Tags

, , , , , , , , , , , , , ,

luwe

Dit weblog gaat over de vraag of er wéér een vroege foto van J.G. Schoup opgedoken is. Het behandelt ook de inhalige praktijken van Nederlandse oorlogsprofiteurs en de achtergronden van hun profijt in 1914-1918. Op de onderstaande prent staat minister van landbouw, handel en nijverheid Folkert Posthuma (1874-1943) die tijdens de Eerste Wereldoorlog belast was met het distributiesysteem van voedsel. In die tijd kwamen termen als eenheidsworst en regeringsbrood tot leven.

DNA 15-5-1916

Maar eerst Jean Gustave Schoup. In het vorige weblog bleek dat hij van het Interneeringsdepot Harderwijk naar het Vluchtoord Gouda verhuisde. Belgen in broeikassen. Geen pretje in de zomer, wel warm in de winter. Het is niet duidelijk wat hij in Gouda te zoeken had, maar vermoedelijk gaf hij daar les en het is vrijwel zeker dat hij in Gouda zijn aanstaande vrouw leerde kennen.

Meer weten we niet. Mooie gelegenheid dus om nog eens een gezicht op een foto te analyseren. In het weblog van 26 oktober 2014 prijkt een prent van geïnterneerde Belgische soldaten achter prikkeldraad. De centrale figuur intrigeert met zijn opvallende gelaatstrekken. Wie is dat daar met zijn horlogeketting, die met een vinger het prikkeldraad aanraakt en met zijn priemende blik de fotocamera doorboort?

De foto was in 2014 te zien op een expositie over Belgische vluchtelingen. Het zou zeer toevallig zijn als deze soldaat nou juist Schoup is. Maar toeval is vaker voorgekomen, zoals bij het onverwacht opduiken van zijn exlibris, beschreven in het weblog van 1 januari 2017. Zomede was het een poging waard opnieuw portretten met elkaar te vergelijken. De resultaten zijn hieronder te zien.

Naast elkaar staan drie foto´s gegroepeerd. Links gaat het om Jean Gustave Schoup als jongeman. Het is dan ca. 1912 of 1913. Zie voor die foto zonder overlay pagina 49 van de biografie. In het midden het gezicht van de onbekende soldaat. Zie voor de hele foto het weblog van 26 oktober 2014. Rechts tenslotte Jean Gustave Schoup zoals hij eruit zag in 1916, met overlay. Deze foto werd pas na publicatie van de biografie ontdekt. De beeltenissen zijn op gelijk gezichtsformaat gebracht. De soldaat lijkt ietsje magerder te zijn. Dat is geen wonder, want hij zal de eerste maanden van de Groote Oorlog meegemaakt hebben, waarin de Belgische soldaten uitzonderlijk veel moesten marcheren en de fouragering minder hard liep. Over de linker en de rechter foto is een selectie van de gelaatstrekken van de soldaat gelegd.

De vraag blijft: is deze soldaat achter prikkeldraad Jean Gustave Schoup? Dit is op deze manier niet onomstotelijk vast te stellen. Ten eerste is onbekend of de foto in het kamp in Harderwijk werd gemaakt, maar bovendien ontbreekt een profielfoto van de soldaat. Daarmee zou het kinderspel geweest zijn, zoals in het weblog van 1 oktober 2015 blijkt. Maar om Schoup als soldaat aan de hand van de twee andere frontale foto´s te identificeren, is meer dan wat gerommel met Photoshop nodig. Bij een gelijksoortige poging tot identificatie – zie het weblog van 1 januari 2016 – was zelfs dat nog met vrij grote zekerheid positief te doen vanwege kledij, hoed en knevel. In dit geval echter moet er geavanceerdere technologie voor gezichtsherkenning aan te pas komen.  En toch… de lezer mag het nu al zelf uitmaken. Issie het, of issie het niet?

Afgezien van deze prangende vraag, zullen we weer even stilstaan bij actualiteiten van zo´n honderd jaar geleden. De vredesonderhandelingen van Duitsland met de bolsjewieken, de nieuwe leiders in Rusland, liepen nog, maar het Duitse leger dat aan het oostelijke front had gestaan kon nu in het westen ingezet worden, tegen de Britten, de Fransen en de Amerikanen. Voorbereiding voor die beslissende slag waren in volle gang. In ons neutrale thuisland was daar uiteraard niets van te merken. Althans, niet zo, niet met krijgsgeweld, maar de wereldoorlog ging niet ongemerkt aan ons voorbij.

Hebzuchtige handelaren waren al vrij gauw na het uitbreken van de vijandelijkheden begonnen goederen op te kopen waarvan te verwachten was dat er tekorten zouden ontstaan. Er werd ook vrijwel meteen leuk verdiend in de illegale handel, of dat nou met de Duitsers of met de geallieerden was. Smokkelarij vierde hoogtij.  Het Duitse leger kon wel wat van ons gebruiken, niet alleen voedingsmiddelen of oude metalen, maar ook, om maar wat te noemen, paarden.

Zo trad vanaf 1915 de oorlogswinstmaker op het wrange toneel, de zgn. OW´er, en naarmate gewone producten als aardappelen of kolen inderdaad schaarser werden, kwam er steeds fellere kritiek op dat soort sluwe uitbuiters. De gewone man begon allengs in toenemende mate alledaagse dingen te missen, ook al omdat invoer van wat we zelf nodig hadden door de oorlog werd belemmerd. Dat bracht met zich mee dat boeren steeds hogere prijzen voor hun producten gingen vragen. Maar al dat profiteren van de oorlogssituatie ging uiteindelijk zomaar niet. De staat wou er ook van snoepen. In 1916 werd de oorlogswinstbelasting (OWB) ingevoerd. Dat ging met terugwerkende kracht, dus wie zijn winst al uitgegeven of geïnvesteerd had, moest maar zien hoe hij de Nederlandse staat financieel ter wille kon zijn.

Tegelijkertijd werden de doodgewoonste dingen steeds duurder en dus verarmde de bevolking evenredig met de verrijking die de boeren, de handelaren en de staat mochten genieten. Albert Hahn (1877-1918) en Leendert Jordaan (1885-1980) maakten er voor o.a. ´De Notenkraker´ navrante spotprenten over.  Het meest nijpend van alle oorlogsjaren was de ellende in de grote steden tijdens de winter van 1917-1918, nu dus 100 jaar geleden. Lange rijen voor de aardappelwinkels die dagelijks uitverkocht raakten, zodat degenen die te laat in de rij waren gaan staan met niets thuis kwamen en op een houtje konden gaan bijten, als ze dat houtje hadden. In de kolenhandel trad pijnlijke schaarste op, zodat er nogal veel ander brandbaar materiaal verstookt moest worden om geen kou te lijden of om te kunnen koken.

Onder het kopje Brandstoffennood schreef de ´Leeuwarder Courant´ op 27 november 1917: “Vooral de minder gegoeden, die zich wegens gebrek aan geld en bergplaats van geen noemenswaardige voorraden hout en turf hebben kunnen voorzien, zullen vrij spoedig slachtoffer van gebrek aan brandstoffen worden. Op velerlei wijzen, o.a. door het maken van eigen briketten, van papierballen etc, en door het in den handel brengen van kachels, welke speciaal voor het branden van zaagsel e.d. geschikt zijn, wordt getracht den komenden nood te lenigen.”

Papierballen? Voor wie wil weten hoe je daarmee de winter van 2017-2018 doorkomt, slaan we de ´Middelburgsche Courant´ van 7 augustus 1917 op. Het artikeltje Denkt om de papierballen! beschreef het recept dat ook nu nog redding tegen de kou kan brengen. Het begint als volgt: “Er wordt heel veel gezucht over de brandstoffen-misère, die dezen komenden winter dreigt.” De mensen moeten niet zo zeuren, dat was de boodschap. Gewoon handen uit de mouwen steken om goed voorbereid te zijn, want: “… wordt er wel genoeg aan gedacht, dat het nu de beste tijd is om de papierballen te maken, die in den afgeloopen winter zoovelen geholpen hebben?”

Kennelijk niet, dus de ´Middelburgsche Courant´ drukte alvast af hoe het ook alweer in zijn werking ging. “Wie een goede voorraad wil hebben, moet lang van te voren beginnen. En bovendien is ´t nu nog vacantie. Men kent het recept: couranten los in zout water leggen, ze dan tot ballen kneden, heel vast! en dan ze goed laten drogen. Ballen die van binnen nat zijn, verliezen hun samenhang zoodra ze in ´t vuur komen, omdat dan de spankracht van de binnenin opgewekte waterdamp ze uiteen doet zetten. En dan verteren ze veel te gauw.”

Volgens ´De Tijd´ kon het best eenvoudiger. Op 10 september 1917 maakte het katholieke dagblad de lezers attent op de noodbriketpers. “Papieren briketten – Wij vestigen aandacht op een advertentie in dit nummer, waarin mededeelingen gedaan worden over een papierbrikettenpers. Reeds den vorigen winter is door velen met succes toegepast het maken van papierballen in zout water gedrenkt. Het eenvoudige persje maakt het ballen maken overbodig. Men doet het geweekte papier in de pers, draait deze stijf dicht en perst het papier aldus in den vorm van een briket.”

Dat is dus de oplossing voor elk toekomstig winters ongenoegen: terug naar de allesbrander en papierballen in plaats van oliebollen! Maar dan moet je aan oude kranten kunnen komen, en aan zout, want anders heerst er een gebrek aan grondstoffen voor dit brandstofwonder. Dat was ook een probleem met de papierbriketten. Er was door de crisis steeds minder papier en ja, misschien is huis en haard zo wel warm te stoken, maar hoe zit het dan met het dagelijks brood? Dat was ook niet best in deze tijden van oorlog. Direct onder het productieproces van papierballen publiceerde de ´Middelburgsche Courant´ dat het broodrantsoen in Den Haag weer verminderd was, midden in de zomer nota bene! Er was besloten “wegens het uitblijven van ladingen tarwe en meel, over eenigen dagen het broodrantsoen te tweeden male te verminderen. Het dagelijkse broodrantsoen wordt van 311 op 254 gram teruggebracht”.

Nogal dubieus te noemen is het feit dat de Nederlandse staat met die oorlogswinstbelasting ter hoogte van wel 30% van de misstanden meeprofiteerde. Nou ja, misschien is dat toch zo raar niet, want waar poen te halen valt is de staat er ook nu nog als de pikken bij. Wie bijvoorbeeld van zijn zuur verdiende geld iets opzij kan leggen, voor de zekerheid of voor een grote aanschaf misschien, wordt vanaf een grensbedrag voor zijn zuinigheid bestraft met vermogensbelasting. Het is een vorm van roof, want diegene heeft op zijn verdiensten eerder al inkomstenbelasting betaald. De staat heeft echter ook geld nodig voor allerlei doeleinden waar de burger dan weer profijt van trekt. Dus laten we niet in belastingfilosofie verstrikt raken en blijven stilstaan bij de Eerste Wereldoorlog waarvan de gevolgen ook in Nederland voelbaar waren, al deden we er militair gezien niet aan mee.

Het moorden duurde nu al meer dan drie jaar. Zou het ooit ophouden? Wie zou de bloeddorstige titanenstrijd gaan winnen? De Duitsers, dan toch? Nou nee, ook in Duitsland werd het tekort steeds groter. In de beruchte Kohlrübenwinter van 1916-1917 kwamen al tienduizenden arme zielen om van de honger en de kou. Hierdoor steeg de bereidheid tegen het wapengekletter te gaan staken. Dit diende de Duitse wapenindustrie een gevoelige slag toe en het werd evident dat het niet veel langer meer kon duren voordat de hele Duitse samenleving ontwricht zou raken door nóg meer stakingen, opstanden en wellicht zelfs een revolutie zoals Rusland die vertoonde.

Zo ging de wereld en ook Jean Gustave Schoup weer een jaar vol duistere toekomst tegemoet. In een meesterlijke spotprent liet tekenaar Jordaan op 22 december 1917 in ´De Notenkraker´ een Engels en een Duits skelet klinken op Kerst en Nieuwjaar. Proost!

Blijf volgen: https://jeangustaveschoup.wordpress.com/

Van de biografie over Jean Gustave Schoup zijn nog slechts 21 exemplaren beschikbaar.

Advertenties