de Duitse bezetting. De Duitsers hadden van alles nodig gehad en dat werd in 1914-1918 veelal niet zomaar geconfisqueerd, met uitzondering van Belgisch industrieel materieel. Het schaarse voedsel te grazen nemen zou vijandigheid en verzet van de bevolking in de hand hebben gewerkt. Beter was het nodige van de Belgen te kopen. Dat er volop met de bezetter gehandeld werd, bleek uit ettelijke miljarden Duitse marken die bij beëindiging van de oorlog in november 1918 in bezit van de Belgische boeren, burgers en bourgeoisie was. De Britse econoom Keynes vermeldde in zijn boek The Economic Consequences of the Peace (1920) dat het om maar liefst 6 miljard mark ging. Had België dus echt zo veel te klagen? Nederland hield ondanks de felle protesten voet bij stuk. Toen vanaf 1 januari 1923 met terugbetaling werd begonnen, was de schuld tot meer dan 60 miljoen gulden opgelopen. De vereffening zou tot eind 1937 duren, maar de 45 miljoen gulden die met de noodhulp voor de burgervluchtelingen gemoeid was, heeft Nederland niet opgeëist.

prins 1914_12_26_309 - Nunspeet (panorama) kl

De meeste Belgische burgers keerden na de eerste paniek van oktober 1914 al gauw naar huis terug. België was nou wel door de Duitsers bezet, maar de gruwelijke moordpartijen en barbaarse vernielingen waaraan zij zich in de eerste maanden van de oorlog te buiten gingen, waren definitief afgelopen. Bovendien waren in bijna heel België de echte oorlogshandelingen voorbij. Al in december 1914 was het aantal vluchtelingen dan ook tot 200.000 geslonken en een half jaar later waren er nog maar zo’n 100.000 in Nederland over, een tiende van de aanvankelijke Belgische exodus. Dat aantal zou tijdens de hele oorlog bij ons blijven. Zo’n 33.500 van hen waren militairen die op grond van de internationale verdragen omtrent neutraliteit niet over de grens gezet mochten worden.

In de uit de grond gestampte militaire opvangkampen bij Zeist en Harderwijk moesten in oktober 1914 meteen al omstreeks 25.000 soldaten en officieren geïnterneerd worden. Vanwege de destijds nog bitter primitieve omstandigheden was vlucht uit deze oorden een frequent voorkomend fenomeen. En al werden de tenten peu à peu vervangen door houten barakken; in de eerste winter ontbrak in het kamp Harderwijk verwarming. Gezellig en gerieflijk was het voor de Belgische soldaten in die winter dus zeker niet.

Slimmeriken die iets meer dan deze ellende wilden meemaken, zochten elders een goed heenkomen. Het kamp bij Harderwijk was in oktober en november 1914 nog zo lek als een mandje…

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Maar eentje van een miljoen zielen : J.G. Schoup en de Belgische exodus

Tags

, ,

Antwerpen 1914 Willy Stöwer

Op 7 oktober 1914 is het moderne Duitse geschut dicht genoeg bij Antwerpen om met het bombardement van de stad te beginnen. De dag tevoren heeft het Belgische leger zich uit de voeten gemaakt, de Schelde  over. Voor de evacuatie is inderhaast een pontonbrug over de rivier gelegd. Inmiddels dreigt de stad aan gort geschoten te worden. Vanaf middernacht 8 oktober 1914 ligt het centrum onafgebroken onder vuur en geen Antwerpenaar weet of het volgende huis dat getroffen wordt het zijne zal zijn. Massaal slaan ook de burgers op de vlucht. Wie er vroeg bij is, vindt een plek op een boot aan de haven, maar de schepen raken al snel overvol. Dan maar de Schelde over, op de pontonbrug, of anders subiet langs de oostelijke Schelde-oever naar het noorden, de enige uitweg over land. Eén blik over de schouders is genoeg om een catastrofe te vermoeden; heel Antwerpen lijkt in brand te staan.

Naar schatting 100.000 tot 300.000 Antwerpenaren vluchtten in deze dagen de stad uit. Als gevolg van deze panische uittocht kwamen in de eerste week van oktober 1914 één miljoen Belgen de Nederlandse grens over. Jean Gustave Schoup, gedeserteerd uit de 4e Compagnie van het 3e Bataljon van het 1e Régiment des Grenadiers, was één van hen. Op 9 oktober 1914, vandaag precies honderd jaar geleden, kwam hij te voet aan in het Nederlandse dorp Ossendrecht, samen met een onafzienbare stroom landgenoten.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Honderd jaar geleden : licht gewonde Vlaamse grenadier verlaat de oorlog

Tags

, , , , , , , , , ,

J.G. Schoup, soldaat tweede klasse bij de grenadiers, deserteerde niet zomaar toevallig in 1914.

Deze jongeman, met destijds nog maar 21 jaren op de teller van het leven, werd op 21 februari 1893 in Antwerpen geboren. Daar woonden in 1914 zijn ouders nog steeds. Een mooie bijkomstigheid; het hele Belgische leger had zich binnen de fortengordel van de vesting Antwerpen teruggetrokken. Wát er ook zou gebeuren; Schoup was dicht bij huis!

In de laatste dagen van september 1914 en de eerste dagen van oktober 1914 zetten de Duitsers het offensief tegen Antwerpen in. Het 1e Régiment des Grenadiers lag toen boven het gehucht Opdorp en moest zich na een korte schermutseling in en om het dorp Buggenhout in noordelijke richting terugtrekken. Er was weinig eer te behalen aan confrontatie met het Duitse leger. De overmacht was te groot en dus hield het Belgische leger zich sinds het begin van de oorlog, ondanks enkele verbeten momenten van verzet en victorie, vrijwel permanent vaardig om te vertrekken.

De grenadiers deden in de begindagen van oktober 1914 nog een poging het gebied tussen de dorpen Sint Amands en Bornem vast te houden. Dit was zinloos, zoals de afgelopen twee maanden vol oorlogshandelingen al hadden uitgewezen. De Duitsers zouden er toch wel doorkomen. Tegen die teutoonse mankracht en tegen hun titaanse artillerie stond het Belgische leger als een mug onder een vliegenmepper. De Belgen hadden de woeste Duitse wolf twee keer zijdelings kunnen pesten, maar werden toch wel doodgebeten en sowieso constant op de vlucht gejaagd. Steeds moest het Belgische leger zo snel mogelijk zorgen dat het wegkwam. Maar steeds weer ook boden de Belgen moedig weerstand, ook op weilanden boven Sint Amands.

J.G. Schoup deed in die dagen dienst in een molen, zo blijkt uit In Vlaanderen heb ik gedood. Molens en ook kerktorens waren belangrijke observatieposten. Maar molens en kerktorens werden daarom ook beschoten. Molens en kerktorens werden zelfs bij terugtrekking van het Belgische leger als het even kon verbrand of vernield, om ervoor te zorgen dat de Duitsers er bij het oprukken geen observatiepost aan overhielden.

In deze turbulente dagen raakte soldaat tweede klasse Schoup tussen Sint Amands en Bornem gewond. Hij zou, volgens zijn boek, een schotwond door zijn linkerarm gekregen hebben. Dat kan wel zo zijn, maar op de datum waarop dit dan gebeurde, waren de Duitsers in feite nog niet in de buurt van de Kraeyhoef, de boerderij waar hij met zijn compagnie was gelegerd. De Kraaihof, zoals deze herenboerderij ook vaak gespeld is, bestaat niet meer. Het complex bestond uit vier in een carré gesitueerde gebouwen die een bijna vierkante binnenplaats omringden, met een groot, lang woonhuis, diverse stallen en een rosmolen. Het was wat de plattegrond betreft een soort burcht en zo een pleisterplaats op het Vlaamse platteland die goed te verdedigen was.

kraaihoef foto achterzijde

Maar de Duitse infanterie was op 3 oktober 1914 nog niet ter plekke. Soldaat Schoup moest toen dus ook niet, zoals in zijn boek staat, in een kogelregen rennend zijn vege lijf redden. Op 3 oktober 1914 kan hij uitsluitend gewond geraakt zijn, omdat Duitse kanonnen de sector onder vuur namen waar hij was of omdat het fort Bornem niet al te raak tegenvuur gaf. Het ging de Duitsers op die dag niet eens om de Kraeyhoef. Vlak ten noorden van Sint Amands stond een molen die volgens de Duitsers verdwijnen moest, de Heimolen. Maar daar zat soldaat Schoup op die dag al niet meer in. Zeker is; de verwonding die hij aan zijn arm opliep moet door granaatscherven veroorzaakt zijn, niet in een vuurgevecht met Duitse soldaten en dito kogels. En als het werkelijk om een schotwond gegaan is, dan kan uitsluitend een verdwaalde Belgische kogel zijn geluk bepaald hebben. Want ja, hoe gek het ook klinkt, die wond werd echt het grootste gelukje (of ongelukje?) van zijn leven. Wegens dit letsel werd hij uit de frontlinies gehaald. Maar van wie die Belgische kogel was, vertelt In Vlaanderen heb ik gedood niet en in documenten van het Belgische leger is het evenmin te vinden. De Belgische legerautoriteiten hebben het zelf nagezocht, maar vonden geen medische documentatie over de aard van Schoups verwonding. Hij werd in het noodziekenhuis in het Sint-Jan Berchmanscollege aan de Meir te Antwerpen behandeld, maar kennelijk werden dit soort gegevens in de chaos van die dagen niet eens opgetekend. De artsen en zusters hadden wel wat anders te doen.

Schoup werd op 3 oktober 1914 gewond, dát is het enige dat vaststaand gedocumenteerd is. Wat er ook precies gebeurd is; gewond werd hij die dag, precies honderd jaar geleden. Licht gewond, maar genoeg om naar Berchem en daarna in het noodziekenhuis in Antwerpen opgenomen te worden. Daarmee was hij van zijn dienstijd aan het front verlost. Drie dagen later vluchtte het Belgische leger de Schelde over, met ongewisse toekomst. En voor veel grenadiers van Schoups compagnie betekende de oorlog kort daarna de dood, bij Diksmuide al vrij gauw, of later aan de IJzer.

Schoup deed daar niet aan mee. Hij voegde zich niet bij het zich terugtrekkende leger, net zoals vele andere Belgische soldaten dat niet meer deden. Hij vond het genoeg zo. Hij had het wel gezien. Met zijn licht gewonde arm op de koop toe nam hij de benen. Op 7 oktober begon hij zijn laatste voettocht als soldaat van het Belgische leger, maar nu richting Nederlandse grens. En daar begon Jean Gustave Schoup in de nacht van 8 op 9 oktober 1914 zijn nieuwe leven.

Op de plek waar de grote boerderij stond, ligt tegenwoordig een geasfalteerd keerpleintje, aan het eind van de doodlopende Kraeyhoevelaan, vlakbij de Sint-Amandsesteenweg in de gemeente Bornem.

Go google.maps!

En zie voor meer informatie over de geschiedenis van de een halve eeuw geleden gesloopte boerderij het interessante boekje De Kraeyhoef te Bornem (2002) van Luc Rochtus en Eva van Hoye.

PS: Dit bericht is vandaag gepost met speciale felicitaties en een aanmoediging voor iedere journalist en/of dichter die een gedetailleerd boek over Jean Gustave Schoup wil schrijven.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com