Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Allereerst deze meesterlijke spotprent van politiek tekenaar Pieter van der Hem. Zie overigens twee andere cartoons van hem in het weblog van oktober 2016 en april 2017. In deze uit ‘De Loods’ van 15 mei 1919 stelde Van der Hem, een neef van Mata Hari, op indringende wijze de zogenaamde ‘Vrede van Versailles’ aan de kaak. Klik op de afbeelding voor de details!

We zien een tot uitputting afgepeigerd Duitsland getergd worden zich eigenhandig te straffen. De arrogante vingerwijzing van de Franse president Georges Clemenceau en de Amerikaanse president Woodrow Wilson dwingt de zelfkastijding af, met vredespalmen in hun andere hand. Duitsland ziet er verloederd en uitge­mergeld uit. Dat was ook zo. Terwijl de wapens al sinds 11 november 1918 zwe­gen en de naar Nederland gevluchte Duitse keizer comfortabel bij Godard graaf van Aldenburg Bentinck in kasteel Amerongen huisde, stierven in de eerste helft van 1919 nog steeds tienduizenden onschuldige Duitse burgers van de honger. De zegevierende geallieerden zetten na de overwinning namelijk hun voedselblokkade voort om het verslagen Duitsland bij de vredesonderhandelingen zo laag mogelijk op de knieën te dwingen. Zie over die schandalig onmenselijke praktijken The Politics of Hunger – The Allied Blockade of Germany 1915-1919 van C. Paul Vincent. Tegelijkertijd teisterde de Spaanse Griep de hele planeet. Wereldwijd eiste deze moordende pandemie naar schatting 50 tot 100 miljoen doden.

In Duitsland was in de Novemberrevolution de republiek uitgeroepen met de socialist Friedrich Ebert als eerste Rijkspresident. Toch lag volksoproer constant op de loer, ontaardend in burgeroorlog. De Spartakusaufstand in Berlijn, januari 1919, honderd jaar geleden dus, werd door Duitse legereenheden bloedig neergeslagen. De door machtige grootindustriëlen en bankiers gesteunde Antibolschwistische Liga van Eduard Stadtler deed een flinke duit in het zakje om het Bolsjewisme uit te roeien. Handlangers van officier Waldemar Pabst vermoordden de leiders van de Spartakusbund, Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, maar toch; de geest was uit de fles. In vele Duitse steden grepen communisten de macht, onder andere in München, Augsburg, Braunschweig, Bremen en Mannheim. De Radenrepublieken was maar een kort bestaan beschoren. Het Duitse leger, ondersteund door wilde vrijkorpsen, was tot mei 1919 druk doende deze ultralinkse volksopstanden gewelddadig de kop in te drukken. Daarbij vielen zo’n 5000 doden. Gele hesjes droegen de opstandelingen niet, maar de strijd ging destijds om hetzelfde; sociale rechtvaardigheid.

Tegelijkertijd werd in die roerige maanden in Parijs over vrede onderhandeld, op 28 juni 1919 uitmondend in het beruchte Verdrag van Versailles. Duitsland kreeg de schuld voor de Eerste Wereldoorlog toegeschoven om uitsluitend die natie verantwoordelijk te kunnen maken voor de in België en Noord-Frankrijk aangerichte schade. Deze clausule was een juridische truc, want zowel de Britten als de Fransen hadden op alle fronten evenveel verwoest. Waarom zou alleen Duitsland herstelbetalingen moeten plegen? Bovendien, had men even vergeten dat in 1914 de vlam in de pan schoot omdat Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië had verklaard? Maar de schuldvraag over wie de Eerste Wereldoorlog écht begon kwam niet aan de orde. Er werd doodeenvoudig vastgelegd dat Duitsland alle schuld had, al ontbrak het nodige bewijs. Honderd jaar later kan men bladeren in een groeiende bibliotheek boeken die de Duitse schuldigheid aan de Eerste Wereldoorlog nuanceren. Zie onder meer De andere waarheid van J.H.J. Andriessen, bovendien Europe’s Last Summer – Who started the Great War in 1914? van David Fromkin en Hidden History. The Secret Origins of the First World War van Greg Docherty en Jim Macgregor.

Waar het na afloop van de hemeltergende ramp die de Eerste Wereldoorlog was feitelijk vooral om ging: Frankrijk en Engeland zaten diep in de schulden bij Amerikaanse bankiers, bij John Pierpont Morgan met name, de voornaamste financier van de geallieerden, die zijn investering in de oorlog nu terug wou zien. Zie de uitmuntende studie van Aris Gaaff, Financiering van de Eerste Wereldoorlog – vier jaar vechten op krediet (2014) en Reparationen und Rüstungen (1931) van Benedikt Kautsky. Duitsland moest dit schuldenprobleem achteraf maar voor de Britten en Fransen gaan opknappen. Voldoen aan de herstelbetalingen was voor Duitsland echter al net zo onmogelijk. Allengs werden de utopisch hoog gestelde eisen teruggedraaid. Na veel touwtrekken was in mei 1921 de definitief te betalen som vastgesteld op 132 miljard Goldmark, neerkomend op ca. 47.312 ton goud. Hoe ongelofelijk het ook moge klinken: Duitsland betaalde de laatste schulden uit de Eerste Wereldoorlog pas in 2010 af. Het is begrijpelijk dat er van begin af aan nijdige propaganda over ontstond, ook gezien het feit dat Duitsland veel territorium moest afstaan. Daarnaast pikten de geallieerden in 1919 alle Duitse koloniën in en zo nog veel en veel meer.

Ook daarom was er in 1919 feitelijk bitter weinig vergoeding van Duitsland te verwachten, wat Pieter van der Hem weer tot een spotpret inspireerde. Een catastrofe zou het dus nog worden, die martelende ‘Vrede van Versailles’. Niemand minder dan economisch expert John Maynard Keynes waarschuwde in The Economic Consequences of the Peace (1919) dat een volgende oorlog te verwachten zou zijn als de overwinnaars Duitsland financieel zo buitensporig driest in de mangel zouden nemen als zij dat daadwerkelijk besloten te doen. Een volksmenner genaamd Hitler nam de honneurs waar hiertegen op te treden en zo kreeg Keynes zijn gelijk.

Op 5 januari 1919 was in München de Deutsche Arbeiterpartei (DAP) opgericht. Adolf Hitler, die in het eerste jaar na de wapenstilstand van 11 november 1918 dienst deed als politieke spion en informant van het Duitse leger, sloot zich in september 1919 bij de DAP aan. Zonder de oogluikende toestemming van zijn mentor op de achtergrond, generaal Erich Ludendorff, was dit ondenkbaar geweest. Hitler – zie onder een foto uit 1921 – werd in 1919 nog door het leger betaald en mocht zich niet actief met politiek inlaten. Niettemin zou hij de splintergroepering die hij met felle toespraken bekendheid gaf op 24 februari 1920 in Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) omdopen en er zelf de leider van worden. Zo legden ultra reactionaire elementen uit de Duitse legerleiding de kiem voor de Tweede Wereldoorlog.

Terug naar nieuwjaar 1919, nu honderd jaar geleden. Vooral in het noorden en noordoosten van Frankrijk, maar ook in het uiterste westelijke puntje van België lagen hele landstreken er perfect desolaat bij. Er kwam op kleine schaal een macabere vorm van toerisme op gang: slagveldje kijken, nu het na de wapenstilstand eindelijk kon. Kom op, we gaan naar de loopgraven bij Verdun, en kijk aan, we bezichtigen de puinhopen in en om Ieper! Voor het oog was de onbeschrijfelijke verwoesting een eclatante sensatie, voor wie het wou gaan bekijken althans, maar voor het reukorgaan – men moet dat terdege beseffen – was de gewaarwording hier en daar weerzinwekkend penetrant. De walgelijke stank van rottend mensen- en paardenvlees hing kort na de wapenstilstand nog in de lucht. Hoe onaangenaam moet het bovendien geweest zijn op de slagvelden over menselijk gebeente te struikelen. Dit verwerpelijk voyeuristische toerisme was niet eens zonder gevaar. Het landschap was bezaaid met niet ontplofte projectielen. Miljoenen bommen en granaten hadden de aardbodem omgeploegd en in vele dorpen stond geen steen meer op de andere. Het Belgische Ieper, net al genoemd en niet eens een dorp maar een kleine stad, was één grote puinhoop. Van Passendaele was letterlijk niets meer over. Dit gehucht even ten noordoosten van Ieper was een kraterlandschap geworden waar men zich op de maan kon wanen, ware het niet dat in al die kuilen naar bloed stinkend water stond.

Het zal Jean Gustave Schoup geen deugd gedaan hebben, maar hij was daar destijds niet en had de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog nauwelijks meegemaakt. Toen de slachting die ruim 8,5 miljoen militairen en evenveel paarden het leven kostte eindelijk afgelopen was, baarde zijn persoonlijke overlevingsslag hem andere zorgen dan over de verre en vroegere slagvelden na te denken. Nog maar koud succesvol gesetteld als economisch journalist in Nederland werd hij in de laatste maanden van 1918 naar België gerepatrieerd. Het duurde voor hem niet lang. Op 28 februari 1919 trouwde hij in Den Haag de officiersdochter Theodora Maria Uhl die hij vermoe­delijk in Gouda had leren kennen. Zo kon hij definitief in Nederland blijven en doorgaan op het pad dat nu pas definitief voor hem open lag; een loopbaan in de handelsjournalistiek!

Weliswaar was zijn medewerking aan het weekblad ‘De Loods’ door de omschakeling van oorlogs- naar vredestijd van de baan geraakt. Dat tijdschrift bleef bestaan, maar een ander had tijdens zijn gedwongen afwezigheid Schoups expertise overgenomen. Door omstandigheden verliest menigeen z’n baantje zo wel eens. Schoup zat niet bij de pakken neer en kreeg in 1919 zelfs meer dan genoeg te doen. Nota bene op zijn trouwdatum kondigde het nieuwe tijdschrift ‘Het Schip’, “veertiendaagsch blad voor scheepsbouw en scheepvaart”, in het colofon van het eerste nummer al de medewerking aan van een zekere “Dr. G.J. Schoup”, die hierin vanaf het tweede nummer inderdaad regelmatig artikelen zou publiceren.

In nog een nieuw weekblad, ‘De Beurs’, zou “Dr. J.G. Schoup, redacteur van het orgaan der Kamers van Koophandel en Fabrieken” zich deskundig over scheepvaartaangelegenheden ontfermen, aldus een folder in krantenformaat die verscheen om abonnees te werven. Het eerste nummer van ‘De Beurs’ van 1 januari 1919 kondigde aan dat een medewerker een reeks artikelen zou beginnen over “Stemmen uit den vreemde”, namelijk over de verhoudingen in de naaste toekomst. “De exporthandel dient immers aan de uitingen in den vreemde aandacht te wijden, omdat hij rekening heeft te houden met de elders bestaande opvattingen”. Zo geschiedde. “Dr. J.G. Schoup” publiceerde voor het eerst in het tweede nummer van ‘De Beurs’, 8 januari 1919. Van zijn hand stond daarin een artikel over kapitaalbelegging.

Zeker is het niet, maar hier is eventueel uit af te leiden dat hij al in Nederland teruggekeerd was, hoewel zo’n bijdrage natuurlijk ook vanuit België per post gestuurd kan zijn. Er volgden in elk geval nog meer artikelen van hem in ‘De Beurs’, tot oktober 1919 aan toe. In dat jaar publiceerde hij tevens in ‘De Toorts’, een “Staat- en Letterkundig Weekblad voor Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika”. De eerste bijdrage van J.G. Schoup in dat blad was het artikel in het nummer van 16 april 1919 “Holland’s economisch belang bij Vlaanderen”. In juni en juli 1919 publiceerde hij bovendien twee bijdragen in het blad ‘In- en Uitvoer – Handels-Economisch Weekblad voor Nederland en zijne Koloniën’.

We mogen al met al constateren dat de Belgische deserteur uit 1914 na flink wat strubbelingen te hebben doorgemaakt zich in 1918-1919 mooi had weten te redden. Wát een bizarre toestanden had hij achter de rug! Het zal je maar gebeuren! Je werkt in de Antwerpse haven maar wordt in 1913 opgeroepen voor Militaire Dienst. Je gaat dienen bij de grenadiers in Brussel, een zware berenmuts op je hoofd. In augustus 1914 wordt het onverhoopt menens: je moet de Eerste Wereldoorlog in marcheren, eindeloze veldtochten maken, te voet, tot bloedens toe. Drie keer slaags raken met de vijand moet je, ook dat nog. Maar je hebt geluk. Je raakt licht gewond, een granaatsplinter in je arm, meer niet. Tijdens de slag om de stelling Antwerpen neem je de benen, op de vlucht, naar het vrije, neutrale Nederland! Als deserteur kom je daar aan en al gauw zit je vast in het tentenkamp voor Belgische militairen te Harderwijk. ’t Is er guur, koud en nat in oktober 1914. Je krijgt een zompige zak stro om op te slapen. Smerig is het er vooral, geen toilet of douche te bekennen. Elke geïnterneerde soldaat stinkt een uur in de wind en tot overmaat van ramp breekt tyfus uit.

Je weet in november 1914 aan deze kille hel te ontkomen en in Rotterdam een baan als klerk te bemachtigen bij de Commission for Relief in Belgium, dankzij je contacten uit de Antwerpse scheepvaartwereld. Je maakt in september 1915 een misstap, moet vanaf november 1915 acht maanden in de Rotterdamse gevangenis slijten. Je komt in juli 1916 vrij, maar terug naar het kamp in Harderwijk wil je niet. Als illegaal in Rotterdam verblijvende Belgische soldaat kom je niet aan de bak. In nijpend geldgebrek belandt je bij dezelfde Duitse spionagedienst die Mata Hari bezoldigde. De vreemdelingenpolitie pakt je echter eind oktober 1916 op en in november 1916 wordt je toch wéér in het Interneringsdepot Harderwijk vastgezet. Het valt mee: het kamp blijkt tot een houten dorp uitgegroeid te zijn, groter dan Harderwijk zelf. Je kunt je er te pletter vervelen, zeker, maar wie meer wil, kan er z’n talenten ontwikkelen en liefhebberijen botvieren. Toneelspelen, lezingen en les geven, Nederlands, Frans, Engels, zelfs Duits!

Je toont je een bekwaam onderwijzer en wordt daarom eind april 1917 naar Gouda overgeplaatst, naar het vluchtoord voor Belgische burgers, die daar in bloemkassen bivakkeren. De eigenaar van dat bedrijf maakt van zijn nood een deugd. Vanwege de oorlog is de handel gestopt. Dan maar Belgen in plaats van bloemen. De Nederlandse staat betaalt de huur van de kassen. Je houdt het in Gouda een jaar vol, maar mag eind maart 1918 naar Scheveningen om als journalist voor het nieuwe weekblad ‘De Loods’ het buitenlands nieuws te gaan verslaan. Je wordt in augustus 1918 ook nog redacteur van het weekblad van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en verhuist dan half oktober 1918 naar de Schouwweg 20 te Wassenaar, om daar, naast al het geschrijf, privé-docent te worden. Zo wil je graag doorgaan, maar dan, op 11-11-1918, is om 11 uur plotsklaps de Eerste Wereldoorlog voorbij! Wat een domper, het ging nou juist zo goed, eindelijk! Niets aan te doen, je wordt gerepatrieerd naar België, wég is meteen alles wat je in Nederland opgebouwd had! Ook de in Frankrijk en België gelegerde Duitse soldaten gaan terug naar huis. Men vervloekte ze in het Frans scheldwoord boche, in het Nederlands is dat mof.

Dit weblog, dat overwegend steeds de stappen volgde die Schoup honderd jaar geleden zette, komt daarmee ook tot een eind. Met dank voor alle aandacht in 2014 (2181 views, 397 bezoekers), in 2015 (2622 views, 801 bezoekers), in 2016 (2727 views, 974 bezoekers) in 2017 (2732 views, 1155 bezoekers) en in 2018 (2541 views, 1419 bezoekers). Een stijgende lijn van belangstelling afkomstig uit Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Zwitserland, Ierland, Spanje, Portugal, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Finland, Polen, Letland, Estland, Rusland, Oekraïne, Zuid-Afrika, Curaçao, Israël, Argentinië, Chili, Maleisië, Albanië, Singapore, Costa Rica, Canada, USA, Hong Kong, India, Indonesië, Nieuw-Zeeland, Japan, Australië, Servië, Griekenland, Kroatië, Nigeria, Benin, Marokko, Thailand, Turkije, Panama, Ivoorkust, Saoedi-Arabië, Egypte, Bulgarije, Tsjechië, Slowakije, Réunion, Costa Rica, Mexico en Colombia!

Al die lezers hebben de afgelopen vier jaar kennis kunnen maken met de bewogen levens van Jean Gustave Schoup tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat zou zo voortgezet kunnen worden, maar dan eindigt dit weblog pas in juni 2044, de maand waarin Schoup dan honderd jaar geleden op gruwelijke wijze door Rotterdamse verzetslieden om het leven gebracht werd.

Wie daar het fijne over wil weten, is aan te raden de biografie ter hand te nemen, waarin ook al het weder- en wetenswaardige over wat Schoup in het Interbellum beleefde uitgebreid aan de orde komt. Chronologisch gaat het na afloop van de Eerste Wereldoorlog om zijn avontuurlijke levens als journalist, zakenman, accountant, foute bankier, novellist, oplichter, socialistische romanschrijver, antimilitarist en vredesactivist, vertaler, privé-docent staatshuishoudkunde en, uiteindelijk, in 1944, oprichter van zijn eigen handelsschool!

Die onderneming kwam praktisch niet meer van de grond. Jean Gustave Schoup werd op woensdag 7 juni 1944 door Rotterdamse verzetslieden geliquideerd. Eén van de moordenaars was de zoon van een reder die hij in 1915 bij de Commission for Relief in Belgium gekend moet hebben. Nee, dit levensverhaal is géén schelmenroman, zoals een Nederlandse uitgever eens opmerkte. Het is allemaal waar gebeurd, zoals een krantenknipsel uit juni 1944 toont.

Herlees: https://jeangustaveschoup.wordpress.com/

Van de biografie over de bewogen levens van de Belgische avonturier Jean Gustave Schoup zijn nog maar 18 exemplaren beschikbaar.

Advertenties