Draaideur Rotterdam: een hutspot en hotspot van spionage

Tags

, , , , , , , , ,

Witte Huis Rotterdam 1907 © onbekend

Eén van de typische fenomenen in de mediawereld is het uitbuiten van jaartallen die in het collectieve geheugen gegrift staan. Bij een bekende historische datum roept men graag details uit de voltooid verleden tijd in herinnering. Met een mooi rond getal als aanleiding mag je dan vernemen dat een of andere oorlog tientallen jaren geleden begon of eindigde, of dat een persoon honderd of zelfs tweehonderd jaar geleden ter wereld kwam of overleed. Wie dat interesseert, leest er ditjes en datjes over en denkt vervolgens maar al te vaak: “gut, was dat nou alles?”

Nee, natuurlijk speelde er veel meer, maar artikelen moeten tegenwoordig bondig blijven en boeken eigenlijk dunnetjes. Bovendien moet het bij de retrospectieve berichtgeving om wereldschokkende gebeurtenissen gaan, of om wereldberoemde doden als Napoleon, Hitler of Stalin en dergelijke, overleden filmsterren of voetballers niet te vergeten. Is een onderwerp of persoon niet erg bekend, dan is de “nieuwswaarde” niet hoog genoeg. Dit is echter een paradox. Aan het onbekende of verborgene wordt weliswaar weinig of geen aandacht besteed, maar wat niet algemeen bekend is zou per definitie als “nieuws” moeten gelden.

In 2014 bijvoorbeeld bedrukten de media hun papier ook betrekkelijk graag met oppervlakkigheden over dingen die vele lezers al wisten. Destijds honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit en in 2014 diende zich tevens een mooi moment aan om na zeventig jaar de geallieerde invasie in Normandië voor de zoveelste keer in het zonnetje te zetten. Een enkeling herinnerde zelfs aan de mislukte aanslag op de Duitse dictator in datzelfde jaar 1944. Om andere jaartallen te noemen: eind januari 2013 kwam het dramatische slot van de slag bij Stalingrad in het nieuws en eind januari 2015 de gelukkige maar tevens tragische bevrijding van Auschwitz. En jawel, in 2015 werd herinnerd aan de slag bij Waterloo, toen tweehonderd jaar voorbij.

Zo is er altijd wat over vroeger te vertellen, ook op televisie en radio trouwens, maar soms verslapt de aandacht voor belangrijke verleden gebeurtenissen toch opmerkelijk. Verslaggeving over de plechtige herdenking van de terroristische aanslagen op de Twin Towers dreigt bijvoorbeeld in het slop te raken. Dat baart zorgen, want het was me wat. De wereld stond op zijn kop! Maar wat toen in Manhattan voorviel, weten de mensen nu wel. Het is ook niet goed telkens aandacht op die eigenaardige terreuraanslagen te vestigen. Boze tongen van intelligente onderzoekers en wetenschappers laten geen steek heel van het officiële nieuws over die rampspoedige septemberdag. Onopgeloste vragen genoeg, bijvoorbeeld over miraculeuze vliegtuigen die spoorloos in veel te kleine gaten verdwenen of over het wonderbaarlijk instorten van een wolkenkrabber die door geen enkel vliegtuig was aangeraakt! Maar wat moeten we met dat soort nieuws? Veel te lastig is dat. Vergeten is beter, of zand erover strooien, of er monumenten bovenop planten die schijnen te bewijzen dat het allemaal waar gebeurd is, zoals men zegt dat het waar gebeurd is.

Het recente verleden schijnt überhaupt te vers om er diep in te kunnen graven. Zo lijkt het, terwijl wat maar kort geleden gebeurd is voor journalisten en onderzoekers juist meer aanknopingspunten biedt om waarheid aan het licht te brengen. Een Australische waaghals die nu al jaren in een Ecuadoraanse ambassade woont, vond dat ook. Het werd hem niet in dank afgenomen en dat is de crux: hij onthulde realiteit. Elke dag gebeurt op de achtergrond ontzaglijk veel wat het daglicht schuwt, geldstromen op hoog niveau, financiering van oorlogen en opstanden, wat al niet meer, en de reden om al die waanzin te verwezenlijken, winstbejag natuurlijk, zou voor journalisten uiterst pikante kost moeten zijn. Ze interesseren zich doorgaans echter even weinig voor de achtergronden van de waanzin als de mensen zelf. Reportages gaan vooral over verschijnselen, voorvallen, niet over oorzaken. Hier een bom, daar een brand. Onderzoeksjournalistiek à la Watergate kost bovendien onmatig veel geld. Het is goedkoper en gemakkelijker de medewerkers op de redactie te laten verwijlen om ze met de berichten van persbureaus bezig te laten houden. Een nóg onschuldiger tijdverdrijf is in de geschiedenis te laten graven en daar wat over te publiceren. Dat nieuws is immers al oud, dus dat doet geen kwaad. Wikipedia biedt trouwens veel meer materiaal dan een krant kan plaatsen, maar de gedrukte pers wordt met oude weetjes toch wat voller, naast de dagelijkse zure regen over ongelukken, moord en doodslag, rampen, schandaaltjes, verkiezingen en crises.

Wat moeten we, nu honderd jaar geleden, met een jaartal als 1916? De media doen er niet veel mee, terwijl in februari 1916 toch een van de smerigste materiaalslagen begon die de wereldgeschiedenis rijk is, die afgrijselijk gore slag om Verdun. Er is wel een beetje aandacht aan besteed, voorwaar, maar dat houdt vervolgens op, terwijl het sneuvelen niet ophield. De slachting rond Verdun duurde van februari tot december 1916. In een uitzichtloze impasse lieten aan beide kanten honderdduizenden soldaten in helse ellende het leven, onvoorstelbare maaaaaanden lang! Het moorden was zo apocalyptisch, dat het nieuws van vandaag er nog steeds heel wat plaats voor zou moeten inruimen. Maar dat gebeurt niet, net zo min als men dagelijks in de krant leest hoeveel tienduizenden mensen er gisteren wereldwijd van de honger crepeerden. Dat gaat elke dag zo door, maar de krantenlezer of televisiekijker met een voldaan gevulde maag gaat misschien over zijn nek van zulke onbeschrijfelijke misère. Het is echter vast leerzaam door harde waarheid misselijk gemaakt te worden. Dus ja, hoe onsmakelijk ging het er honderd jaar geleden in het inferno in Noord-Frankrijk aan toe?

sneuvelen in 1914-1918

Tijdens de frontale aanvallen werden tientallen soldaten per seconde als sitting ducks in een storm van vliegend lood doorzeefd. Velen werden ook direct door granaten getroffen. Hun lichamen spatten uiteen, zodat van deze jonge mensen niets anders dan kleine stukjes vlees en bot overbleef, uitgestrooid over het plotseling steeds roder wordende landschap van Noord-Frankrijk, waar oorlog woedde als nooit tevoren! De opengereten lijven, de losse armen, benen, rompen en hoofden, heel of half, bleven op het slagveld achter, overgelaten aan het ontbindingsproces. Het was te gevaarlijk al dat verbruikte mensenvlees te ruimen. Zo maakte niet alleen kruitdamp zich meester van het luchtrijk boven de loopgraven: de indringende stank van rottende lijken en lichaamsdelen was niet te harden. Daarover nog eens in geuren en kleuren berichten is echter geen goed nieuws. Een auto-ongelukje van gisteren op een of ander provinciaal kruispunt is en blijft bovendien van groter belang. Er schijnen zelfs mensen te bestaan die met intense belangstelling de nieuwsberichten volgen waaruit blijkt dat niet alles in het Nederlandse treinverkeer goed spoort.

Wie weet; heeft men gewoon te weinig respect voor al die in gruwelijke gevechten kapotgeschoten soldaten van het jaar 1916? Is het wellicht onnodig te blijven tonen hoe kwalijk oorlogen zijn? Kan dat te maken hebben met het feit dat aan al die verschrikkingen met name door het militair-industrieel complex miljarden en nog eens miljarden verdiend worden?

In elk geval is er ook te weinig respect voor de doden van nu, maar dit weblog is – excuses voor deze lange inleiding – geen platform voor filosofische bespiegelingen over nieuwsbrengers. Dit weblog beperkt zich tot details over het leven van Jean Gustave Schoup. Zo komt de vraag op: waar was hij in 1916? Welaan, als Belgische deserteur had hij het in Nederland zo slecht niet. Hij hoefde niet te verrekken in loopgraven aan het Belgische riviertje de IJzer en het bloedbad van Verdun was nóg verder van zijn brits. Jean Gustave verkeerde de eerste helft van 1916 in de beste veiligheid die te bedenken is, als gedetineerde te Rotterdam namelijk. Waaraan hij dat verdiend had? Dat komt in de boek over zijn bewogen levens aan de orde en hoeft dit weblog dus niet te onthullen. Maar in dit verband is het wel interessant te belichten dat de havenstad Rotterdam in 1914-1918 zich tot een centrum voor spionage ontwikkelde. Daarmee kreeg Schoup namelijk te maken.

Nederland was neutraal. Dat heeft spionage in de hand gewerkt, want zolang informatie vergarende types hun activiteiten niet in strijd met de Nederlandse wet ontplooiden en zolang dit evenmin onze nationale veiligheid in gevaar bracht, konden zij doen en laten wat zij wilden. Brave burgers van Duitse, Britse, Franse of Belgische nationaliteit konden gerust overal hun voelsprieten laten tintelen. Het hoorde (en hoort) bij de vrije nieuwsgaring hier en daar rond te neuzen, zoals iedere toerist dat doet en mag doen. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog verkenden ‘toeristen’ van het Duitse leger het terrein in België al. Zo banaal zijn de dingen. Spionage wordt als woord doorgaans al te spannend opgevat, maar het is veelal niet zo spectaculair als de avonturen van James Bond. Als passant een beetje om je heen turen of je als tekenaar of schilder strategisch posteren resulteert vaak al in meer dan genoeg informatie. Pas dus op voor bemande schildersezels! Daarmee is iets niet in den haak, eventueel… En voor je het weet bespioneert vervolgens dus iedereen elkaar, met als gevolg verbodsbepalingen op de meest simpele vreugden des levens.

1915_04_09_ 2_02 Tlgr.

In de provincie Zeeland liep het, zo vlak aan de Belgische grens en met zoveel scheepvaart, de spuigaten uit. Voor de Duitsers was het in de zuidelijke grensgebieden van Nederland overal knap enerverend. Ze vonden het zelfs bezwaarlijk dat er brieven vanuit Nederland naar België gesmokkeld werden. Het briefverkeer werd gecontroleerd, want Nederland was een gebied achter de Duitse stellingen. Van daaruit was allerlei onraad te verwachten! De Duitsers hielden scherp in de gaten wat in Nederland gebeurde. Het werd noodzaak de grens tussen Nederland en België ondoordringbaar te maken met een 332 kilometer lang hekwerk dat onder hoogspanning stond. Het werd al gauw de Dodendraad genoemd en in Duits jargon das Grenzhochspannungshindernis. Hinderlijk was deze versperring ongetwijfeld, maar niet echt effectief. Men kon in greppels of tunnels onder dat gevaarlijk hoge voltage doorkruipen, of er in fusten of kartonnen kokers zelfs dwars doorheen, zonder geëlektrocuteerd te worden. Dat was dan weer interessant voor de spion, die de Duitsers moest doorgeven waar (en hoe) er een lek in het mandje zat.

In Rotterdam bleef het interessant te weten welke Britse of Amerikaanse schepen in de haven aankwamen en met wat voor lading die bevracht waren. De spionnen in Rotterdam – laten we de vraag even in het midden of ze voor de Britten, de Duitsers of de Fransen werkten – werden voor hun activiteiten en rapportage uiteraard betaald. De meeste mensen doen zulk spiedend werk niet voor hun lol en zij die er pret in hebben, zullen toch ook moeten eten. Spionnen werden in Rotterdam niet alleen geworven: mensen zonder bron van inkomsten namen soms, ten einde raad, met Duitse of Britse of Amerikaanse of Franse autoriteiten contact op. Zij kregen vervolgens de simpele taak hier en daar hun ogen open te houden en moesten hun bevindingen doorgeven. Elk bericht kon geld opleveren en dus werd er ook wel eens iets verzonnen als er niets noemenswaardigs te vertellen was. De omstandigheden boden voer voor fantasten die tegen betaling een leuk verhaal konden opdissen. Dat duurde in zo’n geval uiteraard nooit lang, want op verzinsels kunnen geheime diensten niet bouwen. Praatjes vullen geen gaatjes, zegt men, en na al te veel nonsens verkocht te hebben, is de gewezen spion gewoon weer werkloos.

In Rotterdam werd gedoogd dat er spionnen in dienst van de buitenlandse mogendheden onderweg waren. De autoriteiten hielden een oogje in het zeil, maar op zich was er op buitenlandse gasten niets aan te merken zolang ze niets onwettigs deden. Een Fransman, Duitser of Engelsman kon in Rotterdam (en uiteraard ook in andere Nederlandse steden) gewoon circuleren. Overigens waren sommige van hen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog genaturaliseerd. Zulke nieuwe Nederlandse burgers liet men uiteraard ook hun gang gaan, of zij nu van het ene of van het andere walletje profijt trokken. Dat sommigen fors aan de oorlog verdienden, komt eveneens in Schoups biografie aan de orde. De lotgevallen van bankier Alfred Hethey zijn een voorbeeld van formaat. Deze man werd onbetamelijk rijk, vooral in de Eerste Wereldoorlog, maar het ging ook flink mis met hem, omdat de Duitsers die oorlog verloren.

Buitenlanders in Nederland genoten in 1914-1818 in elk geval over het algemeen de vrijheid die een neutraal land te bieden had. Nederland had met een oorlog die ergens ver ten zuiden woedde formeel niets te maken en dus kon een Duitser of Engelsman met evenveel genoegen vrijelijk in Den Haag flaneren als elke andere wereldburger. Alleen voor naar Nederland gevluchte Belgische, Duitse, Franse of Engelse deserteurs was dat anders. Die soldaten moesten in de interneringskampen het eind van de oorlog afwachten, maar velen van hen ontkwamen. J.G. Schoup was zo’n voortvarende vluchteling. Hij kwam vanuit kamp Harderwijk in Rotterdam terecht, waar opeens een internationale sfeer heerste.

De uitwassen hiervan zijn evident. De Nederlandse neutraliteit gaf op allerlei gebied gelegenheid internationale zaken te doen zoals dat in Rotterdam in die mate tot dan toe ongekend was. Daar waren ze nu, als nooit tevoren waren ze present, de Belgen en de Amerikanen, maar ook al die Duitsers, Britten en ook Fransen. Jean Gustave Schoup zat er middenin en besteedde in zijn boek In Vlaanderen heb ik gedood een hoofdstuk aan een Belgische spion met de naam Laudir die met een zender gegevens over schepen doorseinde aan de Duitsers. Rotterdam, als haven destijds veel kleiner dan de haven van Antwerpen, werd een internationale hutspot van zakelijke en militaire belangen, gekookt in een politiek vaarwater heet gestookt op het vuur van de Eerste Wereldoorlog. Zo werd Rotterdam een hotspot voor spionage.

1916_05_05_1_05 Tlgr.

Ondanks het fatale bombardement van mei 1940 staat daar nog steeds een markant oud gebouw. Toen het Witte Huis in 1889 opgeleverd werd, was het met haar 43 meter en 11 verdiepingen het hoogste optrekje in Europa, mits we de Eiffeltoren even over het hoofd zien. Dat mag trouwens, want die ijzeren piek in Parijs is geen kantoorpand. Het Witte Huis was voor de Maasstad van begin af aan een fraaie aanwinst die net als de Laurenskerk de bijna volledige verwoesting in de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog doorstond. De twee kolossen torenden hoog boven de rest van het Rotterdamse centrum uit, voorheen al, maar nog veel duidelijker na het bombardement, toen al het puin geruimd was. De Rotterdammers zijn op hun manier trots op de schaarse overblijfselen, zoals dat Witte Huis. Maar niet iedereen weet, dat het Keizerlijke Duitse consulaat tijdens de Eerste Wereldoorlog in dat pand gevestigd was. Vanuit deze toren werd in 1914-1918 de Duitse spionage geleid. Hoe kan het ook anders, het gebouw bood de beste mogelijkheden voor goede ontvangst van radiogolven. Bovendien vestigt een consulaat van een of andere staat zich doorgaans niet in een kelder.

Rotterdam 1940

Het is niet zeker, maar zeker denkbaar dat Schoup op een zomerdag in 1916 bij het Witte Huis aanklopte. Nadat hij bestraft was en daarom niet weer bij de Commission for Relief in Belgium kon werken, werd hij één van de arme drommels die in Rotterdam wat centen verdiende met spionage. Hij was de enige niet: het volgende weblog zal daar op 1 juli 2016 over gaan.

Over die datum volgt tot slot nu al wat oud nieuws. Laten we het over het Nederlandse weer van die dag hebben, en over heftige kogelregens, elders. De temperatuur lag op 1 juli 1916 in Nederland tussen 10,0 °C en 20,6 °C en was gemiddeld 15,9 °C. Er was 11,8 uur zonneschijn (71%). De gemiddelde windsnelheid was matig en kwam overheersend uit het zuid-zuid-westen. Er was, kortom, geen vuiltje aan de lucht. Zo’n tweehonderd kilometer ten zuiden van dit tolerabele klimaat begon op 1 juli 1916 de meer dan absurde slag aan de Somme. Vroeg opstaan jongens, dit wordt een fijne dag! Om 7:30 werd het sein gefloten om tot de aanval tegen de Duitse stellingen over te gaan. Voor meer dan 19.000 Britten was deze ene dag ook hun laatste. Maar de slag aan de Somme zou nog tot 18 november 1916 duren. Er sneuvelden in totaal meer soldaten dan Amsterdam, de grootste stad van Nederland, tegenwoordig inwoners heeft. Meer dan een miljoen arme zielen legden in maar een kwart jaar tijdens deze volstrekt zinloze slachting aan de Somme het loodje.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties

Weer één en dezelfde? Nóg een vergelijkend warenonderzoek!

Tags

, , , , , ,

In het vorige weblog kwam de ontdekking van een fotoserie uit 1916 aan de orde, een serie van drie foto’s waarop Jean Gustave Schoup te zien is. Dat is 100% zeker en bleek een dankbaar uitgangspunt voor nader onderzoek.

J.G. Schoup 1916 + 1927 b - © 2015 J.J. Wielaert

Op de derde foto van de triptiek (zie dat ‘drieluik’ in het vorige weblog van oktober 2015) zien we J.G. Schoup zoals hij en publique door het leven ging. Meneer liep toen over straat met een hoed op het hoofd, een puntig uitlopende gleufhoed. Verder weten we dat hij lang en stevig van postuur was en ook dat hij een snor droeg, maar zeker geen baard. We gaan kijken of we op een groepsfoto van de Rotterdamse Commission for Relief in Belgium een man kunnen ontwaren met een op deze gegevens passend uiterlijk.

De bewuste foto is niet exact gedateerd, maar de groep medewerkers is vrij groot. Daarom is de foto vast niet in de eerste dagen of oprichtingsweken van de Commission for Relief in Belgium genomen. Het is zelfs wel zeker dat deze foto niet eerder dan maart of april 1915 geschoten werd.

Alleen aan de kledij is al te zien dat dit gezelschap zich niet midden in de winter van 1914-1915 liet fotograferen, maar later. Het gaat om een kiekje genomen in de lente of in de (voor)zomer van 1915. We zien dat onder meer aan de heren die een luchtige, gevlochten en dus prettig ventilerende hoofdbedekking bij zich hebben die bij mooi weer gedragen werd. Zich modern voelende Amerikanen droegen destijds deze typische zomerhoed. Klik op de groepsfoto voor een uitvergroting.

CRB Rotterdam © 2016, J.J. Wielaert (kl)

Aan de slagschaduw op de gezichten van het gezelschap is te zien dat de foto midden op de dag genomen moet zijn, toen de zon hoog aan de Rotterdamse hemel stond. Met uitzondering van maar één dame heeft iedere op de foto voorkomende vrouw haar hoed op. De schaduw die daaronder valt, is een indicatie voor het uur van de dag. Bovendien, onder vele neuzen, zelfs bij de vrouwen, lijkt vanwege het pal van boven komende daglicht een Hitler-snor te groeien. Uiteraard is dat effect afhankelijk van de grootte van de neus en aldus een grappig aan het neerstralende licht te wijten gevolg. We zien verder dat een aantal heren geen snor droeg, niet eens een kleintje, al lijkt dat door de slagschaduw van de op die dag schijnende zon toch een beetje zo te zijn.

Bekijk de groepsfoto nu nog eens. Op de voorste rij zitten alleen mannen. Zij zullen de voornaamste functies bij de Rotterdamse CRB vervuld hebben. Het valt op dat het gros van hen witte schotelhoeden met zwarte of gekleurde band op schoot of in de hand houdt. Zo’n hoofddeksel ligt ook schuin op de grond. De strohoeden die de vooraan zittende heren bij zich hebben, zijn van het type straw boater. Deze hoed was destijds in de Verenigde Staten in de mode, zoals de onderstaande in New York geschoten foto uit 1912 duidelijk toont.

1912 - New York, straw boaters

Dit zegt wat de foto uit Rotterdam betreft op zich ook iets: op de eerste rij van Commission for Relief in Belgium zitten voornamelijk Amerikanen, al is dat alleen uit de toenmalige hoedenmode niet helemaal zeker te concluderen. Op die eerste rij zitten in elk geval maar twee mannen met een gleufhoed op schoot. Eén van hen heeft echter geen snor en de andere draagt een snor en een baard. Deze twee voldoen dus niet aan het gezochte signalement.

Verder nog iemand met een gleufhoed bij al deze mensen? Waar is onze hoofdpersoon met gleufhoed, met knevel, met slagschaduw van het zonlicht onder zijn haakneus, maar zonder baard? En lijkt hij op de foto’s van Jean Gustave Schoup uit die jaren, die toen 100% zeker een gleufhoed droeg?

Wie van zoekplaatjes houdt, heeft hem snel gevonden. Waarschijnlijk is de man die we zoeken de lange, stevige gestalte die uiterst rechts op de bovenste rij van de groepsfoto staat. Een uitvergroting van dat stukje van de foto levert een beeld op dat te onscherp is om er alles mee te kunnen bewijzen. Maar vergelijken we deze figuur op het oog met de man op de driedelige fotoserie uit het weblog van 1 oktober, dan is het toch denkbaar, zo niet welhaast zeker, dat het om Jean Gustave Schoup gaat.

2x Schoup © 2016, J.J. Wielaert

Klik op de collage voor een uitvergroting. We bekijken de man met gleufhoed zoals we hem op de foto van de Rotterdamse Commission for Relief in Belgium aantreffen. Daaroverheen zijn gedeeltes gelegd van de foto’s van Schoup zoals hij in die jaren werd afgelicht. De foto links is een uitsnede van de originele groepsfoto. Over de tweede prent is een selectie van Schoups portretfoto gelegd, zoals die selectie daarnaast te zien is. Over derde afbeelding ligt de helft van zijn portretfoto uit 1916.

Is hij het, of is hij het niet? Het lijkt erop, maar opgepast: dat is niet voor de volle 100% zeker, omdat er bij de groepsfoto geen namen zitten. Wie is dus onze kandidaat op deze groepsfoto? Het oordeel is aan allen die geïnteresseerd zijn in de bewogen levens van Jean Gustave Schoup!

Met deze kopzorgen in het achterhoofd wenst de sitebeheerder zijn lezers een voorspoedig, levendig en gelukkig 2016. Het hoort immers bij de jaarwisseling een optimistische kijk te houden op wat komen gaat. Honderd jaar geleden, midden in de afgrijselijke Eerste Wereldoorlog, bestond ver van het front voor menigeen ook een fleurig toekomstperspectief, stralend van geloof, hoop en liefde!

1915-1916 gelukkig © 2016, J.J. Wielaert (kl)

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Twee shots van één en dezelfde : een vergelijkend warenonderzoek!

Tags

, , , ,

J.G. Schoup 1916 + 1927 b - © 2015 J.J. Wielaert

Al bijna een jaar geleden, eind oktober van het afgelopen jaar, twee maanden na de publicatie van het boek over de bewogen levens van J.G. Schoup, viel mijn oog op een drietal foto’s van een man die uit de kampen voor Belgische soldaten was ontvlucht. De drie beeltenissen troffen mij als een bliksemflits bij heldere hemel. Ik kende dit gezicht. Ik had de vermoeide, ietwat droefgeestige ogen al op latere foto’s gezien en mij keek op dat moment dezelfde melancholieke blik aan die ik tevens van een maar enkele jaren oudere foto kende. Maar vooral viel mij het profiel van de neus op en überhaupt de gelaatstrekken gezien van opzij. De contouren van dit gezicht stonden op mijn netvlies gegrift, omdat ik een soortgelijke driedelige fotoreeks kende die elf jaar later van deze persoon werd gemaakt.

Maar liefst elf jaar verschil! In zo’n lange periode verandert de menselijke fysionomie vaak wezenlijk. Ook in dit geval zou vrijwel niemand die de foto’s vergelijkt op het eerste gezicht zeggen dat dit één en dezelfde persoon was. Maar de vorm van de neus, de oogafstand, de inclinatie van het voorhoofd, van verticaal tot schuin naar achteren, de hoogte van de oren ten opzichte van de ooglijn, de kinpartij en nog vele andere kenmerken veranderen niet. Het gezicht kan in de loop van de jaren dikker geworden zijn en het haar dunner. Een snor, sik of baard kan intussen afgeschoren of erbij genomen zijn. Maar het hoofdprofiel blijft hetzelfde, net als bijvoorbeeld de vorm van de oren en de plek waar die oren aan het hoofd zitten. Dat komt allemaal omdat de schedel, die het gelaatsvlees draagt, niet verandert. Omdat het gehoororgaan tot in de schedel zit, verandert bijvoorbeeld vanaf de zijkant gezien de afstand van de oren tot het puntje van de neus niet. Oren worden bovendien doorgaans niet veel dikker en behouden hun specifieke en unieke persoonsgebonden vorm.

Het profiel van de haakneus en de rechte lijn die deze neus met het voorhoofd maakte, was het meest frappante aspect van herkenning dat mij op het spoor van de identiteit van deze Belgische soldaat bracht. Hiervoor is een scherpe opmerkingsgave nodig, gegrond op aangeboren of aangeleerde visuele capa­citeiten, het in een flits kunnen herkennen van vormen op grond van een zekere mate van fotografisch geheugen. Men mag dat beroepsdeformatie noemen, maar dat was het in dit geval niet. Ik heb altijd een goed geheugen voor gelaatstrekken gehad. Op grond daarvan herkende ik deze man. Maar was hij het wel? Vergeleken met de andere foto’s die ik kende, waren de kenmerken optisch wezenlijk anders, dan toch… Kon wat ik gevoelsmatig zeker dacht te weten ook met mathematische zekerheid worden vastgesteld?

Even overwoog ik de twee verschillende fotoreeksen door criminologen te laten vergelijken. De politie staat voor dit soort akkefietjes moderne software ter beschikking. Maar dergelijke hulp was niet nodig. Iedereen die het wil kan hiervoor thuis met Photoshop Elements aan de slag, bijvoorbeeld. Dat programma verricht vergelijkende gelaatsherkenning vrijwel automatisch. Handmatig kan het ook met oude versies van Photoshop gedaan worden. Mij stonden twee mugshots ter beschikking en dan is de rest eigenlijk een eitje.

Let op! Stap 1: men neme de zijdelings genomen foto van één mugshot en brenge die op het formaat van de andere, zodat een oor bijvoorbeeld op beide foto’s precies even groot is. Stap 2: aangezien de gefotografeerde persoon zijn hoofd op de twee afzonderlijke fotosessies niet exact even “loodrecht” tegen het neksteuntje hield, moet één van de zijdelings genomen foto’s nog even ietsje gedraaid worden, een paar graden maar. Stap 3: daarna klopt formaat en inclinatie en kunnen selecties van de ene foto over de andere foto heen gelegd worden. Kloppen dan de contouren van de gelaatstrekken met elkaar, klopt dan de afstand van neus tot kin en de afstand van oorlel tot neuspunt, klopt dan de inclinatie van het voorhoofd precies met die van de neus, en is die neus ook precies dezelfde, komt ook de vorm van de oren op beide foto’s overeen en zit het oor ten opzichte van het oog op precies de goede plaats, dan weet je het wel: dit is één en dezelfde persoon, met in dit geval elf jaar verschil in tijd.

J.G. Schoup 1916 + 1927 - © 2015 J.J. Wielaert

Dit is Jean Gustave Schoup. In grijs is hij te zien zoals hij er in de Eerste Wereldoorlog als 23-jarige uitzag op het moment dat hij werd gefotografeerd. In bruin zijn daaroverheen selecties gelegd van hoe hij er als dertiger uitzag toen hij zich nog eens moest laten aflichten. In tif-formaat kunnen de bruine layers met Photoshop naar wens geleidelijk over de grijze foto geschoven worden. En steeds weer past alles precies! Alleen de haardracht is anders en hij was elf jaar later iets gezetter. Klik op de afbeelding voor een vergroting.

Over de elf jaar eerder genomen grijs getinte portrettriptiek valt tot slot nog wat te verhalen, iets dat overigens ook in het boek over Schoups leven staat. “Baard” stond honderd jaar geleden voorgedrukt in de zware registerbanden van gevangenissen. Dat betekent uiteraard niet dat iedere gedetineerde een baard droeg. Met “Baard” werd de haardracht onder de neus bedoeld. J.G. Schoup droeg destijds een knevel, een flinke puntige snor, maar meer niet, zeker geen baard.

De ontdekking van deze vroege foto’s kwam te laat om ze nog in de eerste editie van de biografische studie over Schoup te kunnen plaatsen. Maar niettemin: zie voor de complete vergeelde mugshot uit 1927 pagina 105 van dat boekwerk.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Afschuwelijk of niet : Geldhonger bestaat!

Tags

, , , , , , , , , ,

De berichten over de bewogen levens van Jean Gustave Schoup zijn even verstomd. “Waar waren we ook alweer gebleven?”, zou auteur en televisiemaker Geert Mak zeggen.

In Harderwijk waren we, januari 1915, waar Schoup voor de tweede keer in het Interneringskamp voor Belgische militairen terechtkwam. Hij heeft er wat tijd gesleten, al weten we niet precies hoeveel tijd en wat hij ermee deed. Zou hij misschien meegedaan hebben aan een “Internationale kaatspartij” die in januari in het kamp werd gehouden? De ‘Leeuwarder Courant’ van 27 januari 1915 maakte daar gewag van. J.G. Schoup was toen sinds twee weken weer in het kamp geïnterneerd.

1915_01_27_01 (Leeuwarder Courant - kaatswedstrijd kamp Harderwijk)

Dat kaatsen tussen Friezen en Belgen was bijzonder internationaal, maar was Schoup een kundig kaatser? Wie het weet, mag het zeggen. Een aardige rolschaatser was hij wellicht. Hij ging graag aan de rol, soms misschien wel eens op schuine schaats. Een politierapport uit de Eerste Wereldoorlog meent dat hij zich in Rotterdam vaak in de Skating Rink ophield. Dat fenomeen, niets meer of minder dan een rolschaatsbaan, was uit Engeland over komen waaien. De Anglo Dutch Roller Skating Rink Co. van directeur William S. Hitchen opende in 1911 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, entrée 25 cent! In dit pand werd tot 1909 gedanst. Toen de vergunning daarvoor werd ingetrokken (…!), ging de multifunctionele hal aan de Schiedamsche Singel onder meer als rolschaatsbaan dienst doen. In het gebouw streken ook circussen neer en er was variététheater te genieten. De mensen hadden er kortom plezier dat het een lieve lust was, zolang het duurde. Op 11 juli 1936 brandde het gebouw tot de grond toe af.

In haar boek Sport in ’t Stad – Antwerpen 1830-1914 besteedt Marijke den Hollander (blz. 173-179) heel wat aandacht aan de populariteit van Skating Rinks. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwamen ze in zwang. Daarna zakte dat wat in, maar “na de eeuwwisseling begon het rolschaatsen vanuit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan een nieuwe opmars”. De nieuwe rage resulteerde in Antwerpen vanaf 1909 in de oprichting van wel vier prachtige nieuwe zalen. Er werd niet professioneel sport bedreven, welnee. Het waren in eerste instantie mondaine uitgaansgelegenheden voor de Antwerpse elite. Men sloot zich aan omwille van het societyleven. Belangrijk verklarend element voor de populariteit was dat de dames bij het rolschaatsen “ongerept hun vrouwelijke elegantie konden bewaren. In hun lange witte rokken, pofmouwen en zonnehoeden deden ze de heersende opvattingen op dit vlak geen geweld aan”, aldus Den Hollander (blz. 348). In de pracht en praal van de rolschaatspaleizen werd krachtig geld geïnvesteerd. Het waren (blz. 372) commerciële ondernemingen “die inspeelden op een grote vraag naar mondaine recreatiemogelijkheden”. Het ging om “ontmoetingsplaatsen waar men kwam om te zien en gezien te worden” en dat speelde zich af in “indrukwekkende constructies met luxueus ingerichte zalen” . Men rolschaatste onder begeleiding van een orkestje en één van die etablissementen, de Skating du Cercle, gaf als extra attractie zelfs filmvoorstellingen en had een band met de theaterwereld. In Antwerpen zal Schoup dit moderne amusement van dichtbij meegemaakt hebben tot hij in 1913 twintig werd en in het leger moest. Waarom dus niet weer naar zo’n leuke rolschaatsbaan getogen, als je eenmaal in Rotterdam bent beland?

Die Skating Rink zou destijds volgens de politie – het gaat hier even over de jaren 1914-1915 – een verzamelplaats van meisjes van “verdachte zeden” geweest zijn, met wie Schoup als geregeld bezoeker zou zijn omgegaan. Wat dat toentertijd wou zeggen, ligt voor de hand. In een mondaine sfeer waarbij ook ongetrouwde jonge dames en heren gezelligheid en vermaak zochten, kon je wel feestelijk van samen dansen of samen rolschaatsen houden, maar vanwege de in Holland heersende calvinistische moraal kon al die ongedwongen zwier (vooral wat de vrouwen betreft natuurlijk) met gemak als onzedelijk gezien worden. Waarom anders was de dansvergunning in 1909 ingetrokken!? Wat verder van geruchten waar is, blijft doorgaans onbekend en het maakt ook niets uit. Als kloeke kerel van amper 21 jaar, eenzaam en alleen in Rotterdam, had Schoup behoefte aan gezelschap. En het is op zich niet helemaal onbekend dat het libido van een jongeman belangstelling voor het andere geslacht kan ontwikkelen. De Rotterdamse politie werd vriendelijk verzocht een vage roddel over Schoup na te trekken, maar kon bitter weinig met zekerheid vaststellen. De details zijn te plat om er woorden aan vuil te maken en het schijnt wel zeker dat de politie aan die kwalijke achterklap niet eens duidelijk inhoud kon geven. Dus wie zonder zonden is, werpe de eerste steen, maar geen zinnig mens zou dat doen. Schoups contact met vrouwen destijds komt in de biografie dan ook alleen, zonder de roddel, aan de orde in verband met een heel andere kwestie.

Geldhonger misschien? Ja, daar had het wel iets mee te maken. Maar eerst zat hij vanaf januari 1915 voor de tweede keer in het Belgenkamp bij Harderwijk. Daar waren geen meisjes, noch was er geld te maken. Het moet, zeker in het eerste jaar dat het kamp bestond, bij uitstek een oord geweest zijn om je perfect te pletter te vervelen. Er was nog geen bibliotheek, geen kamptoneel, geen school, geen wielerbaan, niet eens een patatkraam. De uren vormden dagen, de dagen gingen over in weken en de weken werden maanden, boordevol gevuld met verveling. Tijd genoeg om met weemoed aan bekoorlijkheden op de Skating Rink te denken! En tijd te over voor een langdurig niets.

1911_01_13_2_12 (Nrc

Tijd dus ook voor ons om Schoup even te laten rusten en af te zwenken van het pad zijner lotgevallen die honderd jaar geleden plaatsvonden. Tachtig jaar geleden is net zo goed! Er is bijvoorbeeld meer over Schoups laatste roman te vermelden, Geldhonger, verschenen in maart 1935. In het weblog van 18 en 20 september 2014 is al kort de inhoud van dit boekwerkje weergegeven.

Het werd niet best ontvangen. Lees maar wat ‘De Tijd’ er op 12 november 1935 over kwijt wou in een slopende recensie. “Veel aandacht besteden aan dit in een afschuwelijken omslag uitgegeven en van taalfouten wemelend boek zou tijdverspilling zijn. De heer Schoup heeft te hoog gemikt, zijn sprong is niet gelukt”. Goed, als het dan tijdverspilling was, waarom dan toch die aandacht? Zonder pardon en zonder ook maar iets ten positieve op te merken, hamerde de hele bespreking op wrange toon verder. Meedogenloos werd Schoups nieuwe roman tot pulp gewreven. “Van de financieele wereld en wat daar zoal omgaat, weet de auteur een en ander”, zette ‘De Tijd’ schamper door en “ook blijkt hij niet onkundig van het interieur van gevangenissen – deze bladzijden zijn wellicht nog de leerzaamste – maar van goeden stijl weet hij zoo weinig, dat het boek, uiterlijk al onaantrekkelijk, bijna een ergernis wordt”.

De recensie is zo moordend, dat het aan het onbetamelijke grenst. Het luidde zo negatief, zo gemeen ook, dat je je kunt afvragen of de recensent op kwade dag met zijn verkeerde been uit bed stapte alvorens zijn krenkende, met giftige grieven gevulde pen leeg te laten stromen. Schoups Geldhonger was geen meesterwerk, zeker niet, maar een kritiek mag er wel iets van heel laten. Helaas, de recensent van ‘De Tijd’ hield niet op. Hij moest en zou nog op de inhoud vitten, vond het boek “ongenietelijk door de ellenbreed uitgemeten theorieën over de maatschappijleer, waarbij de heer Schoup aan den uiterst linkschen kant blijkt te staan. Het verhaal zelf heeft niet zoo bar veel om het lijf. Een accountant maakt een tijd van opgang mee, raakt dan buiten zijn schuld natuurlijk, maar verleid door een van die kapitalistische vampieren in de strikken verward. Hij moet een paar maanden opknappen en het eind van het liedje is, dat hij zijn vrouw verlaat en “in een groot, nieuw geluk” een ander leven gaat beginnen – met een andere vrouw natuurlijk. Anders was de aardigheid van dit heelemaal niet aardige boek er te gauw af. Voor ons was dit al bij de tweede bladzijde het geval”.

Een helemaal niet aardige recensie, een aanslag was het en een publiekelijk vonnis dat tot vernietiging van het boek strekte. De almacht van de Lieve Heer werd er immers in aangevallen. De band met Jetty, de nieuwe liefde van hoofdpersoon Dycke, “is niet bekrachtigd door wet of kerk” en dat ongetrouwd samenleven was natuurlijk uit den boze! ‘De Tijd’, het dagblad van katholiek Nederland, moest niets van al dit vrijzinnige socialistische geneuzel hebben. Maar net zo kritisch, zij het bedaard, zachter en minder diep bijtend, was de toonaard van neutralere artikeltjes over Geldhonger. Wát een bittere teleurstelling door de mangel gehaald te worden… Het heeft Schoup vermoedelijk doen besluiten geen eigen romans meer te schrijven.

Zelfs na tien jaar onderzoek bleef onbekend hoe die “afschuwelijken omslag” er in zijn geheel uitzag. Geldhonger is op twee locaties te bestuderen, in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht en in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het Utrechtse exemplaar conserveert niets meer van het in rood, wit en zwart geïllustreerde kaft. In Brussel is de voorplaat er nog. Maar dat was het dan ook. Twee exemplaren zijn er nog, met misschien ergens nog een exemplaar in een doos bij de kringloopwinkel, of op de planken van een stoffige privébibliotheek. Zoek eens op zolder, maar weet van tevoren; het boek is eigenlijk verleden tijd. Hieruit mag wellicht geconcludeerd worden dat de oplage (nota bene midden in de crisisjaren!) klein was en dat Geldhonger in de afgelopen tachtig jaren voornamelijk is weggegooid. De grote verdwijning blijft niettemin merkwaardig. Zelfs de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) weet niet te vermelden dat Schoup naast zijn grote succes In Vlaanderen heb ik gedood (1932) en naast zijn goed ontvangen Een Vrek (1933) en Blanke Boeien (1934) in 1935 een vierde roman publiceerde.

Niet alleen inhoudelijk, maar ook uiterlijk was Geldhonger kennelijk lelijk. Dus ja, wat wil je, weg met dat ding, zoals ‘De Tijd’ het suggereerde. Hoe erg was het grafisch ontwerp van de omslag dan wel? Dat bleef intrigeren, totdat een exemplaar van dit vermaledijde boek opdook, compleet met stofkaft. Over smaak valt niet te twisten, zegt men. De lezer moet het zelf maar beslissen. Bekijk de wikkel van Geldhonger. Afschuwelijk of niet?

Geldhonger © J.J. Wielaert

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Belgenkamp revisited : van Rotterdam via (…) terug naar Harderwijk!

Tags

, , , , , , ,

Dankzij Hoovers en Francqui’s hulpcomités ging het met de voedselvoorziening van de Belgen vooruit. Maar hoe stond het begin 1915 met de in Harderwijk geïnterneerde Belgische soldaten? Konden zij binnen de omheiningen hun behoefte al wat humaner doen dan in een diep in de grond gegraven gat, een open beerput zeg maar, of kwam de ontlasting ook nog wel vrijelijk ergens in een beschut hoekje op de heide terecht? Werden de arme zielen nog bevangen door vlektyfus? Konden ze zich al eens wassen of zouden ze ook de volgende maanden een uur in de wind stinken? Sliepen ze nog als beesten op stro in een tochtig tentenkamp? Kregen ze genoeg te eten en verrekten ze niet steeds meer van de kou? Ja en nee…

Kamp Harderwijk © JJ. Wielaert

In het Interneringsdepot Harderwijk was in februari 1915 de situatie enorm veranderd in vergelijking met de onhoudbare omstandigheden die er eerst heersten. Jawel, het had even geduurd, maar in dat barre oord begonnen de mensonwaardige toestanden van oktober-november 1914 door de bouw van een groot aantal barakken allengs te verbeteren! Vergeet niet dat de Nederlandse autoriteiten daar eerst niet toe hadden besloten, omdat het Duitse offensief in Frankrijk leek te gaan slagen en de oorlog dus snel voorbij kon zijn. Dat was een misrekening, maar het speelde mee in het besluit de opzet van het Harderwijkse opvangkamp voor Belgische militairen provisorisch te laten zijn. Veel goedkoper immers ook! Maar nee, toch niet, tenminste niet voor de Belgen, want niets zou gratis blijven. Na de oorlog kreeg België de rekening gepresenteerd.

Zeker; eerst moest Nederland een en ander bekostigen. Datzelfde Nederland was er niet op voorbereid honderdduizenden Belgische vluchtelingen onderdak te geven. Was het duidelijk hoeveel er zouden blijven? Nee, ook al niet, dus bleef het aanvankelijk bij noodoplossingen en werd er niet meteen voor de Belgen gebouwd. Dat leek het beste, want zou dat gedonder daar in Noord-Frankrijk niet gauw afgelopen zijn? Even leek het erop, maar niemand wist het. En dus werd er in kamp Harderwijk in het begin niet veel geïnvesteerd.

Nederland kon Belgische burgers wel met zachte drang afschuiven. Het gros van de burgervluchtelingen ging sowieso uit vrije wil naar eigen land terug toen het ergste voorbij was. Maar de gevluchte soldaten moesten blijven. Belgische militairen mochten vanuit het neutrale Nederland nergens anders belanden en dat had gevolgen voor wat men huisvesting noemt. Er moest vanaf november 1914 dringend iets gebeuren. Na de Duitse nederlaag in de Eerste Slag bij de Marne (5 tot 12 september 1914) kwam het bliksemoffensief tot stilstand. De Teutoonse invasie stagneerde en de oorlogvoerenden begonnen zich aan beide kanten in te graven. Het werd duidelijk dat een snelle overwinning in 1914 niet meer haalbaar zou zijn. En dus, jawel, nu zat Nederland met een niet geringe complicatie, te meer daar de winter zich aankondigde. De problemen op humanitair vlak hoopten zich op, zodat dan toch besloten werd dat voor de Belgische militaire vluchtelingen, die de status van krijgsgevangenen hadden, een geconcentreerd kampement van node was.

Van het Interneringsdepot Harderwijk maakten drie Belgen later een maquette. Het complex lijkt optisch op de beelden die dertig jaar later van luchtopnames van concentratiekamp Auschwitz-Birkenau bekend werden. Dat Duitse vernietigingskamp was meer dan vijf keer zo groot, maar toch toont de maquette (zie boven) hoe uitgestrekt het kamp bij Harderwijk met zijn 32 hectare was. Laten we een essentieel verschil echter niet uitvlakken. In Auschwitz werden mensen vier jaar lang de dood in gedreven. In Harderwijk werden mensen vier jaar lang verzorgd.

Kamp in opbouw © JJ. Wielaert

De Belgische soldaten moesten bij de bouw van hun barakken ook zelf de handen uit de mouwen steken. Dat deden ze niet allemaal vrijwillig, maar ja, ze zagen zelf in dat de ellende langer zou duren dan gedacht en dat ze er het beste van moesten maken. Nog jaren lang lazen ze in Harderwijk over hun collega’s die in het uiterste puntje van West-Vlaanderen met de geallieerden heldhaftig standhielden tegen de Duitsers en daarbij sneuvelden. Daar mochten de Belgische soldaten die in Nederland vastzaten niet aan deelnemen.

Het eerste wat ze in Harderwijk wel mochten doen, was lijdzaam lijden en vervolgens lustig timmeren. Het resultaat mocht er wezen. Er was plotseling heel wat nodig en het ging uiteraard niet alleen maar om slaapplaatsen. Toereikende wasruimte moest er komen, latrines evenzeer, kantines en een ziekenboeg. Het nodigste werd het eerst gebouwd en Interneringsdepot Harderwijk werd daarna, van 1915 tot 1917, steeds verder vervolmaakt. Zeker, het verging de Belgische soldaten door deze maatregelen gauw beter. Maar toch is het niet anders mogelijk dan ook negatief over de verbeteringen te berichten.

De accommodatie was met 250 man per slaapbarak overbevolkt. Van privacy was geen sprake en er was geen verwarming. Dit maakte vooral de winters voor de soldaten alles behalve gerieflijk. Overdag moesten ze zich opwarmen in de kantines. ’s Nachts warmden de uiterst nauw bemeten logies dankzij de lichaamstemperatuur van 250 man wat op, maar daardoor kon het gebeuren dat aangevroren ijs ontdooide en op de slapers neerviel. Het is guur en winderig koud in Nederland en daar bleek niets aan te doen. Buiten de barakken was het begin 1915 verre van aangenaam. Pas later kon in het Belgenkamp Harderwijk iets aan het egaliseren van de tussen de behuizing liggende paden gedaan worden en aan wat riolering. In de eerste winter was kamp Harderwijk nog steeds maar een miezerig houten dorp waar ca. 12.000 tijdelijke bewoners door de modder moesten banjeren.

Kampstraat 1915 © JJ. Wielaert

Er was dus verbetering gekomen, jawel, maar was het genoeg? Nee, bij lange na niet. Dat was ook niet te verwachten. Zoals het bij de stichting en opbouw van ieder dorp gaat, laat het begin veel te wensen over. Er is niet meteen een bibliotheek of een voorziening voor vrijetijdsbesteding of scholing. Bij een merkwaardig garnizoen als het Belgenkamp op de heide ten zuiden van Harderwijk was dat niet anders. Stap voor stap en al naar gelang de behoeften die zich kenbaar maakten, werd het kamp geperfectioneerd en uitgebreid. Uiteindelijk zouden de burgers van Harderwijk nog profiteren van het Belgische toneelgezelschap dat in het nabijgelegen kamp voor vertier zorgde. Maar daar kon men in februari 1915 slechts van dromen. Eind januari 1915 berichtten de kranten over de “nieuwe kazerne” in Harderwijk, het kamp waarin uit alle windrichtingen Belgische militairen geconcentreerd werden. Het gros van de onderkomens was in slechts twee maanden uit de grond gestampt en dat zal, midden in de winter, geen lolletje geweest zijn.

Een goede vraag is wellicht: timmerde Schoup ook mee? Dat is misschien ook wel een vreemde vraag, want hij deed toch in Rotterdam zijn best voor de voedselhulp aan België? Welnu, er bestaat een aanwijzing dat hij vóór de jaarwisseling 1914-1915 in het zuiden van Nederland werd gearresteerd. En als het waar is dat hij Rotterdam inderdaad even verliet; wat voerde Jean Gustave dan op die bewuste decemberdag in zijn schild?

Men kan ernaar gissen, meer niet. Misschien heeft hij tegen het eind van 1914 gedacht Oud en Nieuw in Antwerpen bij zijn ouders te kunnen vieren? Misschien woonde daar wel een mooie Julia op wie hij verliefd was? Misschien… we zullen het nooit te weten komen! Maar als het een vermetel plan van hem geweest is een poging te wagen de grens naar België te overschrijden, dan mislukte dat danig. Hij mocht zo’n poging niet wagen. Schoup had weliswaar een officiële vergunning voor de business van Amerikaanse graanleveranciers in Rotterdam te werken, maar dat hield geen toestemming in op eigen houtje elders in Nederland te gaan flierefluiten. Dát was vanwege zijn status als Belgische krijgsgevangene in een neutraal land meteen een ontduiking van de regels. Dát kan dan ook negatieve gevolgen gehad hebben voor de uitzonderlijke vrijheid die hij als kantoorbediende van de Commission for Relief in Belgium genoot.

Het staat vast dat Schoup op 14 januari 1915 in Interneringsdepot Harderwijk werd geregistreerd. Zie voor een kleurenreproductie van die registratie de appendix achter in de biografie. Hij was (hoe en waarom dan ook) kennelijk over een schreef gegaan, maar misschien werd hij wel om gewone redenen van zijn taak bij de Commission for Relief ontheven.* Hoe het ook zij; in elk geval kwam hij voor de tweede keer in het kamp te terecht, waar overigens op 15 maart 1915 de laatste slaapbarak gereed zou komen.

Slaapbarak © JJ. Wielaert

* Onder welke omstandigheden J.G. Schoup misschien al in december 1914 zijn bevoorrechte betrekking in Rotterdam verloor, is niets met zekerheid te zeggen. Daar het om niet meer dan een vage indicatie gaat die niet te verifiëren was, is dit gegeven niet in de biografie opgenomen. Overigens bevat dit weblog vooral details die evenmin in het boek zijn opgenomen, omdat met al die zijpaden het panorama over Schoups avontuurlijke levens te wijdlopig zou zijn geworden.

De illustraties komen uit: Vluchten voor de Groote Oorlog (De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1988) en uit Gehalveerde mensen (BDU, Barneveld, 2004)

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Met de beste wensen ; in oud nieuws op zoek naar een gelukkig 1915

Tags

, , , , , ,

Bonne Année © J.J. Wielaert

Bij jaarwisselingen maken de mensen graag hun beste wensen kenbaar. Ieder voor zich is daarbij geneigd als de Romeinse god Janus zowel terug als vooruit te blikken, uiteraard in de hoop op betere tijden. Maar of het nu 31 december of 1 januari is; de wereld draait ook dan even snel door ramp- en voorspoed. Met de Januskop die op de drempel tussen Oud en Nieuw zowel recapituleert als naar de toekomst uitziet, ligt het voor de hand nuchter te bezien hoe het op alle andere dagen van het jaar met het geluk staat. Is er reden collectief zo uitbundig en vol blijdschap Oud en Nieuw te vieren?

Honderd jaar geleden zag het er in elk geval niet al te best uit. De slachtingen van voor de jaarwisseling werden op 1 januari 1915 onverminderd voortgezet en er was geen einde in zicht. Dus wat had die nieuwjaarsviering te betekenen? Hierbij een keuze uit de laatste kranten van 1914 en de eerste van 1915, nieuws dat J.G. Schoup destijds wellicht ook gelezen heeft.

‘De Telegraaf’, 23 december 1914 ; Interneeringsdepots

Naar men ons meldt, is tot opheffing van de interneeringsdepots te Assen, Zwolle, Kampen en Leeuwarden besloten. De vier depots worden verdeeld over Harderwijk en Oldenbroek. Harderwijk wordt aangevuld tot een sterkte van 12,500. Zeist komt dan tot een sterkte van 14,500. Het kamp in Gaasterland blijft bestaan.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; Belgische vluchtelingen

In de loods aan de binnenhaven te Vlissingen, waarin nog tal van vluchtelingen zijn ondergebracht en die kort geleden onder medisch toezicht geheel en nauwkeurig was ontsmet, zijn Donderdag weder twee nieuwe typhus-gevallen ontdekt en tengevolge daarvan is afgezien van het plan om Maandag ongeveer 1500 vluchtelingen van Vlissingen naar het kamp Nunspeet te vervoeren. De typhus breidt zich langzaam maar gestadig uit.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; De Joden in den Oorlog

In dezen oorlog staan, in de verschillende legers, ongeveer zesmaal honderd duizend Joden te Velde. Alleen in het Russische leger dienen meer dan 300,000 geloofsgenooten. Zij worden daar in nog grooter sterkte dan de zonen van andere vreemde natiën in het vuur gezonden op de gevaarlijke punten. […] In Duitschland hebben de Joden de oude roemrijke traditiën uit de bevrijdingsoorlogen en van het jaar 1870 schitterend gehandhaafd. Niet alleen hebben zij, gelijk vanzelf spreekt, hun plicht betracht, maar zij hebben in veel hooger getale dan naar verhouding van hun zielental, zich als vrijwilliger gesteld.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 28 december 1914 ; Paarden-uitvoer

In de maanden November en December zijn van het station Oldenzaal ongeveer 5700 paarden (ruinen beneden 20 maanden) en veulens naar Duitschland uitgevoerd.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Voor de Belgen

De “Commission for Relief” heeft in onze haven thans drie schepen in lossing. De “Agamemnon” heeft 2750 ton levensmiddelen, waarbij graan en meel, de “Skogland” 4500 ton, de “Neches” 5500 ton. Heden of morgen worden verwacht de “Batiscan” met 6800 ton en de “Maskinonge” met 7100 ton. Woensdag rekent men op de “Lincluten” die 6200 ton meel voor de Belgen meebrengt.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Lotgevallen van een Duitschen deserteur

Uit een boerderij op de grens was, naar beweerd werd, geschoten en het huis werd doorzocht. Wij vonden er slechts een oude vrouw en twee kinderen in, een meisje en een jongen van 10 à 12 jaren. De oude vrouwe wilde wegloopen, maar werd neergesabeld en mij werd bevolen de kinderen dood te schieten. Dat kon ik niet, waarop de sergeant, die het mij bevolen had, mij met de woorden “jij bent geen kerel” opzij stiet en zelf de kinderen neerschoot. Het meisje kreeg een kogel door het hoofd, zoodat zij dadelijk dood was, de jongen een in de rug. Hij viel neer en leefde nog, waarop de sergeant ook hem door het hoofd schoot. Het was afgrijselijk. Men liet ons echter niet veel tijd daarover na te denken, wij moeten weer voort, na eerst de boerderij in brand gestoken te hebben. […] De grootste slag, die ik heb meegetreden was die bij St. Quentin waar wij 2 dagen onafgebroken in de loopgraven hebben staan vuren, terwijl het water ons tot aan de knieën reikte. Nog veel langer heeft de slag geduurd. […] In de omgeving van ons kamp lagen de lijken van de gesneuvelden op sommige plaatsen 4 hoog op elkaar. Gewonden lagen er ook tusschen, die onze rust verstoorden door hun hartverscheurende gekerm, maar wij mochten hen niet gaan helpen en dat konden wij ook niet, want onafgebroken vlogen de kogels en granaten over het veld. Van het begraven van de lijken was ook geen sprake en zij gingen op het veld tot ontbinding over en verpestten den dampkring. Eindelijk, toen het te erg werd, overgoten wij de lijken met petroleum en staken ze in brand. Of er nog levenden tusschen waren wisten wij niet, er was geen tijd voor om daarnaar te zien.

‘Tilburgsche Courant’, 30 december 1914 ; DUITSCHE MAATREGELEN AAN DE GRENS

Men meldt uit Eindhoven van 27 Dec.: Tot heden werd aan onze bakkers toegestaan brood over de grens te brengen naar de Belgische grensplaats Arendonck en omliggende dorpen. Toen vanmorgen echter de bezendingen brood arriveerden, vernamen de leveranciers, dat de Duitsche overheid allen verderen invoer had verboden zoodat geen brood meer de grens over mocht. De Eindhovensche bakkers hebben daar een grooten schadepost aan en de Belgische afnemers zullen nu maar moeten zien, waar ze aan het noodige brood komen.

 ‘De Telegraaf’, 30 december 1914 ; Nabetrachting over het jaar 1914

[…] Voorts was er het New York – New Haven schandaal, waardoor de fondsenmarkten verrast werden. De het vorig jaar overleden spoorwegkoning J.P. Morgan bleek door middel dezer maatschappij enorme sommen verdiend te hebben, o.a. door het tot fabelachtige prijzen aan haar afschuiven van allerhande kleinere sporen, trammen, utility-ondernemingen enz.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 30 december 1914 ; advertentie ‘Meilleurs souhaits de’

Meilleurs souhaits de Jacques, Nouch, Bar, Renée, Jacques, Alice, Raymond, Paul, Alice, Rob, Nor, Jacq, Joe, Greet, Georges pour Père et Tante. Bonne lettre de schoup pour JULIA. 47518.6

NRC - 1914_12_30

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; Gaan de Duitschers een dam maken?

Naar ik verneem, zoo bericht de Antwerpsche correspondent van De Tijd, worden reeds sedert weken in geheel België behalve koper en andere artikelen alle linnen- en jute-zakken door de Duitschers in beslag genomen. Bij groote transporten worden de lege zakken vervoerd naar het front aan de Yser, waar zij vermoedelijk gebruikt worden om met zand gevuld te worden en voor afdamming of demping te dienen.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; De toestand in België

Reeds eenige malen deden verhalen de ronde, dat de Duitschers ook kachels opeischten, om ze in loopgraven te plaatsen. Thans verneem ik van iemand uit Gent, dat aldaar inderdaad zeer vele kachels zijn opgeëischt, welke alle zijn vervoerd in richting Yperen.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; Gemobiliseerde kantoorbedienden

Het dagelijksch bestuur van den Nationalen Bond van Handels- en Kantoorbedienden “Mercurius” heeft zich per request gewend tot den minister van Oorlog met verzoek, bij de beslissing op aanvragen van kantoorbedienden, om extra-verlof, ten einde in hun betrekking de balanswerkzaamheden te kunnen verrichten, een gunstige beschikking te willen bevorderen, waardoor de kans op het behoud dier betrekking na de demobilisatie voor hen grooter wordt en naar oordeel der requestanten geacht kan worden een algemeen belang wordt gediend.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Jaaroverzicht 1914

[…] We hebben hier in ’t kort de voornaamste regeeringsmaatregelen genoemd, die in ’s lands belang werden getroffen, en eindigen het overzicht daarvan met te herinneren aan de oorlogsleening van f 275.000.000 ter bestrijding van de buitengewone uitgaven, en die, naar we hopen, zoo spoedig mogelijk volteekend zal zijn.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Vluchtelingenverzorging

Men schrijft ons uit Vlissingen: In de huisvesting van de vluchtelingen alhier is een groote verbetering gebracht door het in gebruik nemen van twee der vier nieuwe loodsen, die op de Nieuwe Markt zijn gebouwd. Er zijn thans vier loodsen voor huisvesting, maar bovendien een vijfde, die voor eetvertrek is ingericht. Al deze loodsen zijn voorzien van een asphaltbedekking en de muren zijn van binnen met asbest bekleed.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; De modder aan de Yser

Uit een veldpostbrief in het ‘Berliner Tagesblatt’: Op een dag gingen we bij stortregen op weg, een marsch over 21 kilometer, in bodemloos slijk. In het donker struikelde een paard en en de bespanning van hat kanon viel in een diepe granaatkuil, die geheel met slijk volgeloopen en daarom niet te zien was. Van het paard zag men niets meer dan de kop en drie kwartier hebben we met spade en touwen moeten werken voor we het paard en de affuit weer er uit gehaald hadden. Zulke kuilen moet men zien. Groote granaten maken vaak gaten van twee meter diepte en drie tot vier meter doorsnede in den akkergrond. Meestal zijn ze zo rond alsof ze met den passer getrokken waren. Nu bij den aanhoudenden regen staan ze ongeveer voor drie kwart vol water en vormen zoo de mooiste goudvischvijvers, die men zich denken kan. In het begin van November, toen het hier nog vrij warm was, heeft een van onze korporaals een bad genomen in zulk een kuil. […] Het water en de modderpoelen zijn onze ergste vijanden, want de eeuwige vochtigheid en de modderpoelen demoraliseeren meer dan de eigenlijke strijd. In onze schuilplaatsen hebben we op balken een planken vloer liggen. En daaronder klotst vroolijk het water. […] Maar treurig worden we daarom niet. Boven den ingang van onzen schuilplaats staat: aquarium. Verder staat er een waarschuwingsbord: grens voor niet-zwemmers. […]

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 1 januari 1915

Bij het   i n    b e s l a g    n e m e n   van   w a p e n e n   door de Duitschers in België zijn ook bogen en pijlen, die bij wedstrijden gebruikt worden, zorgvuldig vergaard. Men heeft daaruit afgeleid dat de Duitschers wel erg zenuwachtig moesten zijn, om deze onschuldige wapenen nog gevaarlijk te achten. De reden schijnt echter een andere te zijn. Uit Parijs seint Reuter aan Engelsche bladen, dat er met behulp van pijl en boog brieven over de Nederlandsche grens en terug worden geschoten en dat de Duitschers daaraan een einde hebben willen maken.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 2 januari 1915 ; Te Gent

Men schrijft ons uit Vlaanderen: […] Dat de nood te Gent thans “schrikbarend” zou zijn, moet overdreven heeten. Er is armoede, zeer zeker: honger wordt er echter nog niet geleden: dit kan alleen hooge uitzondering wezen. […] De Duitsche bezetting te Gent dagteekent van Maandag 13 October: de vroegere kommandant generaal Junk, is sedert eenigen tijd vervangen door von Seckendorff. Een oorlogsschatting is niet opgelegd geworden. Alleen moet de stad het leger onderhouden; het getal Duitsche soldaten verschilt natuurlijk met den dag. Bovendien heeft de provincie haar deel op te brengen in de krijgsschatting van 480 millioen, waar ieder der negen provinciën zijn deel in te betalen heeft. […] De stad heeft ook pas een boete van 100.000 Mk. (waarvan 200.000 in goud) moeten betalen wegens het breken van een telefoondraad, waar de gemeente voor aansprakelijk gesteld is. De stad heft nu ook een belasting op ongetrouwde burgers. […] Er zijn verder opcentimes al naar de waarde van het bewoonde huis.

1914_12_01_2_05 (Tjgr. - spotprent)

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; Een dagorder van Keizer Wilhelm

BERLIJN, 31 Dec. (Wolff-bureau). Officieel wordt uit het groote hoofdkwartier het volgende medegedeeld:
Aan ‘t Duitsche leger en de Duitsche marine. Na een zwaren en heeten strijd van vijf maanden, gaan wij het nieuwe jaar in.
Schitterende overwinningen zijn er behaald en groote voordelen bereikt. De Duitsche legers staan bijna overal in het vijandelijke land, terwijl de herhaalde pogingen van den vijand, om met zijn legermassa’s den Duitschen bodem te overstroomen, mislukt zijn.
Op alle zeeën hebben mijn schepen zich met roem overladen. Hun bemanning heeft getoond, dat zij niet alleen zegevierend te strijden, maar ook, door de overmacht ter neergedrukt, heldhaftig weet te sterven.
Achter leger en vloot staat het Duitsche volk in voorbeeldige eendracht bereid, om het allerbeste wat het bezit, op te offeren voor den heiligen huiselijken haard, dien wij verdedigen. Veel is er in het oude jaar geschied, maar nog zijn de vijanden niet overwonnen. Steeds voeren zij nieuwe scharen tegen ons en tegen de legers, die met ons verbonden zijn. Maar hun aantal schrikt ons niet af. Al zijn de tijden ook ernstig en onze taak zwaar, toch durven wij vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien.
Naast de hulp van God vertrouw ik op de buitengewone dapperheid van leger en marine en voel mij één met het geheele Duitsche volk.
Daarom onversaagd het nieuwe jaar tegemoet,dat ons voeren moet tot nieuwe overwinningen voor het geliefde vaderland.

Het Groote Hoofdkwartier, 31 Dec. 1914. was getekend: WILHELM

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; De wensch van den Russischen opperbevelhebber

De ‘Daily Mail’ ontving den tekst van den volgende Nieuwjaarswensch van grootvorst Nicolaas, opperbevelhebber der Russische legers:
“Gij vraagt mij voorspellingen voor ’t nieuwe jaar. Ik kan er geen doen. Ik wensch een gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar aan al onze trouwe bondgenoten. ”

‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Nederland en de oorlog – Uitvoerverbod van brood

Bij Kon. Besluit is met ingang van 2 Januari de uitvoer van brood verboden.

 ‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Beperking van het koekbakken

De Berlijnsche Kamer van Koophandel heeft aan het bestuur van het banketbakkersgilde en van de Berlijnse Vereeniging van Banketbakkers medegedeeld, dat voor het nieuwe jaar eene beperking van het koekbakken gewenscht is en ook door de Berlijnsche politie verlangd wordt. In de maanden Januari en Februari mag dus in de banketbakkerijen van groot-Berlijn slechts éénmaal per dag aangemengd en gebakken worden. De Berlijnse banketbakkers willen een protestbetooging houden tegen deze beperking.

Gelukkig Nieuwjaar!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

“This man fed 6,000,000 Belgians” : een Amerikaanse zakenman vertelt

Tags

, , , , , , , , ,

1915_02_28 - NYT - Header

In de ‘New York Times’ van 28 februari 1915 verscheen een uitgebreid artikel over de man die de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam had geleid in de eerste vier maanden waarin de voedselhulp voor noodlijdend België op gang kwam. John Francis Lucey vertelde bij zijn terugkomst in de Verenigde Staten in geuren en kleuren over zijn successen. Op de Orduna was uit Liverpool een “bronzed-faced, pleasant-speaking, big-hearted but very determined Californian” in New York aangekomen. Deze man bleek heel wat te kunnen verhalen, zoals iedereen die verre reizen maakt.

In oktober had captain Lucey, “formerly of the regular army, but now the head of a great business in New York”, op verzoek van Walter H. Page, de Amerikaanse ambassadeur in Londen, zijn eigen zaken even neergelegd om als manager van Hoovers voedselhulporganisatie vanuit Rotterdam de dreigende hongersnood in België te bestrijden. Hij deed goed werk, ongetwijfeld, maar voedde niet 6 miljoen Belgen, zoals de krantenkop het overdreef. Uiteraard zat niet het gros van de Belgen met voedsel-, kleding- en verwarmingsproblemen. Nijpend was de nood in diverse regionen echter wel, vooral in de stedelijke gebieden, en daar wist Lucey vanuit de schakelcentrale in Rotterdam veel aan te doen. De voormalige Amerikaanse legerkapitein ging daadkrachtig aan de slag met de steun aan België. Het was een “vast American Belgian relief charity, a charity that in size and scope has no parallel in history”, aldus de Amerikaanse kwaliteitskrant. Lucey zelf verwoordde Amerika’s liefdadigheid nog bonter. “The world has never seen the like of this American charity. Never before has the great American heart shown up in such splendid fashion, and in Belgium if you are an American you are not only an angel, but a king as well”.

Wie was deze reddende “engel” en “koning”? Lucey was een self-made man die het van armoe tot rijkdom gemaakt had in perfecte overeenstemming met de American dream. Als kind van Ierse ouders kwam hij naar de Nieuwe Wereld met de onbegrensde mogelijkheden, alwaar hij als jongen van elf in New York kranten bezorgde. In 1898 voegde hij zich tijdens de Spaans-Amerikaanse oorlog bij het leger. Hij maakte het uiteindelijk tot kapitein. Na wat oponthoud in een legerziekenhuis in San Francisco hield Lucey in 1900 militaire dienst voor gezien. Hij studeerde rechten en begon voor zichzelf als avonturier, om te beginnen als goudzoeker in Alaska. Olie uit de bodem laten opborrelen bleek eenvoudiger. Destijds was die activiteit nog betrekkelijk simpel. Diep boren hoefde niet; vaak was aan de oppervlakte al te zien waar olie in de grond zat. Daar kwam nog bij dat in exotische landen de inboorlingen niet wisten wat ze ermee moesten. Ruwe aardolie kwam ook van nature aan de oppervlakte en dan gebruikte de plaatselijke bevolking die kleverige, brandbare drap voor fakkels, maar verder hadden ze er niets aan. Dus neem maar mee!

Lucey zou in Californië en in Texas, maar ook in Mexico, Argentinië, Indië, Rusland, Roemenië en zelfs in Spanje olie aanbo­ren. In dat soort landen was natuurlijk wel bekend wat het zwarte goedje waard was, maar het bleef een makkelijke business. Doe maar, gewoon aanpakken; er was voor ondernemende pioniers veel mogelijk destijds. Lucey was op de olievelden in Roemenië bezig toen de Eerste Wereldoorlog begon. En olie zou zijn hele leven blijven smeren. Het brood voor de Belgen was slechts een kort maar krachtig incident.

Toen Lucey op 25 oktober 1914 in Rotterdam begon, was hem gezegd dat het eerste schip binnen twee of drie dagen in de haven zou aanlopen. Dat het langer ging duren was te wijten aan onwil en restricties van het War Office in Londen. Van militair standpunt uit bekeken zagen de Britten de voedselhulp als onding, omdat de waarde van iedere kilo in België gedistribueerde levensmiddelen even veel geld betekende voor de Duitsers om munitie en voorraden voor hun leger te kunnen kopen. Er kwam dus aanvankelijk niets in Rotterdam aan en Lucey kon zich dan ook volop op de organisatie zelf storten. “While waiting for the relief ship I looked about and began the organization of our distributing and food handling forces. My office consisted of seven picked Rhodes scholars from Oxford University, and a number of Dutch and Belgians. They were all splendid”. Lucey vertelde vol trots over zijn team van vooral jonge Amerikaanse studenten. En zo lezen we in de ‘New York Times’ ook een complimentje voor J.G. Schoup, die immers als een van de Belgen in dit team jongelui was opgenomen. Ook hij moet “splendid” gefunctioneerd hebben.

En avontuurlijk was het. “We got word one night that Liége was starving. That very night a ship came in. We hurried enough food to fill fifty cars into Belgium that same night with Capt. Sunderland, United States Military Attaché at The Hague, escorting it. He got as far as Liége and then went forward himself to the German Headquarters and was loaned a special engine by the German General in command, and exactly twenty-four hours after the call was received for food in Liége our train of fifty carloads rolled into the station there”. Dit verliep zoals men zich kan voorstellen zonder de vereiste administratie en registratie. Daar was geen tijd voor. In september 1915 gaf Lucey dan ook ruiterlijk toe dit graan destijds gestolen te hebben. Spijt had hij er niet van. “I had never stolen before and hope that I will never have to steal again; but if the same circumstances as confronted me then arose, I’d do it again”.

De details hierover staan in de ‘New York Times’ van 25 september 1915 onder de vlammende kop “ADMITS $1,000,000 THEFT FOR BELGIUM”. Die diefstal werd dus in november 1914 gepleegd en het gebeurde feitelijk alleen maar, omdat het de officiële wegen bewandelend te lang geduurd zou hebben om hongersnood in Luik te voorkomen. Lucey had de noodzaak wel op een holletje aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Loudon laten voorleggen, maar die wou eerst het standpunt van Frankrijk en Engeland inwinnen. Bij de Franse legatie meende men dat generaal Joffre, opperbevelhebber van het Franse leger, eerst geconsulteerd moest worden. Zo stuitte de Amerikaan op bureaucratische grenzen en al dat overleg frustreerde hem enorm. “We did not want red tape; we wanted food, and at once”. Uit Den Haag terug in Rotterdam vernam hij gelukkig dat er in Zeeland, in Hansweert en in Terneuzen, twee schepen vol graan lagen. Tijdens het beleg van Antwerpen waren deze schepen naar Nederland uitgeweken. De lading was eigenlijk eigendom van Duitse handelaars, maar volgens de Nederlandse wet was het graan nu eigendom van de Nederlandse staat, omdat het in oorlogstijd het land binnenkwam.

Dit graan kaapte Lucey met de hem kenmerkende voortvarendheid. Het maakte hem niet uit. Dit moest naar Luik, en verder geen gezeur! Zo makkelijk ging het echter niet. Voorkomen moest toch worden dat het zou kunnen lijken of Nederland er iets mee te maken had. Het graan moest daarom vliegensvlug in andere schepen overgeladen worden, waarvoor Lucey 500 stuwadoors optrommelde. In Terneuzen lukte het hem 5000 ton graan van de 7500 ton te snaaien tot de Duitsers er lucht van kregen en bij de Nederlandse regering protesteerden. Nou, Lucey zou de 1 miljoen dollar die het waard was wel betalen als de rechtmatige eigenaar zijn vinger maar op zou steken. En dat gebeurde niet. “The ownership of the grain will probably resolve itself into a matter of international arbitration. Now, that is how we stole $1,000,000 worth of grain when the Belgians thought it impossible to get it”, sprak deze Robin Hood niet zonder trots in september 1915.

Maar terug naar het artikel ‘This man fed 6,000,000 Belgians” in de ‘New York Times’ van 28 februari 1915. Heel wat nadruk legde Lucey op de plotselinge populariteit van de Amerikaanse vlag. “In all our First shipments into Belgium and over all of our stores we flew the American flag during the first weeks of our work. But the Belgians began to look upon the American flag as practically their own, and as it had come to their assistance, when their own flag could not, it came to have a far greater value in their eyes”. Lucey wou dit toch even vermelden als teken van de grote waardering, respect en liefde die elke Belg voor het nationale embleem van de Verenigde staten had gekregen. “Even the mites of children know where the food that is keeping their parents and themselves alive comes from, and nearly all of them possess a little American flag, with a star or two missing perhaps, but an American flag just the same, and in nearly every case the flag was ‘Made in Belgium’ by the people themselves”.

Populair werden die vreemde Amerikanen dus opeens, misschien nog wel extra omdat hun werk zeker in het begin alles behalve eenvoudig was. Lastig op te lossen problemen veroorzaakten vooral de verwoeste straat- en spoorwegen en het gemis aan bruggen. In de kanalen lag bovendien het puin van al die opgeblazen bruggen, zodat schepen er niet door konden. “As I surveyed the situation during the First weeks of our work I realized more and more the extent of the terrible devastation that had overtaken the country. […] I saw that I would have to pioneer transportation work, just as if I was in a wild and unsettled country. The canals were full, from bank to bank, with debris, and the canal boats that were left, were not running. The railroads were paralyzed, and I faced a problem that involved not only the getting of the food, but the still bigger one of distributing it once it was in my possession”.

En alsof dat nog niet genoeg was, belemmerden de militaire autoriteiten de voortgang steeds. “Then we had the military problem, the most annoying of the lot. On one occasion I was arrested in company with an American consular official. My men were constantly held up and often detained in arrest. Passes were our only protection and even when armed with all kinds, sizes and degrees of passes, during the first weeks of the commission’s work in Belgium, we were often taken into custody”. Om de haverklap zaten captain J.F. Lucey en zijn medewerkers vast. J.G. Schoup kan daar niet bij geweest zijn, want hij was een Belgische deserteur. Hem zullen ze op het kantoor aan de Haringvliet hebben laten werken, want in België liep hij groot risico krijgsgevangen gemaakt te worden. Behalve natuurlijk als hij met passen op valse naam mee kon. Mocht hij zo toch in België hebben kunnen zijn, laten  we dan wel wezen; van zulke noodoplossingen in moeilijke tijden kan je als jongeman heel wat handigheidjes opsteken!

Goede woorden had Lucey voor de Duitsers, die zich zeer behulpzaam toonden. “On one occasion during the first two week in December, when we had no food ourselves to deliver into Belgium, and when the plight of the Belgians was oppressive, I applied to the Germans for food and would probably have gotten it had not the Government of the Netherlands stepped in and loaned the commission 10,000 ton”. Die lening van 10.000 ton tarwe uit Nederland is al in het weblog De piramiden van Rotterdam van 15 november ter sprake gekomen. Het was, zo blijkt, op dat moment dringend nodig, maar het blijft zo dat Nederland in dit geval geen voedselhulp gaf, maar leende.

Er moest, hoe dan ook, aan allerlei complicaties het hoofd geboden worden. Zelfs werkgelegenheid werd volgens Lucey een issue. Het was raadzaam graan in plaats van meel te laten komen bijvoorbeeld, want op die manier kon de Belgian Relief de molens in België aan de gang houden. “Where ordinarily the mill would employ only twenty men, we employed 100, giving them, however, only a small wage, or about sufficient to cover their food purchases. Besides, it is desirable to keep them busy”. Deze mededeling van Lucey bevestigt het nog eens; de Belgen kregen hun voedsel niet, ze moesten het aanschaffen. En het malen van Amerikaans graan was in België natuurlijk goedkoper. Bovendien werd – en ook dat zegt Lucey hier – de molenknechten wel wat geld gegund, maar niet meer dan ze nodig hadden om uiteindelijk hun zelf gemalen brood te kunnen betalen… Dat noem je dan werken voor je brood. Maar belangrijk was toch ook de mannen bezig te houden, zeker wel!

En bezig waren ze, want zelfs het kaf was van belang. In België was nauwelijks voedsel voor het vee. “In fact, meat is the cheapest food in Belgium, as the cattle are starving in many sections and the people are killing off the animals as fast as possible, because they have no food for the cattle, and because they are afraid of requisitioning by the German authorities”. Een absurde situatie; er was een broodprobleem in België, maar vlees was juist volop te krijgen, omdat de boeren hun vee liever slachtten dan dat ze het zagen vermageren. En zo gaf Lucey de ‘New York Times’ in februari 1915 bij zijn terugkomst in America met nog vele details meer een aardig overzicht over de problemen die hij had moeten meesteren.

“May I add a last word?”, vroeg de kapitein die vier maanden lang brood voor de Belgen verzorgd had afsluitend. “No matter what may come to me in later years, I shall never have a work to do of which I can be so proud as I am of the little I was able to accomplish for the relief of the brave, big hearted, suffering people of wonderful Belgium”.

John F. Lucey, die nog tot vlak voor zijn dood zijn Lucey Petroleum Company in Dallas bestierde, stierf na een operatie op 9 oktober 1947 op 72-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Boston.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Als kantoorbediende in Rotterdam : join our service, mr. Schoup!

Tags

, , , , , ,

Commission for Relief in Belgium (Rotterdam)

Jean Gustave Schoup werd door de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam als kantoorbediende te werk gesteld. Dat kan van alles betekenen, lijkt het, tot iemand die op een blaadje de koffie brengt aan toe. Maar met kantoorbediende werd een administratieve kracht bedoeld, een kantoorklerk. In dat metier was aanzienlijk veel meer te doen dan tegenwoordig. Er was enorm veel schrijfwerk en er waren geen computers.

Het is voor ons nauwelijks nog voorstelbaar, maar geautomatiseerd geschiedde in 1914 nog vrijwel niets. Ofschoon in de industrie natuurlijk allerlei machines draaiden, was toch bijna alles, maar dan ook bijna alles, mensenwerk, ook aan die machines. Zulk mensenwerk bestaat tegenwoordig net zo goed, hoewel het minder lijkt te worden. Maar zelfs een computer bedient zich nog steeds niet vanzelf. Bij productieprocessen zijn alleen veel minder mensen betrokken dan vroeger als we dat aan de productiviteit relateren. Automatisering maakt telkens meer volume mogelijk. We zijn, kortom, efficiënter geworden. Op revolutionaire schaal hebben robots, machines en apparaten mensenwerk overgenomen en (laten we dat niet vergeten) vergemakkelijkt. De mens experimenteert al met kunstmatige intelligentie. Er bestaat een mogelijkheid journalistiek te gaan automatiseren. Dat betekent niet meer door mensen, maar door machines samengestelde nieuwsberichten.

En waarom moet dat allemaal? Automatiseren is economisch efficiënter, goedkoper. Mensenwerk moet betaald worden en dus wordt dat geschrapt, indien mogelijk. Vroeger gingen we bij een achter een loket zittend mens ons geld van de bank halen, tegenwoordig staan we in de rij voor de automaat. Maar er blijft veel te wensen over. Kassières moeten maar eens uit de supermarkt verdwijnen, bijvoorbeeld. Hun geestdodende job is nergens voor nodig. De klant kan de barcode op de boodschappen best zelf scannen, rekent dan elektronisch af met zijn of haar bankkaartje, het poortje gaat open en de spullen mogen mee naar huis. Op iedere verpakking zit een beveiligingschip, zodat per ongeluk niet gescande spullen niet meegenomen kunnen worden zonder dat bij het poortje het alarm aanslaat. Maar dan is er weer personeel nodig om die gevallen op te lossen. Veel te duur. Dus beter nog; voor wie zijn koopwaar niet scant gaat het poortje niet open. Boter bij de vis; wel eerst dokken! Dus alles maar weer opnieuw scannen? Nee, een beeldscherm geeft gemakshalve even aan welk product nog gescand moet worden. De beveiligingschip wordt bij die handeling immers pas gedeactiveerd. En dan eindelijk naar huis!

Dit systeem zal ingevoerd worden door hypermoderne supermarkten waar je niet meer met cashgeld kunt betalen. Dat ouderwetse betaalmiddel moet sowieso verdwijnen. Peperduur al die munten en biljetten! Het is bovendien oncontroleerbaar hoe een mens eraan kwam. Zoals dankzij de OV-chipkaart het reisgedrag van burgers te checken is, weet een bedrijfscomputer straks ook van elke burger precies wat hij kocht en waar hij het kocht. De centrale computer van supermarktketen Cybersuper weet dat bijvoorbeeld. Dat bedrijf verkoopt de data over consumptiegedrag aan een perscomputer die er nieuws van maakt. Niet gedrukt op papier natuurlijk. Dat is veel te duur. Denk aan het milieu! Kranten moeten nota bene huis aan huis bezorgd worden. Overbodig, onnodig kostbaar. Verspilling bovendien. Niet doen. Weg ermee.

stuwadoors Rotterdam (J.J. Wielaert)

Het is verleidelijk mijmerend naar de toekomst af te dwalen, maar dit weblog gaat over het verleden. Laten we dus rechtsomkeert maken en terugblikken op de activiteiten van de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam. Een eeuw geleden was het organisatorisch en administratief nog niet zo flitsend geregeld als het later bleek te kunnen. Hijskranen stonden in 1914 in de Rotterdamse haven wel, maar een scheepsruimte werd nog door stevig gespierde stuwadoors gelost. Stapelbare containers zo groot als vrachtwagens bestonden niet. Ook voor de voedsel- en kledinghulp aan België moest men het stukgoed met lichaamskracht op takels en wagens pakken om dat dan in loodsen te kunnen opstapelen. Op de kades kon de handel niet blijven staan. Daarvoor regent het in Rotterdam te veel, toen wel al automatisch.

Pas na al dat gedoe met lossen en de tussenopslag begon het vervoer met de binnenvaart en ook met treinen naar België. En al die zakken Amerikaans meel en graan moesten langs de hele vervoersweg controleerbaar blijven. Zonder barcodes en scanners ging dat alleen met potlood of kroontjespen, in dikke boeken en op grote hoeveelheden papier. Een reden van belang was onder andere te kunnen blijven bewijzen dat Nederland neutraal was in het gevecht dat de Groote Oorlog zou gaan heten. Daarom moest alles wat naar België werd uitgevoerd nauwgezet administratief bijgehouden worden. Ondefinieerbaar spul mocht er niet tussen zitten, want dat zou hetzelfde zijn als smokkelwaar. Dus als er al een partij Nederlandse peultjes voor België bij zat, dan moesten ook die geregistreerd zijn.

Wat de Relief in Belgium betreft; het was zaaks precies te noteren dat de Amerikaanse hulp – die stilzwijgend net zo goed voor de Amerikaanse landbouw als schreeuwend voor België bestemd was – echt bij de Belgische bevolking terecht kwam. Er ontstond een stroom documentatie over wat waar vandaan kwam en waar het heen moest. Denk alleen maar aan de noodzaak de overslag uit zeeschepen naar loodsen te registreren, of, als dat kon, direct naar binnenschepen of op wagens met bestemming België. De geallieerden hadden geaccepteerd dat voedselhulp doorgang moest vinden, en de vijand liet dat toe, maar het mocht niets bij de bezetter van België belanden. Constante controle was dan ook een vereiste en dat zonder computerprogramma’s als Excel of Sap.

De administratie was het handwerk van een legertje boekhouders en rekenwonders. In 1914 en ook in 1915 misschien, was J.G. Schoup hierbij betrokken. Hoover of Francqui zal hij als kleine kantoorklerk niet hebben leren kennen, maar hij werkte vanaf 1 november 1914 in Rotterdam mee aan de voedselhulp voor België. Hoe dat precies tot stand kwam, staat te lezen in het boek over de bewogen levens van deze Belgische avonturier. In zijn roman In Vlaanderen heb ik gedood schreef hij niets over Interneringsdepot Harderwijk waar hij na zijn desertie in oktober terecht was gekomen. “Twee maanden later was ik in Rotterdam”, dat schreef hij wel. “Op eerewoord vrij gelaten kreeg ik vergunning om in Rotterdam te verblijven”.

Was J.G. Schoup nou ontsnapt uit Harderwijk, of vertrok hij gewoon met toestemming naar Rotterdam? Dat laatste blijkt niet uit de documenten die in de biografie naar voren komen. Waarschijnlijk is hij uit het kamp geglipt, maar hij had gunstige contacten en werd vrijwel meteen in Rotterdam te werk gesteld. Op dat moment had men een man met zijn talenten nodig. Voor de Commission for Relief in Belgium waren zijn capaciteiten geknipt. Het is daarom aannemelijk dat hij in november 1914 inderdaad van de Nederlandse autoriteiten vergunning kreeg om te blijven. Deze kiene jongeman was opgeleid aan de Antwerpse handelshogeschool, kon bogen op talenkennis en had voor de oorlog in Antwerpen ervaring opgedaan bij een scheepvaartkantoor. Bovendien was hij een Vlaming. Hij kende het sociale klimaat in België, de omstandigheden, de regels, de manier met de mensen om te gaan. En alleen al voor de logistiek tussen Rotterdam en Antwerpen kon hij zeker ook Belgen inzetten die hij nog van zijn vooroorlogse baantje kende.

Optimaal, deze oorlogsgast. Zo veel geschikte kandidaten waren er niet. Het is logisch dat zo’n man in Rotterdam door de Amerikaanse hulporganisatie van Mr. Hoover in het team van J.F. Lucey werd opgenomen. Welcome, mr. Schoup! Join our big charity-business for Belgian relief!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

De piramiden van Rotterdam : handen vol aan bergen werk!

Tags

, , , , , , , , , , ,

IMG_9005 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In het vorige bericht kwam tot uitdrukking dat de Amerikaanse voedselhulp aan België met zeker winstoogmerk tot stand kwam en verliep. De Amerikaanse auteur John Hamill veroordeelde dit scherp in zijn in 1931 verschenen boek The Strange Career of Mr. Hoover under two Flags. Hij toonde met tal van details aan dat er op ondoorzichtige manier geld aan de hulp verdiend werd zonder dat publieke controle op de activiteiten mogelijk was. “You see, it was just a private affair. Neither the State, nor the Public had any right to interfere”.

In Londen werd de inkoop door Herbert Hoover geleid en in Brussel regelde Émile Francqui de afzet. Zij, en alleen zij hadden uiteindelijk de leiding. In de zomer van 1915 gaf baron Moritz von Bissing, die op 24 november 1914 tot nieuwe Duitse gouverneur-generaal van België benoemd was, Francqui volledige handelingsbevoegdheid. “Francqui, the iron man of Belgium, could now do practically what he liked with regard to the distribution and sale of food. He supplied what he liked and charged what he liked”, aldus Hamill. Logistiek functioneerde deze handel via een keten van comités en subcomités. Het proces begon met het inzamelen van geld en met preparaties voor ontvangst van de goederen in Nederland. Haastig begon Hoovers organisatie in oktober 1914 het werk eerst tijdelijk bij een Rotterdams scheepvaartbedrijf. Al snel vernam men meer van de Commission for Relief in Belgium dan van het Committee for Relief in Belgium. Dat kwam niet omdat de leiders zich liever als mannen met een missie definieerden dan alleen maar als leden van een organiserend comité.

Er werkten twee verschillende organisaties met bijna dezelfde naam voor één doel. In het verlengde van het Amerikaanse initiatief ontstond een National Committee for Relief in Belgium, een Britse organisatie met zetel in Londen die het nodige geld inzamelde. Dit comité was in Engeland en in het Britse Gemenebest met subcomités actief. Want niet al het kapitaal dat Hoovers hulporganisatie nodig had kwam van banken. Toen Mr. Hoover de nood van de Belgen hoog van de toren had gekraaid, werd vanuit de hele wereld geld en goed geschonken. Wat extra begripsverwarring tussen de woorden comité en commissie veroorzaakte het Comité National de Secours et d’Alimentation in Brussel, het hulpcomité waar bankier Francqui zijn scepter over zwaaide. En naast dat distributieapparaat waren er nog een Spaanse en Italiaanse commissie aan het werk geslagen. Maar Francqui’s Comité National en Hoovers Commission for Relief waren de enige twee kanalen die geautoriseerd waren de beschikbaar komende gelden en goederen te beheren. Alle middelen om de nood in België te lenigen, ook die van liefdadige privéorganisaties die op eigen houtje graag iets wilden doen, moesten op deze twee kruispunten terechtkomen, dat van Hoover in Londen en dat van Francqui in Brussel. De schakelcentrale tussen die twee steden werd Rotterdam.

Erg ingewikkeld wel, al die plaatselijke comités en de nationale comités in Londen en Brussel, commissies in Rome en Madrid, comités in Amerika, Canada en Australië, en stuurcomités overal in België, die tegelijkertijd allen voor dezelfde Commission for Relief in Belgium in de weer waren. Maar actief ging het er aan toe en hoe! In Rotterdam werd het behelpen, want er kwam vanuit Amerika plotsklaps een enorme voedselhoop de haven binnen. Daar had Rotterdam toenemend moeite mee. De eerste aanvoer vanuit Engeland kwam op 1 en 2 november 1914 binnen, respectievelijk op de Coblentz en de Iris. De lading was 1777 ton meel, 414 ton rijst en 210 ton erwten en bonen, die al twee dagen later in Brussel arriveerden. Hoover liet er geen gras over groeien. Hulp was nu echt nodig geworden, want op diverse plaatsen in België, vooral in de grotere steden, dreigde voedseltekort. De mensen hadden hun thuisvoorraden zien slinken, de Duitsers hadden in de eerste oorlogsmaanden aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen geconfisqueerd en er was in België ook heel wat geplunderd. Maar later namen de Duitsers minder in beslag. Ze kochten voor goed geld levensmiddelen van de Belgen om een meer coöperatief klimaat te laten ontstaan. Het is dus niet anders; ook door winstbejag van de Belgen zelf ontstond toenemend tekort. Eind oktober 1914 vreesde men algemeen hongeroproer te mogen verwachten, vooral wegens het gebrek aan brood. Op het platteland was de nood minder schrijnend, want een boer kan zichzelf nog wel behelpen. Maar in de steden raakten de voedselvoorraden op en waar moest dan nog wat leeftocht vandaan komen?

Nou, zelfs uit het neutrale Nederland, dan toch. Daar snel en duidelijk bleek dat de oorlogvoerenden geen bezwaar maakten tegen toevoer van levensmiddelen bestemd voor hongerige Belgen, besloot de Nederlandse regering in november 1914 dat de verkoop aan de CRB van “zekere hoeveelheden peulvruchten” best moest kunnen. Toen er in december 1914 een ernstig tekort aan meel ontstond, zou de Nederlandse regering aan de Belgian Relief in Rotterdam 10.000 ton tarwe lenen. Captain J.F. Lucey, de Amerikaanse manager van de CRB-afdeling Rotterdam, kon de Nederlandse regenten overtuigen dat er in België groot gebrek heerste. En dankbaar dat deze zakenman was! “De commissie kan niet genoeg deze waarlijk menschlievende daad van de Nederlandsche Regeering roemen”, zo vatte ‘De Tijd’ zijn woorden samen.

Peulvruchten naar België © 2014, J.J. Wielaert

Aanvankelijk, vóór oktober 1914 zeg maar, was de voedselsituatie in België niet al te rampzalig. Maar de komende catastrofe was afzienbaar. De Duitse militaire macht had weinig aandacht besteed aan de problemen die bezetting van een land met zich meebrengen. De oorlog zou toch gauw voorbij zijn. Dat was althans de opzet van het Schlieffenplan. De Duitsers hadden bij hun snelle doortocht geplunderd of gekocht wat er te krijgen was. Daarna zou alles goed komen, want als Frankrijk en Rusland op de knieën gedwongen waren, zou er voedsel zat zijn, ook voor de Belgen. Maar dat ging fout. België had in oktober twee maanden oorlog achter de rug, was daardoor deels verwoest en verkeerde in wanorde. Het voedseltekort, vooral brood, werd nu een groot probleem voor de bezetter. Maar een Amerikaanse zakenman kwam dat schijnbaar gratis oplossen en de Duitsers, zeker niet gek, lieten dat graag toe.

Hoe je het ook bekijkt; wat Hoover op touw zette was op humanitair vlak een formidabele en in november 1914 dringend nodig geworden actie. Het was bovendien voor alle betrokkenen een positieve zaak. Ten eerste was de Amerikaanse voedselhulp in het belang van de bezetter, want die had hierdoor een flink probleem minder. Ten tweede kreeg de Belgische bevolking de voedselvoorziening enigszins gegarandeerd, zonder dat de Duitsers er met hun klauwen aan mochten komen. En ten derde werden ook de gulle gevers geholpen en dat niet eens alleen financieel. Marketing speelde een rol van belang, zeker op lange termijn.

Amerikaanse handel © 2014, J.J. Wielaert

De Belgen, even verwonderd als overrompeld door wat hen met de Amerikaanse hulp overkwam, hingen voor het eerst, klein of groot, thuis geborduurd of echt, de Amerikaanse vlag uit. Als er iets is dat Amerikanen goed kunnen, dan is het hun producten aanprijzen en nieuwe markten veroveren. In februari 1915 zou captain Lucey, net uit Rotterdam teruggekeerd in New York, over de Belgen zeggen: “They thought we were trying to sell them something. Many of them had never heard of the United States and did not know that there existed a class of people who would send across the seas free shiploads of food for them. Today they understand. Another thing we have done for the Belgians. We have educated them to know pork and beans. They are crazy about them. They also are learning something about American canned goods, and the use of corn meal. Zelfverheerlijking en voedselhulp als basisonderwijs in het afnemen van ingeblikt Amerikaans varkensvlees en bonen. Geweldig toch? Van Amerikanen kon je nog eens iets opsteken.

Maar wat ze te bieden hadden, was niet helemaal gratis. Dat gold toen de nood het hoogst was wat de donaties betreft nog wel, maar later werd dat minder en de kosten voor vervoer, opslag en distributie moesten toch gemaakt en betaald worden. De eerste boot die van over de Atlantische oceaan aankwam was de Tremorvah. Dat schip bracht op 15 november 1914, nu precies honderd jaar geleden, een lading van 5000 ton levensmiddelen, geschonken door Nieuw-Schotland, Canada. Op 21 november liep in Rotterdam de Massapequa uit New York binnen met 3500 ton goederen gedoneerd door de Rockefeller Foundation. Vanaf dat moment begon het vrij gestaag te lopen, schreef Tracy Kittredge, die het allemaal meemaakte. In constant toenemende hoeveelheden stroomden de levensmiddelen België binnen. In november werd in Rotterdam in totaal 26.431 ton gelost. In december 1914 brachten 17 schepen in totaal 58.000 ton en in januari 1915 wel 20 schepen een tonnage van ruwweg 70.000 ton. Vanaf toen kwam er maandelijks zelden minder dan 75.000 ton voedsel aan, het minimum dat men meende in België nodig te hebben. Vaak werd dit getal overschreden. In mei 1915 brachten 36 schepen 125.000 ton naar Rotterdam en in oktober 1915 werd uit 44 schepen in totaal wel 135.000 ton gelost. In het eerste jaar dat de Belgian Relief opereerde waren 186 volledige scheepsladingen en 308 gedeeltelijke in Rotterdam geleverd. De hoeveelheid aangevoerde hulpgoederen die de Rotterdamse afdeling in het eerste jaar mocht ontvangen bereikte een totaal van 988.852 ton. Bijna één miljard kilo!

Deze omstandigheden hebben de Rotterdamse haven een duw naar voren gegeven, te meer omdat in de Antwerpse haven, die destijds veel groter was, vier jaar lang geen zier gebeurde door de blokkade die het neutrale Nederland moest handhaven. Rotterdam werd the place to be. In velerlei opzichten ontstond voor de Nederlandse economie gelegenheid van de wereldoorlog te profiteren. Dat lazen we al wat een prachtige partij peultjes betreft, maar er kleefden genoeg andere voordelen aan. De hulp aan België werd een geweldige stimulans voor Rotterdam. Er was plotseling veel meer aan de knikker dan voor de oorlog. Als Egyptische piramiden stapelden zich in het havengebied lege vettonnen op. Maar ook administratief accumuleerde zich meteen een berg werk.

Om alles in banen te leiden kwam de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam in oktober 1914 onder leiding te staan van de al genoemde John Francis Lucey, ex-legerkapitein en directeur van de Lucey Manufacturing Company die in de halve wereld aan oliemaatschappijen materiaal en materieel leverde dat nodig was om het zwarte goud aan te boren. Toen in Oost-Europa de oorlog uitbrak, liet deze Amerikaan zijn business in Roemenië even waaien. Hij was op weg naar de Verenigde Staten toen hij in Londen via de Amerikaanse ambassadeur Page met Hoover in contact kwam. Lucey was expert in transport, wist van shipping, zoals dat tegenwoordig zelfs al heet bij het versturen van maar één pakketje. En Lucey was niet alleen een wereldveroveraar bij de exploitatie van aardolie, maar van karakter ook het voortvarende type Amerikaan die bergen kon verzetten, een man die van wanten wist. Hij schijnt het in Rotterdam straf maar sympathiek gedaan te hebben. Het lukte in die eerste vier moeilijke maanden onder zijn leiding het nodige gedaan te krijgen, tot in details. Om de goederen niet met man en muis op de zeebodem te zien verdwijnen, werden de boten van de Belgian Relief bijvoorbeeld aan bak- en stuurboord met spandoeken behangen, zodat het voor Duitse onderzeeërs duidelijk was dat voedselhulp voor België aangevaren kwam.

IMG_9002 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In Rotterdam werkte Lucey’s team vanaf 21 november 1914 in het voormalige residentie van de Incassobank, een pompeus paleisje met van buiten en van binnen allerlei fraaie tierelantijnen. “Er gebeurt in dit kantoor veel goeds voor de Belgen”, schreef een Rotterdamse krant zonder erbij te vertellen dat het voor Nederlanders ook zo slecht niet was. Door het afgebroken goederenverkeer naar België, Frankrijk, Engeland en Duitsland zaten in Rotterdam bijvoorbeeld vele havenarbeiders zonder werk. Dat was dankzij Herbert Hoover meteen afgelopen. Bij het lossen van de genoemde Massapequa drongen zo’n 500 dokkers om het werk te mogen doen. De gelukkige winnaars kregen een pas met “Member American Commission” erop vermeld en gingen aan de slag. “They unloaded the cargo with much speed”, aldus de ‘Los Angeles Times’ van 24 november 1914.

De Rotterdamse krant schreef een dag later: “In twee weken zijn meer dan 20.000 ton goederen naar de misdeelden in België uitgezonden en elken dag gaan er nog 3000 ton goederen weg met alle mogelijke vervoermiddelen, lichters, sporen, trams, enz.” Maar hoe regelde de in 1915 definitief almachtig geworden bankier Francqui het dan verder in België? Hamill is er in zijn boek bitter en boos over. Volgens hem verkocht Hoover de levensmiddelen voor België om te beginnen al met winst aan Francqui. Die zette in alle provincies van België comités aan het werk die op lokaal niveau weer met kleinere subcomités werkten. Elke provincie moest bij Francqui’s bank, de Société Generale , een zekere hoeveelheid krediet opnemen. Als een provinciaal comité goederen van Francqui’s Comité National kocht, dan werd dat betaald uit het krediet dat zo’n provincie dus bij Francqui’s bank opgenomen had. De levensmiddelen werden met winst aan het bewuste provinciecomité gefactureerd. Dat comité leverde dan aan de subcomités in de kleinere districten en moest dat ook weer met een winst in rekening brengen. Uit die winst werd namelijk een deel teruggestort als betaling voor de onkosten van… Francqui’s organisatie, “so that the National Committee was not only making a profit on direct sales but a share in the profits of indirect sales”. En zo staat Hamills boek bol met staaltjes van Francqui’s stuitende eigenliefde.

Gesch. van de Wetenschap in België 1915-2000

Goed geregeld! De burgemeesters van noodlijdende Belgische gemeentes met hun subcomités meldden het gebrek aan de provinciale comités. Of het waar was, bleef een andere vraag, maar er was zeker nood te bespeuren. De provinciale comités gaven de informatie door aan Francqui en zijn Comité National te Brussel, die dan aan Rotterdam doorgaf wat ontbrak. Het kostte kennelijk allemaal niets en overal bleef wel wat aan de strijkstok hangen. Maar “Rotterdam verzamelt slechts: geld, levensmiddelen, kleeren – de jongste aanvoeren zijn met de “Massapequa” en de “Jan Blockx” geschied – en zendt met bekwamen spoed af”, aldus de Rotterdamse krant. Zo was het kantoor van de Amerikaanse legerkapitein en olie-equipement leverancier J.F. Lucey “aldoor vol bezigheid, het is een goed sympathiek werk, dat vele handen dagelijks noodig heeft”.

Twee van die vele handen zaten aan het lichaam van Jean Gustave Schoup. Begin november 1914 begon hij, na het interneringskamp Harderwijk ontvlucht te zijn, in Rotterdam bij de Commission for Relief in Belgium een nieuwe fase in zijn leven.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie: John Hamill, The Strange Career of Mr. Hoover under Two Flags (William Faro, New York, 1931). In een rechtszaak in januari 1933 betuigde Hamill spijt de suggestie gewekt te hebben dat de door de Duitsers gefusilleerde Britse verpleegster en spionne Edith Cavell met één woord van Francqui of Hoover gered had kunnen worden. Hij impliceerde zelfs dat “ruthless men” de executie lieten passeren omdat Cavell te veel over tarwe, spek, rijst, bonen en erwten wist. Hamills boek is polemisch, populistisch en inhoudelijk niet overal correct, maar over de Belgian Relief raak en to the point. Het schilderij van Francqui door J. Laudy stamt uit: Geschiedenis van de Wetenschap in België 1915-2000 (Dexia, Brussel / La Renaissance du Livre, Tournai, 2001).

Zaken als hulp in de nood : The Commission for Relief in Belgium

Tags

, , , , , , , , ,

Commission for Relief in Belgium

Wat is voedselhulp? In beginsel heeft het verstrekken van levensmiddelen in noodlijdende regionen een humanitair doel. Wij, de geciviliseerde wereld, laten miljoenen door knagende honger geplaagde soortgenoten toch zeker niet verrekken? Het tegendeel is waar. Dagelijks sterven zo’n 24.000 mensen aan de gevolgen van ondervoeding. ‘Slechts’ 10% hiervan wordt door oorlogssituaties veroorzaakt. Toch worden massale voedselhulpacties meestal alleen op touw gezet bij die met oorlog in verband staande ellende, terwijl op hetzelfde moment 90% van de ondervoeden in vredige armoede creperen.

Dus laat de vraag herhaald zijn. Wat is voedselhulp? Het is wrang maar waar; het laven en spijzen van nooddruftigen in tijden van oorlog heeft onder andere te maken met big business. Burgers in rijke landen worden bewust gemaakt van een ramp en moeten gul hun geld gaan geven, want overheden hebben daarvan niet genoeg. Behalve als het om de ontwikkeling van een Joint Strike Fighter gaat of andere peperdure dingen waarvan niemand procentueel zijn persoonlijke bijdrage in zijn belastingaanslag kan herkennen. Het daarnaast toch graag geschonken geld van de burgers komt gelukkig goed terecht. Denk immers niet dat boeren hun oogsten zomaar afstaan. De meeste levensmiddelen moeten toch gekocht worden en dat werd in de Eerste Wereldoorlog in België ook weer verkocht. Kort samengevat is dat de essentie van de American Commission for Relief in Belgium.

Er was eens een zakenman luisterend naar de naam Herbert Clark Hoover. Van oorsprong was hij mijnbouwingenieur. In die bedrijvigheid had hij in China en Australië al op jonge leeftijd fortuin gemaakt. Dat lukte hem, omdat hij even sluw als schaamteloos wist om te gaan met de beschikbaarheid van goedkope arbeidskracht. Zo werd hij rijk en toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak woonde hij in luxe in Londen. Daar strandden steeds meer van het continent vluchtende landgenoten. Heel wat van deze Amerikanen ontbrak het aan geld om de overtocht naar de USA te maken. Mr. Hoover begon zich over hun lot te ontfermen en daarbij lichtte in zijn toch al heldere hoofd nog een extra lampje op. Aan de andere kant van het Kanaal, daar in België, was heel wat aan de hand! Van zijn fellow Americans vernam hij het toenemend; die Belgen zaten knap in de knel, want België moest voor haar bevolking in vredestijd al voedsel importeren. Dat was nu veel lastiger geworden.

Vrij onmogelijk, beter gezegd. Nederland, de noorderbuur, moest neutraliteit waren, dus kon niet te veel wagen. En ten zuiden van België lag het oorlogsfront met Frankrijk. Ook uit die regionen was geen voedselimport van betekenis te bewerkstelligen. Zo kwam het alimentatieprobleem op het bord van de Duitsers te liggen. Duitsland had op grond van internationaal vigerende verdragen als bezetter de plicht de voeding van de Belgen te garanderen, maar was ternauwernood in staat op eigen kracht de eigen bevolking te bedruipen. Duitsland produceerde bijvoorbeeld lang niet voldoende broodgranen. Dus ook nog eens voor de foeragering van ca. 7 miljoen Belgen garant staan zat niet echt in de Duitse oven, pan of pot.

Dit tekort had die slimme Mr. Hoover snel in de smiezen. Hier lagen lucratieve kansen, want waar gebrek heerst, is geld te verdienen. Het was afzienbaar dat er in België flink hulp geboden zou moeten gaan worden. Aldus entameerden wakkere zakenlieden als Hoover en zijn vroegere concurrent bij de uitbuiting van China, de Belgische bankier Émile Francqui, onderhandelingen tussen de geallieerden en de Duitsers over voedselhulp aan België. De Britten waren eerst fel tegen. Zij vreesden dat het allemaal toch bij de Duitsers terecht zou komen. Maar baron Wilhelm Leopold Colmar von der Goltz, gouverneur-generaal van de bezettingsmacht, gaf op 16 oktober 1914 schriftelijk te kennen de hulp uit Amerika te begroeten en garandeerde daarbij tevens dat de hulpgoederen uitsluitend voor de Belgische bevolking bestemd zouden blijven. Gecontroleerd via een uitgekiend systeem van verkooppunten kwam het leeuwendeel ook inderdaad bij de Belgen zelf terecht. Wat zij er daarna mee deden, is een ander verhaal, maar dat was dan niet meer het probleem van Hoover en consorten. Zij hadden aanvankelijk een heel ander probleem en daarmee hielp die deftige monsieur van de Société Générale de Belgique, die bankier Francqui.

Hoe moest deze enorme hulporganisatie aan het nodige geld komen? Die vraag werd aan de Belgische regering voorgelegd die in ballingschap in Le Havre, Noord-Frankrijk verwijlde. Het probleem was al snel uit de wereld geholpen. De Belgische staat zou de voedselhulp financieren, mede op grond van leningen bij Francqui’s bank natuurlijk, of leningen bij de Amerikanen, en Hoover zou met het beschikbaar gestelde geld in Amerika raad weten. Dat klopte! Hoovers hoofdrol bij de Commission for Relief in Belgium (CRB) was die van inkoper. Hij speelde het zoals het een voortvarend zakenman betaamd. Hij kocht vliegensvlug enorme partijen graan en meel van Amerikaanse boeren op en verrichtte die humanitaire daad in een periode waarin de voedselnood in Europa nog niet echt schrijnend was. De prijs voor al die agrarische producten was nog betrekkelijk laag. Maar naarmate de oorlog langer duurde, stegen de voedselprijzen op de wereldmarkt. En zo werd bij de verkoop aan de Belgen steeds winst gemaakt, waarbij onze monsieur Francqui, die voor de verkoop mocht zorgen, als zakenman wellicht zijn beste tijd ooit beleefde. Het CRB werd voor een gering aantal mensen een goudmijn, niet in de laatste plaats voor de gewezen mijnbouwer Hoover, die voor zijn harde werk geen salaris verlangde. Dat gaf hem het beste decorum de reddende engel van België te zijn. Hij, Mr. Hoover, die grootmoedige Amerikaanse filantroop. En hij, Francqui, die bankierende Belgische victualiënventer.

Hoover + Francqui (xkl) © 2014 J.J. Wielaert

Goed, dat is wat scherp geformuleerd. Men kan ervan denken wat men wil, maar dankzij deze twee ondernemers heerste er tijdens de Eerste Wereldoorlog in België geen onoverkomelijke hongersnood. De Amerikaanse uitbuiter en de Belgische uitbater kweten zich voorbeeldig van hun werken van barmhartigheid. Boze tongen hebben later beweerd dat de oorlog hierdoor gerekt werd, want zonder de Relief in Belgium hadden de Duitsers een enorm extra probleem gehad en waren in Duitsland en bij het Duitse leger veel sneller voedseltekorten ontstaan. Dat is theoretisch denkbaar, maar feitelijk gezeur achteraf. Met hypothetische redenaties als ‘had de hond de kat gebeten, dan was de muis niet weggerend’ valt weinig te bewijzen. Het rekken van de oorlog was in elk geval niet de opzet van Hoovers humanitaire interventies. Dat de oorlog langer dan verwacht duurde, was hooguit een lateraal gevolg van zijn zaken doen in gebrek, net zoals dat voor de wapenindustrie gold. Had de Amerikaanse industrie de Europese geallieerden niet voortdurend met wapentuig en voedsel bevoorraad en had de Amerikaanse bankier J.P. Morgan hen daarvoor niet honderden miljoenen dollars geleend, dan was de oorlog in West-Europa snel afgelopen geweest. Maar afdwalen in die materie is misschien beter iets voor later. Laten we eens overwegen wie er verder nog aan de Relief in Belgium verdienden.

Om te beginnen moest al het Amerikaanse meel ingescheept naar Europa gebracht worden. Dat kostte niet niets. Het kwam allemaal in de haven van Rotterdam aan, omdat de haven van Antwerpen geblokkeerd bleef. De CRB opende al gauw een kantoor in de Rotterdamse haven om de zaken te kunnen coördineren. Hier werd een compleet team werkzaam, dat er zijn boterham mee verdiende. Ontscheping en tussenopslag in Rotterdamse loodsen was uiteraard niet gratis. Besef daarbij steeds dat het jaren lang om honderdduizenden tonnen meel ging. Dit bood fijne werkgelegenheid. En dan moest het vervoer naar België nog gedaan worden. Daar werd het meel vervolgens in speciale winkels met winst aan de burgers verkocht. En daar had bankier Francqui de hele charitatieve business onder zijn hoede. Laat het duidelijk zijn. Het woord “hulp” als in “voedselhulp” betekende niet meer of minder dan dat er handig gejongleerd werd om ervoor te zorgen dat er voedsel voor de Belgen was. Maar dat betekende niet dat het Amerikaanse meel gratis bij de Belgen belandde. In tegendeel. Er werd in een handelsketen die van de korenvelden in Amerika tot in de kleinste dorpen in België reikte constant geld verdiend. Dàt is wat men voedselhulp noemt. Er zijn miljoenen in het spel als voor rampgebieden grootschalige hulpprojecten georganiseerd worden.

Toch deed Hoover als energieke organisator bewonderenswaardig menslievend werk. Zijn hulpbetoon staat buiten kijf, maar het zakelijke aspect moet daarbij niet over het hoofd gezien worden. Amerikaanse agrariërs hebben hem op handen gedragen, want hij hield maar niet op hun oogsten in hulpprogramma’s te verpakken. Het ging pas mis toen omstreeks 1927-1928 wereldwijd de prijzen op de graanmarkten kelderden. Dat kwam onder meer door de Sovjets, die hun graanoverschotten begonnen te dumpen. Hoover zette door als verlosser en werd president van de Verenigde Staten. De gevolgen van de Wall Street Crash in 1929 wist hij echter niet op te lossen en dus keerde hij, nadat Franklin D. Roosevelt in 1933 aan de macht gekomen was, terug naar business as usual.

Hoover + Hitler © 2014, J.J. Wielaert

Waar anders dan over alimentaire voorziening converseerde Hoover, toen hij op 8 maart 1938 in Berlijn een gesprek met Adolf Hitler had? Dat onderhoud vond nota bene plaats toen de al gepensioneerde Shell directeur Deterding bezig was met zijn eigen voedselhulp aan Nazi-Duitsland. Het was destijds aan de Duitse eettafels niet al te best gesteld, want Hitler gaf nogal veel aan wapenproductie uit. Vlak nadat hij daarmee in 1939 Polen overrompeld had, begon Mr. Hoover weer een hulporganisatie, de Commission for Polish Relief. Die CPR organiseerde in feite hetzelfde als in de Eerste Wereldoorlog met de Commission for Relief in Belgium het geval was geweest. De verplichting van de Duitse bezetter voor Polen te zorgen werd door Hoovers CPR materieel verzacht en in ruil daarvoor kon hij als hulpapostel weer eens voor de afzet van Amerikaanse producten gaan zorgen. Net zoals hij dat in 1914-1917 in België gedaan had en daarna, in 1921, Ierland en in Rusland.

Al met al ging het bij Mr. Hoover steeds om een eenvoudig zakenmodel. Hij wist van zijn vroegste loopbaan in China wat het betekende als mensen hongerden, maar wou dat later niet meer weten. Hij keerde in 1914 in zijn hoofd de lepel om. Hij zag in het verhelpen van voedseltekort iets zitten om zich voor in te zetten. Daarmee zou evengoed geld te verdienen zijn. Het maakte Hoover feitelijk nooit uit waar het politiek over ging, maar hij moet wel als een liberal, een vrij zakenman, gezien worden. So what!? Deed hij iets verkeerd? Waar Mr. Hoover was, was minder honger. Dat was mooi. En waar honger was, daar verscheen vaak ook Mr. Hoover. Te beginnen met België vanaf oktober 1914.

En monsieur le banquier Émile Francqui? Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog steenrijk en zou nog het ongekroonde staatshoofd van België genoemd gaan worden. Laten we dus zijn rol in Belgisch Congo maar vergeten, toen hij geen bankier maar militair was in het leger van de afgrijselijke massamoordenaar Leopold II, koning der Belgen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com