Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Het vorige weblog presenteerde het “Belgenkamp” te Harderwijk anno 1917 als een oord met de nodige onderkomens en voorzieningen om een menswaardig bestaan te waarborgen, maar ook als dynamisch dorp met allerlei moois dat diende – in archaïsch taalgebruik – “tot leering ende vermaak”. Met een lezing voor de Studiekring droeg J.G. Schoup in januari 1917 een steentje bij aan de lering. Hij deed dat misschien vaker, maar daarover is verder niets gebleken. Wel bleek dat hij in dezelfde periode ook aan het vermaak meewerkte.

De mateloze verveling die aanvankelijk in het kamp heerste, kon op den duur niets anders dan onvrede met zich meebrengen. Daar moest iets tegen gedaan worden. Het was pure noodzaak activiteiten op touw te zetten. Dat groeide min of meer als een organisch proces: de 13.000 geïnterneerden wilden de onafzienbare tijd die ze hadden nuttig of aangenaam kunnen besteden, of dat nou met werk, scholing, sport of spel zou zijn. Als vanzelf ontstonden er dus initiatieven die de kampleiding facilitair en financieel mogelijk maakte. Om maar wat te noemen: de drukpers om het kamptijdschrift ‘Inter-Nos-Revue’ te kunnen maken kwam niet uit de lucht vallen. Een faciliteit als de grote toneelzaal is evenmin vanzelfsprekend. Harderwijk zelf had zoiets niet eens. Dankzij het initiatief van de Belgische soldaten en de financiering kwam het er allemaal. In het kamp wel te verstaan, niet in Harderwijk. Daar stond vast wel meer dan maar één drukpers, maar het ontbrak de gereformeerde Harderwijkers aan Belgisch vertier…

De ‘Inter-Nos-Revue’ publiceerde in het eerste nummer van 15 mei 1916 op blz. 20-22 een hele geschiedenis over het ontstaan van de kampschouwburg, geschreven door een zekere Krol. Al op 11 november 1914 had een Nederlandse luitenant die toezicht hield op de bouw van de houten barakken – de Belgen sliepen toen nog in tenten – hem aangespoord op te schieten met het dragen van planken. “Jongen, toe aan het werk nu! Hoe sneller jullie werkt, hoe sneller jullie ook in de loodsen onder dak komt; en hoe sneller jullie zult kunnen gezellige avondjes slijten in de bioscoop.” Dit onthutste Krol, die nog nooit planken gedragen had. Zijn beroep was “pennen-lekken”. Een bioscoop? “Ja, ja, jullie krijgt een bioscoop en daar komt waarschijnlijk nog ’n schouwburg bij”, aldus de luitenant. Deze bioscoop annex schouwburg kwam in de “reusachtige cantines” die gebouwd werden. Er moest wel entree betaald worden, 10 cent, dat was met een soldij van 10 cent per dag even slikken. Maar Krol vond het tof: “Om de acht dagen geeft, elk om de beurt, de Nederlandsche groep Verlinden of de Fransche groep Névry een vertooning. Op de andere avonden worden bioscoop-vertooningen gehouden. Nu en dan kunnen we ons bij wijze van afwisseling vermaken op een plezanten cabaret-avond.”

De ‘Inter-Nos-Revue’ memoreerde in nr. 19 van 15 februari 1917 dat toneelgroep Verlinden op 15 februari 1915 voor het eerst Vlaams toneel opvoerde. Vanaf kerstmis 1915 begonnen de voorstellingen in het kantinegebouw, 700 zitplaatsen! Schoup was toen nog lang niet in het interneringsdepot terug. Zijn spel op de planken van de kampschouwburg kan pas begonnen zijn nadat hij eind oktober of begin november 1916 opnieuw geïnterneerd werd. Het zal niet direct begonnen zijn, maar toch vrij gauw nadat hij het kamp betrad. Voor een theaterstuk zijn immers repetities nodig. Het vroegste bewijs dat Schoup op het podium in kamp Harderwijk stond, stamt al uit januari 1917. Hij begon onder leiding van de acteur en theaterregisseur Jos Verlinden dus twee jaar nadat het toneelgezelschap in het leven geroepen was.

Verlinden was afkomstig van de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg te Antwerpen. Zijn gade Germaine Verlinden-Loosveldt stond hem bij, ook op de planken, telkens weer. Deze actrice was aanvankelijk de enige vrouw die de kampschouwburg met haar spel mocht verrijken. In het beginstadium moest men zich voor vrouwelijke rollen in dit mannenkamp verder met travestie behelpen.

Schoup moet als persoonlijkheid opgevallen zijn, want ja, waren er niet al lang andere lieden die Verlindens toneelstukken opvoerden? Het eerste theaterstuk dat Schoup in het kamp gezien zou kunnen hebben, was Fientje Beulemans, een komedie in twee bedrijven, op 30 oktober 1916 door toneelgroep Verlinden opgevoerd. In de pauzes zorgde Jacques Polfliet voor muzikale intermezzo’s. Deze zou na de oorlog handelaar in muziekinstrumenten en muziekuitgever te Brussel worden, Rue du Midi 57. Nog in het kamp componeerde Polfliet voor piano zijn Marche des Internés Belges, een hommage aan de Nederlandse theatermaker Henri Brondgeest die zich in 1914 bij het Nederlandse reserveleger gevoegd had en als luitenant in het kamp terechtkwam. Misschien is hij de luitenant waar Krol het over had. Brondgeest, al bijna vijftig destijds, stimuleerde activiteiten in de sfeer van cultuur en sport om het soldatenleven in het kamp te veraangenamen en zo de stemming te harmoniseren. Bravo Brondgeest! Applaus!

Zo zie je maar weer: of je in het gewone bestaan drukker, acteur, muzikant, banketbakker, klerk of (zoals Schoup) koopman was, ja welk beroep dan ook: alles was vertegenwoordigd, want van iedereen is een soldaat te maken. Een geweer afschieten is zo moeilijk niet, mits een mens geen gewetensbezwaren heeft er een ander mens mee te doden. In het interneringsdepot hoefde dat niet meer. Deze Belgen hadden geen wapens, laat staan dat ze die nog zouden willen gebruiken. Ze moesten helemaal niets en kregen brood en spelen!

Een voorstelling waarin Schoup zeker meespeelde was Van huis verjaagd, een drama van de populaire Vlaamse veelschrijver César van Cauwenberghe (1870-1936). Waarschijnlijk was dat Schoups debuut als acteur. Het stuk werd op 15 en 16 januari 1917 in de kampschouwburg opgevoerd. De auteur van het stuk was in het publiek aanwezig. De ‘Inter-Nos-Revue’ deed er in nr. 18 van 1 februari 1917 verslag van, blz. 30-31. Vele namen uit het toneelgezelschap passeren daarin de revue. “Mvr. Verlinden-Loosveldt verdiendt aller lof daar zij zich waarlijk opgeofferd heeft om de lange hoofdrol wat leven te geeven. […] M. Jos Verlinden als Manuel van Dijck was goed in zijne rol; hij was de gewenste consul.” Er waren trouwens al meer vrouwen bij. “Mvr. en Mej. Pulteau vertolkten uitmuntend hunne rollen”, oordeelde criticus Bob over die twee actrices. Daarna lezen we van hem: “M. Jos Neuhard was altijd te stijf van houding en te vlug met de tong. M. Ongers lijk altijd goed. M. Cambier weer elegant. M. Schoup netjes…”

Dáár hebben we hem, meneer Schoup! Maar dit is niet de enige indicatie dat hij van de partij was. Deze theatervoorstelling onder leiding van Jos Verlinden werd zowel in als buiten het kamp op affiches bekendgemaakt, want Harderwijkers konden deze voorstellingen ook bezoeken. Op het aanplakbiljet dat het toneelstuk Van huis verjaagd aankondigde, staat Schoup vermeld. Zo weten we zelfs welke rol hij vertolkte. “Gust SCHOUP” genoemd op het plakkaat, vervulde hij de rol van “De Blauwe, Rechter van Instructie”.* Lukte het hem die rol zo “netjes” te vertolken, omdat hij in Rotterdam al persoonlijk met een onderzoeksrechter geconfronteerd was? Of had hij natuurtalent voor toneel? Wie het weet, mag het zeggen. Het één kan met het ander meegespeeld hebben. Bob vond dat hij best knap acteerde. “In gansch het drama zijn er wel enkele toneelen die eenige waarde hebben; onder andere dit tusschen Melie Denys en den onderzoeksrechter, die alhoewel wat langgerekt toch geestig is.”

De ‘Inter-Nos-Revue’ bracht ook kritiek op dit toneelstuk, al kraakte Bob het niet af. Eerder, op 27 januari 1917, ging het ‘Belgisch Dagblad’ veel verder. Niet de toneelspelers, maar vooral de teksten van Van Cauwenberghe moesten het ontgelden. “In ’t algemeen beviel het stuk; jammer is het, dat al de drama’s van den schrijver van De Gebroeders De Graeve, dezelfde moraal hebben, ik durf zeggen bijna dezelfde stof behandelen; lees er een en ge kent ze allemaal.” Er waren volgens dit commentaar te veel spreekwoorden in verpakt die het doorsnee publiek niet kon begrijpen en de criticus vond dat er in dit stuk hinderlijk veel werd gehuild. “Vooral aan het slot van het laatste bedrijf werd al dat geween vervelend – van de tien spelers weenen er negen – en dan duurde dat tooneel nog zoo verschrikkelijk lang.” Vervolgens wordt de kritiek perfect cynisch: “Zoo’n stuk is wel niet slecht voor geïnterneerden – voor één maal wel te verstaan – want eens terug in hun loods, achten ze zich in al hun misère tóch nog een oogenblik gelukkig.” Een gevoel van geluk in contrast met al die jankende acteurs uiteraard! Schoup komt in dit krantenartikel niet voor en de vijftien andere acteurs evenmin. Maar hij zou nog meer lauweren verdienen. Een hoofdrol zelfs! Bravo! Een applausje alvast a.u.b.!

Op het affiche over Van huis verjaagd staat nog een drama van Van Cauwenberghe, te weten Deserteur. Dat stuk werd eerder opgevoerd. De voornoemde toneelliefhebber Krol liet in de ‘Inter-Nos-Revue’ van 15 mei 1916 weten: “We kregen b. v. vóór enkele dagen “Deserteur” van Cesar Van Cauwenberghe. Geen twijfel, het is een (financieel) succes geweest. We hebben aan dat succes meegeholpen, maar zouden zeer tevreden zijn nu ook weer eens van een broksken kunst, innige, ware, diepgevoelde Nederlandsche kunst te mogen genieten.” ’t Was kennelijk erbarmelijk, al die theatrale ellende van Van Cauwenberghe, maar dat ook omdat Verlinden het met amateurs moest doen. Toch zal menig bewoner van het kamp alleen de titel Deserteur al aangesproken hebben. Gedeserteerd waren ze in feite zo ongeveer allemaal, maar Schoup heeft in deze opvoering van mei 1916 geen rol gespeeld. Hij zat toen nog in Rotterdam.

En die hoofdrol dan? Schoup speelde in februari 1917 nog eens in een theaterproductie van Jos Verlinden, De gebroeders Degrave. Ook daarvan is zo’n langgerekt affiche bewaard gebleven, in oranje en gele banen, maar Schoups naam staat er niet op.** Bob, de toneelcriticus van de ‘Inter-Nos-Revue’, was niet goed over het stuk te spreken en nam daarbij de vileine beoordeling van André de Ridder ter hand, Vlaams criticus van ‘De Kroniek’. “Ik van mijn kant”, zo ging Bob verder: “verheug me dat het stuk hier zoo weinig bijval behaalde.” Daarop gaf hij tot slot nog een forse trap na: “De vertolkers van het stuk hebben te goed gespeeld, te veel moeite gedaan om dien draak in het leven te houden.” Zo staat het in ‘Inter-Nos-Revue’ nr. 21 van 15 maart 1917, blz. 38-39. Bob noemt Schoup niet en hij wordt, zoals gezegd, ook niet op het affiche vermeld. In de advertentie met de aankondiging van De gebroeders Degraeve noemde het ‘Overveluwsch Weekblad’ van 24 februari 1917 de namen van de acteurs al evenmin.

Dus hoe weten we dat hij in nog een stuk van Van Cauwenberghe meespeelde? Wie zoekt, vindt soms iets. Het onderzoek naar deze theatergeschiedenis begon in feite met die ontdekking, waarvoor in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag bladzij na bladzij aandachtig de jaargangen van ‘Vrij België’ werden gezeefd. Dat weekblad opende op 9 maart 1917 het commentaar als volgt: Harderwijk – Feestvoorstelling. In een Interneeringskamp ’n drama als “de Gebroeders Degrave” opvoeren is een stout stukje. Op 25 en 26 Februari vierde de Vlaamsche Toneelgroep J. Verlinden haar tweejarig bestaan en de keus was op dit sensatiestuk gevallen”.

Wat voor sensationele materie was dat dan wel? Het ging om het waar gebeurde verhaal van twee Belgische avonturiers, Léonce en Eugène Degrave uit Oostende, die, beschuldigd van moord en zeeschuimerij, in 1894 in Frankrijk ter dood veroordeeld waren, maar “gratie” kregen. De doodstraf werd omgezet in verbanning naar het Duivelseiland in Frans-Guyana, een gevangenis die ook “de droge guillotine” werd genoemd. Vandaar dat ‘Vrij België’ wel mocht zeggen dat het een “stout stukje” was juist dit toneelstuk in het interneringsdepot te Harderwijk op te voeren. In tegenstelling tot het Duivelseiland was op de Veluwe alles immers koek en ei. Weer zullen de geïnterneerden die het stuk bezochten geluksmomenten gevoeld hebben, want zo slecht als wat zich op het toneel afspeelde hadden zij het niet. Maar als het aan Jos Verlinden lag, mocht het kennelijk niet steeds maar om het theater van de lach gaan.

‘Vrij België’ ging op 9 maart 1917 over De gebroeders Degrave uiterst positief verder en schreef: “Over het algemeen moeten we zeggen dat de opvoering ver onze verwachting overtrof. De hoofdrollen in handen der heeren J. Verlinden, G. Schoup, L. Ongers, J. Dumont en O. Seurinckx waren goed bezet.” Zo gaat het artikel lovend door, zonder een spoortje van kritiek. Maar wat meer is: dáár hebben we hem nog eens, die acteur Schoup!

Op 25 en 26 februari 1917 vervulde “G. Schoup” – hij liet zich destijds steeds naar zijn tweede voornaam ‘Gustaaf’ of ‘Gust’ noemen – in de twee opvoeringen ter gelegenheid van het tweejarig bestaan van het toneelgezelschap Verlinden een hoofdrol, terwijl hij pas drie maanden in het kamp was. Hoe kan dat zo snel in een samenleving van duizenden geïnterneerden? Het had vermoedelijk met Schoups geletterdheid, zijn dictie en algemene ontwikkeling te maken en met zijn drang van het leven het beste te maken, al was het maar in een kamp. Maar op het affiche staan dus geen namen van de acteurs en ook ‘Vrij België’ maakt niet duidelijk welke hoofdrol Schoup vervulde. Zo magertjes kunnen geschiedkundige bevindingen zijn. Verder kan men dan alleen nog maar speculeren. Hmmm, een hoofdrol dus? Misschien vertolkte hij één van de gebroeders Degrave? Dit kan vast nog succesvol onderzocht worden. Maar zonder het al precies te weten: graag een daverend applaus voor Schoup in deze hoofdrol!

Op het bewaard gebleven aanplakbiljet zijn twee foto’s geplakt die uit een krant komen. Het is niet zeker of deze twee foto’s gemaakt zijn op 25 of 26 februari 1917 in het kamp te Harderwijk. Deze knipsels kunnen van vroeger datum zijn. De Gebroeders Degrave werd immers bepaald niet voor het eerst in Harderwijk opgevoerd. Het drama van Van Cauwenberghe, gebaseerd op de memoires van Eugène Degrave, werd al in 1901 gepubliceerd en genoot op de planken al jaren groot succes. Dus zijn dit foto’s gemaakt in Harderwijk? Daar dan toch maar van uitgaande leek het aanvankelijk een mogelijkheid te bieden Schoup anno februari 1917 te identificeren. Dat bleek echter bij nadere bestudering een onmogelijkheid te zijn vanwege het grove raster van deze krantenfoto’s. Geen van de gezichten is goed te herkennen. Dat belemmert een vergelijking met Schoups gelaatstrekken.** Indien de lezer denkt scherpere foto’s van deze opvoeringen te hebben, dan houdt de webmaster zich aanbevolen, maar of zoiets ooit boven water zal komen, is vrij ongewis. De webmaster zal hard klappen, als het wel zo is.

 “All the world’s a stage”, schreef Shakespeare, “and all the men and women are merely players. They have their exits and their entrances, and one man in his time plays many parts.” Zo ook Jean Gustave Schoup. In de eerste maanden van 1917 begaf hij zich op een nieuw levenspad, ditmaal niet als beginnend entrepreneur in de Antwerpse haven, of als deserteur uit het Belgische leger of administrateur annex profiteur in de Rotterdamse haven, maar als acteur in het interneringsdepot Harderwijk. We lazen in vorige weblogs dat hij in 1916 ook een episode als spion doormaakte. Terug in het kamp kwam hij echt op het toneel te staan. Maar ook in de mensenmaatschappij lijkt hij voortdurend rollen gespeeld te hebben, als economisch journalist bijvoorbeeld, of als zakenman, accountant en bankier, als schrijver en vertaler en als privédocent economie en essayist. Het is opmerkelijk: weinig mensen lukt het in hun leven hun talent op zo uiteenlopend gebied te botvieren.

Plezier in buiten spelen werd bepalend. Toneelspel hoorde er meermaals bij, het zich voordoen als iemand die hij niet echt was, soms schone schijn ophoudend, soms alsof hij een persoonlijk drama wou opvoeren, maar altijd met een interessante babbel! Steeds ageerde en acteerde Schoup met betrekkelijk succes, al moet gezegd worden dat hij ook als charlatan door de mand viel en dat zijn soms vergaande hazardspel niet altijd moreel verantwoord over de bühne van het leven ging. Uiteindelijk werd hem dat zelfs fataal. Toch zijn alle rollen die deze Belgische avonturier in zijn bewogen levens speelde feitelijk het gevolg en de uitdrukking geweest van ’s mans uitzonderlijke veelzijdigheid, intelligentie en fantasie.

Wanneer begon dit? Het is wellicht in deze periode in het kamp te Harderwijk geweest, januari en februari 1917, dat Gust Schoup na alle enerverende ervaringen die hij al in de Eerste Wereldoorlog had opgedaan op het idee kwam dat het leven één groot spannend theaterfestival is, net zoals Shakespeare dat al zag. Bravo! Applaus! Bejubelen mag, maar uitjoelen ook!

 

* Het affiche Van huis verjaagd wordt bewaard in het Stadsmuseum Harderwijk.

** Het affiche De Gebroeders Degrave wordt bewaard in het Letterenhuis te Antwerpen.

In dit weblog volgt geen terugblik op ander nieuws van 100 jaar geleden over de Eerste Wereldoorlog. De gruwelijke slachting ging gewoon onverminderd door. Im Westen gab es nichts Neues. Im Osten auch nicht. Het was ten hemel schreiend, maar dat maakte hen die er miljoenen mee verdienden geen zier uit. Zo gaat dat nog steeds. Onophoudelijke verkoop van wapens, wapens en nog eens wapens, het afschieten ervan is immers zo moeilijk niet. Dat kan iedere aap die al dat vernietigingstuig van een of ander zwijn koopt. Maar in plaats daarvan is het misschien raadzaam zulke astronomische bedragen in zonne-energie te investeren? Zon genoeg en plek zat, zeker in het Midden-Oosten! Op gegeven moment is de oliekoek toch op en wat dan?

Zie voor actualiteiten wel: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

 

Advertenties