Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Het weblog van oktober 2014, tweeënhalf jaar geleden alweer, gaat over de schrijnende omstandigheden waarin de Belgische soldaten terechtkwamen die naar Nederland vluchtten. Het gros van hen werd in het geïmproviseerde Interneringsdepot Harderwijk geconcentreerd. De ontberingen die dit zgn. “Belgenkamp” in het begin kenmerkten, waren uiteraard niet zo kwalijk als ons dat bij het woord concentratiekamp voor ogen staat. Dit was geen straf- of vernietigingskamp. Even buiten Harderwijk werd niet gemoord, noch gemarteld en er moest geen dwangarbeid worden verricht. In tegendeel, de Belgische soldaten moesten lijdzaam afwachten of de oorlog snel voorbij zou zijn. Maar daar het om menswaardige opvang moest gaan, werd het wel erg wrang dat er destijds in dit vluchtoord nijpend gebrek heerste aan de meest normale voorzieningen.

De plotselinge komst van bijna 1 miljoen Belgische burgers en zo’n 40.000 Belgische militairen in oktober 1914 was bepaald niet makkelijk te managen en kostte een lieve duit. De Nederlandse autoriteiten wachtten dus nog even af wat er zou gaan gebeuren. De oorlog kon snel afgelopen zijn, dus waarom adequate maatregelen treffen voor een situatie die geen maanden zou duren, wel? En als het toch zo zou zijn, wie zou dat dan betalen? Nederland keek de kat uit de boom. Daarom waren de toestanden in het opvangkamp voor Belgische militairen aanvankelijk extreem primitief. In de winter van 1914-1915 was het niet meer dan een armoedig tentenkamp, guur en goor ook, gespeend van sanitair en andere inrichtingen die nodig zijn voor een humaan bestaan. De gevluchte soldaten kregen niet eens een brits om op te slapen. In klamme kou bivakkeerden ze, op ijzige grond overnachtend met onder zich niet meer dan een harde zak rottend stro. Menig dier op een boerderij had het beter en de tyfus brak uit, letterlijk.

Geen wonder dat honderden Belgische soldaten het kale modderkamp ontvluchtten in de hoop op betere omstandigheden, hoe onzeker die toekomst ook zou zijn. Het weblog van 1 december 2014 belicht dat Jean Gustave Schoup bij de vermetele snuiters behoorde die voor zichzelf een betere wereld zochten. Ook hij ging liever een onzekere, maar misschien toch goede toekomst tegemoet. Dan maar illegaal buiten het kamp verkeren en met het ware leven jongleren! Dit lukte hem prima, naar zijn zeggen zelfs met officiële toestemming en dat was nogal logisch. Schoup wist zich verstaanbaar te maken in het Nederlands, Vlaams, Frans, Engels en hij kon vast ook heel wat Duits. Hij had in Antwerpen in de handel en scheepvaart gewerkt en was Belg. Werk voor de Rotterdamse afdeling van de Commission for Relief in Belgium paste precies!

Schoup was jong en wou wel eens wat. Allez, lustig aan de zwier met de bevallige vrijsters op de Skating Rink in Rotterdam. Tot september 1915 woonde hij op de hoek Coolsingel 45 / Aert van Nesstraat 2, direct boven Café Hollandais, een horecabedrijf van bier- en wijnhandelaar Jan Cornelis Tims. Ook daar gezelligheid troef uiteraard en waarom niet? Bijna alles in het leven kost echter geld. Een misstap was het gevolg. Eenmaal weer vrij, verkocht Schoup in de zomer van 1916 praatjes aan spionagediensten. Die vulden kennelijk niet alle gaatjes, al is het fijne over deze activiteiten niet bekend. Handelde hij in verzinsels? Wat ervan waar was, weten we niet. Vermoedelijk deed hij maar wat alsof, net als soldaat Charles Louis Claes, een andere arme drommel die – zie het weblog van juli 2016 – zo min mogelijk met het verraderlijke aspect van spionagewerk te maken wou hebben. Het duurde niet lang, Schoup werd gearresteerd, misschien gewoon maar omdat hij illegaal buiten het kamp in Harderwijk verkeerde. De politie verhoorde hem, maar documentatie daarover is niet bewaard gebleven. Op één na gingen alle verbalen van 1916-1917 op 26 februari 1945 verloren ten gevolge van een abusievelijke geallieerde bominslag in Den Haag, bedoeld voor de Duitse lanceerinstallaties van de V2 daar in de buurt. Het pand Fluwelen Burgwal 12A, dat dienst deed als archiefdepot, ging in vlammen op. Daarom zullen we nooit te weten komen wat Schoup over zijn werk als spion verteld heeft.

Uit andere documenten blijkt dat de vreemdelingenpolitie de jonge Schoup in de nacht van 25 op 26 oktober 1916 in Rotterdam oppakte. Al gauw werd hij geïdentificeerd als gevluchte Belgische soldaat die toch eigenlijk… Juist, hij werd onmiddellijk doorgestuurd naar het “Belgenkamp” te Harderwijk. Daar was hij al ruim anderhalf jaar niet meer geweest! Achter de toegangspoort begon een nieuw hoofdstuk van zijn vele bewogen levens.

Van Interneringsdepot Harderwijk is tegenwoordig geen spoor meer te bekennen. Het complex lag zuidwestelijk van de huidige afslag 13 van de A28. Het kamp was qua oppervlakte twee keer zo groot als Harderwijk en het behuisde bijna dubbel zoveel zielen. Het vissersdorp had zo’n 7.500 inwoners, in het depot waren zo’n 13.000 Belgische soldaten geïnterneerd. Schoups retour, eind oktober 1916, “terug van vermist”, was voor hem geen pretje, geen fijn vooruitzicht althans, maar toch bleek het vast niet zo weerzinwekkend te zijn als de eerste aankomst daar, medio oktober 1914. Hij moet zich in oktober 1916 zelfs danig verbaasd hebben.

De ontwikkeling die het kamp in de afgelopen jaren had doorgemaakt was spectaculair. Op die heidevlakte, op die zanderige modderpoel van voorheen, was een fier houten dorp ontstaan. Er was een kerk, een ziekenboeg annex polikliniek, een bibliotheek, een tijdschriftenkiosk, latrines, waslokalen, een postkantoor en zelfs een drukkerij waar het tweewekelijkse tijdschrift ‘Inter-Nos-Revue’ werd gemaakt. Het eerste nummer verscheen op 15 mei 1916. Er waren toen al meer dan een jaar ook werkplaatsen in het kamp, de zgn. Werkschool. Dit vakonderwijs werd op 7 maart 1915 officieel geopend. De soldaten konden er een ambacht leren. De liefhebbers mochten zich in de ateliers niet alleen in hout,- steen- en metaalbewerking bekwamen maar bijvoorbeeld ook in textiele werkvormen. Vanaf 12 november 1915 werd de Studiekring hiervan een uitbrei­ding met ruimte en lokalen voor geestelijke scholing. Omdat in België lang geen leerplicht had bestaan, was het aantal ongeletterde soldaten vrij hoog vergeleken met Duitse, Nederlandse en Britse soldaten, namelijk bijna 18% van de kampbewoners…

“Vier leergangen voor analphabeten werden ingesteld, twee leergangen van lager Neder­landsch, drie van lager Fransch, vier van lager rekenen. Voor spraakgebrekkigen werd ook een cursus geopend”, aldus dagblad ‘De Telegraaf’ een jaar daarna op 14 november 1916. Uitein­de­lijk zouden dankzij de Studiekring bijna 6000 geïnterneerden in het kamp leren lezen en schrij­ven. “De kring zelf won elken dag leden bij. Op 1 Jan. 1916 bereikte hij zijn hoogste leden­aantal: 790. De vak-bibliotheek telt nu 488 werken in 617 boekdeelen, en 4 tijdschriften in 34 deelen. Tot op 25 Oct. werden 4361 boekdeelen uitgeleend. Elken dag is daartoe gelegenheid, ’s voormiddags, in de leeszaal bibliotheek B. Na opheffing van de interneering – dat komt wel eens! – zullen de boeken onder de leden worden verdeeld”. Lezen, onderwijs en zelfstudie was nog niet alles. “Ook door het houden van lezingen heeft de kring gemeend zijn leden te kunnen dienstig zijn: 40 lezingen over technische en wetenschappelijke onderwerpen werden gehouden”.

Zo profiteerde menig Belgische soldaat van opleidingen en educatie waar hij vroeger geen tijd of geld voor zou hebben gehad. De geïnteresseerden mochten een eigen pakket samenstellen. Frans, Duits, Engels, wis- en natuurkunde, algebra en geometrie waren het meest gevraagd. Tiens, lezen en schrijven, iets studeren… misschien handig voor later en goed voor de geest! Maar moest het lichaam niet ook iets te doen hebben!? De Belgen hielden destijds al van het cyclisme en dus kwam er in het kamp een wielerbaan, de grootste van Nederland. Daarnaast waren er in 1917 ruim vijftig sportverenigingen met zo’n drieduizend leden. Voor ieder wat wils: boogschieten, kaatsen, gymnastiek, atletiek, schermen, biljarten, schaken, noem maar op, uiteraard ook voetbal. Voor anderen, beter gezegd voor allemaal, waren er de praathuizen. Het was namelijk zo; de vijf­tig slaapbarakken – de laatste werd op 4 maart 1915 voltooid – boden met hun 51 x 13 meter ruimte voor 250 man, maar ze bleven onverwarmd. Daarom werden er twee warm gestookte kantines gebouwd met onder andere de Tea Room. Kon er nog iets meer bij? Zekers, cultuur natuurlijk! Vanaf kerstmis 1915 werden toneelvoorstellingen een attractie in het kamp. Dit amateurtheater stond wat de Vlaamse voorstellingen betreft onder leiding van theaterregisseur Jos Verlinden. Voor het Waalse spel tekende Henry de Névry. Het initiatief resulteerde in een kampschouwburg waar ook burgers van Harderwijk naartoe kwamen. Blijspelen en operettes waren vooral populair. En er kwam bioscoop, zeer modern voor die tijd!

Al met al zou je kunnen zeggen dat er in het kamp veel méér leven in de brouwerij was dan in Harderwijk zelf, al kwam er (heel on-Belgisch feitelijk) géén echte bierbrouwerij aan te pas. Er ontstond nijd in Harderwijk, want veel van dat moois had het puriteinse stadje zelf niet. Wat bij de gereformeerde bevolking niet kon, bioscoop bijvoorbeeld, kon in het kamp wel! De Belgen hadden eigen fanfares en een symfonieorkest met 87 musici… Er verscheen ook een typisch Belgische faciliteit die zelfs heel Nederland nog niet kende, laat staan dat de Harderwijkers er spontaan het essentiële levensbelang van inzagen. Het kamp kreeg een heuse frietkraam!

Het was moeilijk na te gaan wat Schoup ondernam in deze ambiance waar ledigheid en verveling ook altijd op de loer lagen. Gelukkig deed hij iets. Maar allereerst: waar kreeg hij onderdak? Van de kampregistratie is bar weinig bewaard gebleven, maar uit een advertentie in twee Belgische kranten blijkt dat hij in Barak 28 terechtkwam. In het weblog van februari 2015 toont een foto hoe het leven van alledag in zo’n houten slaapbarak was. De genoemde advertentie verscheen van 28 april t/m 1 mei 1917 voor het eerst in ‘L’Indépendance Belge’ en zou vervolgens van 13 mei t/m 19 september 1917 vrijwel constant in ‘La Métropole d’Anvers’ geplaatst worden, steeds dezelfde tekst. Ziehier de advertentie uit ‘L’Indépendance Belge’:

Schoup deed in de rubriek “POUR SE RETROUVER” (om elkaar terug te vinden) een poging de actuele verblijfplaats van een zekere familie T. Claessens te achterhalen, die in Antwerpen gewoond had, Rue du Réservoir 21. Hij was een buurtgenoot van deze familie. De Rue du Réservoir (tegenwoordig de Houwerstraat) was niet ver van Schoups ouderlijk huis, Rue du Pont 20 (tegenwoordig de Brugstraat). Deze twee straten liggen direct in elkaars verlengde, met alleen het St. Jansplein er midden tussenin. De familie Claessens kon schrijven aan “Dr  G. Schoup, Grenadier, B 28, Harderwyck”. ‘La Métropole d’Anvers’, waar de advertentie daarna maanden lang regelmatig in verscheen, begreep niet even goed als ‘L’Indépendance Belge’ dat meneer Schoup kennelijk een heuse “dr.” was en drukte in plaats daarvan steeds alleen maar een hoofdletter D af, als volgt: “On demande l’adresse de la famille T. Claessens, ayant habité à Anvers, 21, rue du Réservoir. Ecrire à D G. SCHOUP, grenadier B 28 camp d’Harderwijk”.

Die hoofdletter D moest dus dr. zijn. Bon, maar waarom alleen die hoofdletter G steeds plaatsen en niet beide initialen J.G.? Dat komt, omdat Jean Gustave Schoup zich destijds gebruikelijk bij zijn tweede naam liet noemen, Gustaaf of ook Gust. Op zich is dit niet zozeer van belang. Het was voor de onderzoeker slechts een gelukje dat deze advertentie de (vooralsnog) enige aanwijzing is dat Schoup in Harderwijk in Barak 28 werd ondergebracht. Op de onderstaande foto is hij niet te ontwaren, maar zoals gezegd kon zo’n behuizing omstreeks 250 man herbergen en dus staan de bewoners lang niet allemaal op de bewuste foto. Bovendien was Schoup zelf niet in het kamp toen de foto gemaakt werd. Toch was ook dit een mogelijkheid een beeltenis van hem te ontdekken, al liep die poging dood. In elk geval geeft de foto van Barak 28 een indruk van het gebouw waarin hij vanaf eind oktober 1916 woonde.

Eenmaal terug van weggeweest droeg Schoup op zijn manier een steentje bij aan het kampleven. Zo hield hij in januari 1917 in de Studiekring een voordracht over het onderwerp “Het werktuig door de eeuwen heen”. De ‘Inter-Nos-Revue’ publiceerde er op 15 januari 1917 een gortdroge samenvatting over. Net als de advertentie laat blijken, bewijst dit artikel dat Schoup zich toen al een dr.-titel aanmat. De voordracht werd volgens het kamptijdschrift gehouden “door den heer Dr. J. Schoup” die in werkelijkheid geen academische graad bezat. Maakte dat wat uit? Welnee, niemand kon de waarheid te weten komen en de spreker kon ook zonder officieel doctor te zijn als de beste interessante bespiegelingen over gemeenplaatsen opdissen, vast veel eloquenter dan menigeen die zich wél officieel “dr.” mocht noemen.

Zie in de onderstaande afbeelding een knipsel uit ‘Inter-Nos-Revue’ nr. 17, 15 januari 1917 en daarnaast nr. 22, 1 april 1917, vandaag exact 100 jaar oud

Schoups naam en voordrachtskunst haalden het tot in ‘Vrij België’ van 12 januari 1917. Dit ondergrondse Belgische weekblad, uitgegeven in Scheveningen van 1915 tot 1918, maakte géén gewag van een “dr.” die zo prachtig sprak. Onder het kopje Harderwijk – VLAAMSCHE STUDIEKRING” lezen we een samenvatting van zijn spreekbeurt en dan: “Dit heeft de heer Schoup op hoogst leerrijke wijze uiteengezet en hij oogstte dan ook welverdienden bijval”. Het artikeltje leverde ook kritiek op hem. ‘Vrij België’ was een blad voor en van de flaminganten, voor wie onder meer de emancipatie van het Vlaams tegenover het Frans een vlammend devies was. Welnu, de spreker was verbaal kennelijk nogal dikdoenerig opgetreden, had zijn voordracht met al te veel moeilijke woorden doorspekt. “Hij neme ons echter niet kwalijk”, vervolgde ‘Vrij België’ dan ook, “dat wij met ’t oog op een volgende voordracht een klein verzoek doen, namelijk om meer gebruik te maken van de goede Nederlandsche vakwoorden. De Vlaamsche toehoorders zullen er hem dubbel dankbaar voor zijn”

Gebruik maken van een dr.-titel die hij niet had, een voordracht over middelmatige materie pimpen met terminologie die niet iedere Vlaming kon vatten: het zijn de eerste tekenen van Schoups hebbelijkheid zich te willen profileren, zich als gestudeerd en erudiet mens voor te doen. Dat was en werd hij in zijn leven ook steeds meer. Noem het in dit stadium gerust ook jeugdige lichtzinnigheid – Schoup was nog net geen 24 jaar – of intellectuele ambitie, jezelf waar maken door indruk te wekken, wat op zo’n leeftijd vrij gewoon is. Experimenteel gedrag, eens kijken wat men kan, wat men aandurft, ook om te ervaren hoe men daarop reageert. Iets later zou Schoup in het kamp op nog een andere manier aandacht naar zich toetrekken. Dat komt in het volgende weblog aan de orde.

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

Tot slot nog wat oud nieuws (ouds?) herinnerend aan wat zich elders honderd jaar geleden afspeelde. Wie had dat gedacht, de patstelling aan de Europese fronten bleef bestaan, maar die slachting was al lang geen nieuws meer. Nieuw was dat de vechtende volken aan het thuisfront allengs uitgeput raakten. Dat had velerlei onverwachte gevolgen.

De Duitsers hadden schoon genoeg van de Britse zeeblokkade die hen de hongerdood wou doen sterven. Al hield propaganda de moed erin (zie prentbriefkaart), de blokkade was op den duur effectief. Een leger staande houden, zij het offensief of defensief, kost kapitalen, want een leger produceert niets, verbruikt en verteert alleen maar. Een leger werkt niet in fabrieken en ook niet op het platteland. Een leger verdient geen geld in de handel. Toch moet een leger dagelijks te eten krijgen. Ook daarom hongerde Duitsland. Het volk had er figuurlijk de buik van vol, maar letterlijk was die Duitse buik vaak leeg. Naar schatting crepeerden in 1914-1918 bijna 800.000 Duitsers aan de gevolgen van ondervoeding, maar de Amerikaanse zakenman Hoover – zie de weblogs van november 2014 – riep géén Commission for Relief in Germany in het leven. Geplaagd door de onmenselijke blokkade die de Britten een oplossing leek om de oorlog te gaan winnen, maar ook geplaagd door de slechte oogsten in 1916, ontpopte zich de winter van 1916-1917 voor Duitsland als fatale hongerwinter. Het Duitse opperbevel besloot gelijke maatregelen als de Britten te nemen. John Bull moest op zijn beurt uitgehongerd worden. De bevoor­rading van de vijand moest gestopt worden en dat lukte zowaar bijna. Op 1 februari 1917 werd de uneingeschränkte U-Boot-Krieg hervat. Ook Nederlandse koopvaardijschepen, o.a. geladen met kolen voor Engeland of met Amerikaans graan, moesten het bezuren. Van 20 t/m 22 februari werden maar liefst tien Nederlandse schepen getorpedeerd. Zeven ervan boorden de Duitsers op 22 februari 1917 bij de Scilly’s eilanden in de grond. Hieruit blijkt duidelijk dat wij de Britten iets te brengen hadden. Dat was als neutraal land niet illegaal. Nederland handelde evengoed met Duitsland, dat echter met Engeland oorlog voerde. Torpederen werd een dure grap hierbij. Vóór de “verscherpte duikbotenoorlog” was vaak al een molestverzekering afgesloten. De gezonken Trompenberg en Ootmarsum waren bijvoorbeeld elk casco voor f 900.000 verzekerd. Zo hoog? Ja, al naar gelang het risico te zullen zinken groter werd, liep die kostenpost ook op. Zo werd versche­ping almaar duurder maar steeg de winst op verscheepte waren tevens navenant.  Het begon erop te lijken dat er via de schadeverzekering fijn te verdienen was door een schip maar op de klippen, of beter gezegd tegen een torpedo aan te laten lopen. Hierbij maakten de Duitsers aanvankelijk zo weinig mogelijk slachtoffers, want het ging hen om de lading, niet om de mensen. Voordat de torpedo afgeschoten werd, kreeg de bemanning gelegenheid het schip te verlaten. Maar met die zorgvuldige omgang was het vanaf 1 februari 1917 wel afgelopen. Vanaf die datum zouden de oorlogsbodems en koopvaardijschepen ook zonder voorafgaande waarschuwing getorpedeerd worden, die onder neutrale vlag voeren eveneens. Het werd dan ook al gauw de vraag of de internationale verzekeringsmaatschappijen, waaronder ook Duitse, de schade zou­den kun­nen vergoeden. Er werden immers niet alleen maar een paar Nederlandse schepen ge­kelderd. Voor assuradeurs werd deze handel te riskant. Betere tijden afwachtend verzekerden ze schepen liever niet meer. Dat werkte remmend op de zeevaart, met alle gevolgen van dien, schaarste alom.

Dat zo veel neutrale schepen plotsklaps getorpedeerd werden, shockeerde Neder­land net als bij de ondergang van de SS Tubantia, het passagiersschip dat in de nacht van 15 op 16 maart 1916 ten onder ging. Alle opvarenden werden gered, maar Großadmiral Von Tirpitz, destijds de Duitse minister van Marine, zonk mee. Hij trad op 16 maart 1916 wijselijk af, of­schoon Duitsland de verantwoordelijkheid voor het zinken van de Tubantia eerst bleef afwijzen. Maar de U-13 had wel degelijk raak geschoten. Op 23 februari 1917 strandde een U-Boot op Walcheren, de U-30. De veertien bemanningsleden werden geïnterneerd in het kamp voor Duitse militairen in Bergen, NH. Einde van de oorlog voor hen, zo leek het, maar op 6 augustus 1917 werd de U-30 aan de Duitsers teruggegeven. De vrijgelaten bemanning voer ermee naar Zee­brugge, een omstreden staaltje van Nederlandse neutraliteit achter zich latend!

De duikbotenoorlog in Britse wateren en in de Noordzee was al in februari 1915 begonnen, maar nadat op 7 mei 1915 het Amerikaanse passagiersschip Lusitania tot zinken was gebracht en na de internationale ophef daarover, beperkten de Duitsers hun onderzeese offensief, bezorgd dat de VS zich actief op het slagveld met de oorlog zou gaan bemoeien. De Amerikaanse zakenwereld deed dat immers al volop en het zou erger kunnen worden. De Lusitania smokkelde kisten vol Amerikaanse munitie naar Engeland. Daarom hadden de Duitsers met advertenties van tevoren afgeraden Atlantische reizen te maken. Toen de duikbotenoorlog eenmaal hervat was, brachten de Duitsers plotseling zóveel voor de Britten bestemde handelsschepen tot zinken, dat heel Engeland in maart 1917 nog maar voor zes weken leeftocht had… Dit werd nu pas echt een probleem. Al in 1914 was er officieel Amerikaans protest tegen de Britse zeeblokkade van Duitsland gerezen. Het schaadde het commerciële belang van de VS met beide oorlogvoerende kanten handel te drijven. Maar dat de Duitsers de Britten in 1917 een koekje van eigen deeg gaven, dat kon niet door de beugel! En waarom dan wel niet? De VS was toch neutraal? Welnee, de Amerikaanse neutraliteit was al gauw een farce geworden. Dat had vooral met snode handelsgeest te maken. De Amerikaanse economie kwakkelde vóór 1914 funest en vanaf januari 1913 verkeerde het land in recessie. De oorlog werkte als een door God gegeven geschenk.

Na aanvang van de vijandigheden begon de Amerikaanse landbouw en industrie grof aan de oorlog te verdienen. Dat was goed genoeg, actief in de loopgraven meestrijden contraproductief. Wij produceren voor jullie oorlog en jullie vechten het conflict verder zelf maar uit. Doe maar en bestel vooral volop bij ons, maar wij, eerwaardige Amerikanen, laten het echte bloedvergieten graag aan jullie, de heldhaftige en vechtlustige naties van Europa over. Geef de Amerikanen daarin eens ongelijk, maar zonder voortdurende bevoorrading over de Atlantische Oceaan kwam voor de Britten in 1917 allengs de onvermijdelijke nederlaag in zicht. Dat zou dan meteen ook het einde betekenen van de Amerikaanse oorlogswinsten. Al jaren schaften Engeland en Frankrijk – door de Ameri­kaanse bankier John Pierpont Morgan gefi­nancierd met miljarden geleende dollars – in de VS volop oorlogsmateriaal aan, tegen woekerprijzen trouwens. Dat moest zo blij­ven. Maar Morgans miljardenleningen zouden verloren gaan, mocht Engeland de titanenstrijd door de Duitse duik­botenoorlog verliezen en daar zag het naar uit. Dit kon zo niet langer, het financiële risico werd te groot en de oorlog moest niet met een Duitse overwinning aflopen. Duitsland mocht zich op de wereldmarkt niet verder tot machtige mededinger ontwikkelen, zoals dat in Argentinië al een tijdlang het geval was, bijvoorbeeld. Duitsland moest beteugeld worden. Als Washington nou eens de oorlogsfinanciering van J.P. Morgan zou overnemen, dan was er zeker geld zat voor oorlog. Geld van de belastingbetaler wel te verstaan, maar ook zo zou het Europese bloedbad een boost voor de Amerikaanse economie blijven en dan zouden tevens de via geld­wolf Morgan in de oorlog geïnvesteerde privémiljarden zijn gered. Indirecte redenen genoeg voor president Wilson om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren. Business, as usual.

Tegelijkertijd, aan de oostelijke kant van de woedende strijd, waren in Rusland de afgepeigerde troepen en de hongerende bevolking hun trotse tsaar zat. Na onophoudelijke demonstraties, opstanden en muiterij deed Nicolaas II op 2 maart 1917 afstand van de troon. De val van de monarchie droeg al de kiem van een totale revolutie in zich, maar eerst kwam de provisorische burgerregering onder leiding van Kerenski nog even aan bod. Hij zette de oorlog met Duitsland gewoon voort, maar in april 1917 liet de Duitse legerleiding de bolsjewist Vladimir Lenin heimelijk vanuit zijn Zwitserse ballingschap dwars door Duitsland naar Zweden en Finland reizen om zo in Rusland te kunnen belanden. Alles heeft echter een prijskaartje. De Duitsers investeerden om te beginnen 5 miljoen Mark in de agitator. Met politieke propaganda moest hij de gevestigde macht van de Russische vijand gaan ondermijnen. Vrede, land en brood waren de parolen. De Duitse Generale Staf berichtte op 21 april 1917 aan Buitenlandse Zaken te Berlijn: “Lenin Eintritt in Rußland geglückt. Er arbeitet völlig nach Wusch”.

En dan nog even dit: in het weblog van juli 2016 dook Mata Hari al eens op. Margaretha Zelle was in 1917 geen oogverblindende schoonheid meer, maar uiterlijk een gewone Nederlandse vrouw van middelbare leeftijd zoals we die op straat zouden kunnen tegenkomen, wie weet waar, misschien wel als verkoopster in een marktkraam. Iets langer dan honderd jaar geleden, op 13 februari 1917, werd zij gearresteerd in Hotel Élysée Palace aan de Champs-Élysées. Bekijk de mugshot van diezelfde dag.

Volg ook: https://nl-nl.facebook.com/JG-Schoup-658877517561138/

Van de biografie over Jean Gustave Schoup zijn nog slechts dertig exemplaren beschikbaar.

Advertenties