Tags

, , , , , , , , ,

Witte Huis Rotterdam 1907 © onbekend

Eén van de typische fenomenen in de mediawereld is het uitbuiten van jaartallen die in het collectieve geheugen gegrift staan. Bij een bekende historische datum roept men graag details uit de voltooid verleden tijd in herinnering. Met een mooi rond getal als aanleiding mag je dan vernemen dat een of andere oorlog tientallen jaren geleden begon of eindigde, of dat een persoon honderd of zelfs tweehonderd jaar geleden ter wereld kwam of overleed. Wie dat interesseert, leest er ditjes en datjes over en denkt vervolgens maar al te vaak: “gut, was dat nou alles?”

Nee, natuurlijk speelde er veel meer, maar artikelen moeten tegenwoordig bondig blijven en boeken eigenlijk dunnetjes. Bovendien moet het bij de retrospectieve berichtgeving om wereldschokkende gebeurtenissen gaan, of om wereldberoemde doden als Napoleon, Hitler of Stalin en dergelijke, overleden filmsterren of voetballers niet te vergeten. Is een onderwerp of persoon niet erg bekend, dan is de “nieuwswaarde” niet hoog genoeg. Dit is echter een paradox. Aan het onbekende of verborgene wordt weliswaar weinig of geen aandacht besteed, maar wat niet algemeen bekend is zou per definitie als “nieuws” moeten gelden.

In 2014 bijvoorbeeld bedrukten de media hun papier ook betrekkelijk graag met oppervlakkigheden over dingen die vele lezers al wisten. Destijds honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit en in 2014 diende zich tevens een mooi moment aan om na zeventig jaar de geallieerde invasie in Normandië voor de zoveelste keer in het zonnetje te zetten. Een enkeling herinnerde zelfs aan de mislukte aanslag op de Duitse dictator in datzelfde jaar 1944. Om andere jaartallen te noemen: eind januari 2013 kwam het dramatische slot van de slag bij Stalingrad in het nieuws en eind januari 2015 de gelukkige maar tevens tragische bevrijding van Auschwitz. En jawel, in 2015 werd herinnerd aan de slag bij Waterloo, toen tweehonderd jaar voorbij.

Zo is er altijd wat over vroeger te vertellen, ook op televisie en radio trouwens, maar soms verslapt de aandacht voor belangrijke verleden gebeurtenissen toch opmerkelijk. Verslaggeving over de plechtige herdenking van de terroristische aanslagen op de Twin Towers dreigt bijvoorbeeld in het slop te raken. Dat baart zorgen, want het was me wat. De wereld stond op zijn kop! Maar wat toen in Manhattan voorviel, weten de mensen nu wel. Het is ook niet goed telkens aandacht op die eigenaardige terreuraanslagen te vestigen. Boze tongen van intelligente onderzoekers en wetenschappers laten geen steek heel van het officiële nieuws over die rampspoedige septemberdag. Onopgeloste vragen genoeg, bijvoorbeeld over miraculeuze vliegtuigen die spoorloos in veel te kleine gaten verdwenen of over het wonderbaarlijk instorten van een wolkenkrabber die door geen enkel vliegtuig was aangeraakt! Maar wat moeten we met dat soort nieuws? Veel te lastig is dat. Vergeten is beter, of zand erover strooien, of er monumenten bovenop planten die schijnen te bewijzen dat het allemaal waar gebeurd is, zoals men zegt dat het waar gebeurd is.

Het recente verleden schijnt überhaupt te vers om er diep in te kunnen graven. Zo lijkt het, terwijl wat maar kort geleden gebeurd is voor journalisten en onderzoekers juist meer aanknopingspunten biedt om waarheid aan het licht te brengen. Een Australische waaghals die nu al jaren in een Ecuadoraanse ambassade woont, vond dat ook. Het werd hem niet in dank afgenomen en dat is de crux: hij onthulde realiteit. Elke dag gebeurt op de achtergrond ontzaglijk veel wat het daglicht schuwt, geldstromen op hoog niveau, financiering van oorlogen en opstanden, wat al niet meer, en de reden om al die waanzin te verwezenlijken, winstbejag natuurlijk, zou voor journalisten uiterst pikante kost moeten zijn. Ze interesseren zich doorgaans echter even weinig voor de achtergronden van de waanzin als de mensen zelf. Reportages gaan vooral over verschijnselen, voorvallen, niet over oorzaken. Hier een bom, daar een brand. Onderzoeksjournalistiek à la Watergate kost bovendien onmatig veel geld. Het is goedkoper en gemakkelijker de medewerkers op de redactie te laten verwijlen om ze met de berichten van persbureaus bezig te laten houden. Een nóg onschuldiger tijdverdrijf is in de geschiedenis te laten graven en daar wat over te publiceren. Dat nieuws is immers al oud, dus dat doet geen kwaad. Wikipedia biedt trouwens veel meer materiaal dan een krant kan plaatsen, maar de gedrukte pers wordt met oude weetjes toch wat voller, naast de dagelijkse zure regen over ongelukken, moord en doodslag, rampen, schandaaltjes, verkiezingen en crises.

Wat moeten we, nu honderd jaar geleden, met een jaartal als 1916? De media doen er niet veel mee, terwijl in februari 1916 toch een van de smerigste materiaalslagen begon die de wereldgeschiedenis rijk is, die afgrijselijk gore slag om Verdun. Er is wel een beetje aandacht aan besteed, voorwaar, maar dat houdt vervolgens op, terwijl het sneuvelen niet ophield. De slachting rond Verdun duurde van februari tot december 1916. In een uitzichtloze impasse lieten aan beide kanten honderdduizenden soldaten in helse ellende het leven, onvoorstelbare maaaaaanden lang! Het moorden was zo apocalyptisch, dat het nieuws van vandaag er nog steeds heel wat plaats voor zou moeten inruimen. Maar dat gebeurt niet, net zo min als men dagelijks in de krant leest hoeveel tienduizenden mensen er gisteren wereldwijd van de honger crepeerden. Dat gaat elke dag zo door, maar de krantenlezer of televisiekijker met een voldaan gevulde maag gaat misschien over zijn nek van zulke onbeschrijfelijke misère. Het is echter vast leerzaam door harde waarheid misselijk gemaakt te worden. Dus ja, hoe onsmakelijk ging het er honderd jaar geleden in het inferno in Noord-Frankrijk aan toe?

sneuvelen in 1914-1918

Tijdens de frontale aanvallen werden tientallen soldaten per seconde als sitting ducks in een storm van vliegend lood doorzeefd. Velen werden ook direct door granaten getroffen. Hun lichamen spatten uiteen, zodat van deze jonge mensen niets anders dan kleine stukjes vlees en bot overbleef, uitgestrooid over het plotseling steeds roder wordende landschap van Noord-Frankrijk, waar oorlog woedde als nooit tevoren! De opengereten lijven, de losse armen, benen, rompen en hoofden, heel of half, bleven op het slagveld achter, overgelaten aan het ontbindingsproces. Het was te gevaarlijk al dat verbruikte mensenvlees te ruimen. Zo maakte niet alleen kruitdamp zich meester van het luchtrijk boven de loopgraven: de indringende stank van rottende lijken en lichaamsdelen was niet te harden. Daarover nog eens in geuren en kleuren berichten is echter geen goed nieuws. Een auto-ongelukje van gisteren op een of ander provinciaal kruispunt is en blijft bovendien van groter belang. Er schijnen zelfs mensen te bestaan die met intense belangstelling de nieuwsberichten volgen waaruit blijkt dat niet alles in het Nederlandse treinverkeer goed spoort.

Wie weet; heeft men gewoon te weinig respect voor al die in gruwelijke gevechten kapotgeschoten soldaten van het jaar 1916? Is het wellicht onnodig te blijven tonen hoe kwalijk oorlogen zijn? Kan dat te maken hebben met het feit dat aan al die verschrikkingen met name door het militair-industrieel complex miljarden en nog eens miljarden verdiend worden?

In elk geval is er ook te weinig respect voor de doden van nu, maar dit weblog is – excuses voor deze lange inleiding – geen platform voor filosofische bespiegelingen over nieuwsbrengers. Dit weblog beperkt zich tot details over het leven van Jean Gustave Schoup. Zo komt de vraag op: waar was hij in 1916? Welaan, als Belgische deserteur had hij het in Nederland zo slecht niet. Hij hoefde niet te verrekken in loopgraven aan het Belgische riviertje de IJzer en het bloedbad van Verdun was nóg verder van zijn brits. Jean Gustave verkeerde de eerste helft van 1916 in de beste veiligheid die te bedenken is, als gedetineerde te Rotterdam namelijk. Waaraan hij dat verdiend had? Dat komt in de boek over zijn bewogen levens aan de orde en hoeft dit weblog dus niet te onthullen. Maar in dit verband is het wel interessant te belichten dat de havenstad Rotterdam in 1914-1918 zich tot een centrum voor spionage ontwikkelde. Daarmee kreeg Schoup namelijk te maken.

Nederland was neutraal. Dat heeft spionage in de hand gewerkt, want zolang informatie vergarende types hun activiteiten niet in strijd met de Nederlandse wet ontplooiden en zolang dit evenmin onze nationale veiligheid in gevaar bracht, konden zij doen en laten wat zij wilden. Brave burgers van Duitse, Britse, Franse of Belgische nationaliteit konden gerust overal hun voelsprieten laten tintelen. Het hoorde (en hoort) bij de vrije nieuwsgaring hier en daar rond te neuzen, zoals iedere toerist dat doet en mag doen. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog verkenden ‘toeristen’ van het Duitse leger het terrein in België al. Zo banaal zijn de dingen. Spionage wordt als woord doorgaans al te spannend opgevat, maar het is veelal niet zo spectaculair als de avonturen van James Bond. Als passant een beetje om je heen turen of je als tekenaar of schilder strategisch posteren resulteert vaak al in meer dan genoeg informatie. Pas dus op voor bemande schildersezels! Daarmee is iets niet in den haak, eventueel… En voor je het weet bespioneert vervolgens dus iedereen elkaar, met als gevolg verbodsbepalingen op de meest simpele vreugden des levens.

1915_04_09_ 2_02 Tlgr.

In de provincie Zeeland liep het, zo vlak aan de Belgische grens en met zoveel scheepvaart, de spuigaten uit. Voor de Duitsers was het in de zuidelijke grensgebieden van Nederland overal knap enerverend. Ze vonden het zelfs bezwaarlijk dat er brieven vanuit Nederland naar België gesmokkeld werden. Het briefverkeer werd gecontroleerd, want Nederland was een gebied achter de Duitse stellingen. Van daaruit was allerlei onraad te verwachten! De Duitsers hielden scherp in de gaten wat in Nederland gebeurde. Het werd noodzaak de grens tussen Nederland en België ondoordringbaar te maken met een 332 kilometer lang hekwerk dat onder hoogspanning stond. Het werd al gauw de Dodendraad genoemd en in Duits jargon das Grenzhochspannungshindernis. Hinderlijk was deze versperring ongetwijfeld, maar niet echt effectief. Men kon in greppels of tunnels onder dat gevaarlijk hoge voltage doorkruipen, of er in fusten of kartonnen kokers zelfs dwars doorheen, zonder geëlektrocuteerd te worden. Dat was dan weer interessant voor de spion, die de Duitsers moest doorgeven waar (en hoe) er een lek in het mandje zat.

In Rotterdam bleef het interessant te weten welke Britse of Amerikaanse schepen in de haven aankwamen en met wat voor lading die bevracht waren. De spionnen in Rotterdam – laten we de vraag even in het midden of ze voor de Britten, de Duitsers of de Fransen werkten – werden voor hun activiteiten en rapportage uiteraard betaald. De meeste mensen doen zulk spiedend werk niet voor hun lol en zij die er pret in hebben, zullen toch ook moeten eten. Spionnen werden in Rotterdam niet alleen geworven: mensen zonder bron van inkomsten namen soms, ten einde raad, met Duitse of Britse of Amerikaanse of Franse autoriteiten contact op. Zij kregen vervolgens de simpele taak hier en daar hun ogen open te houden en moesten hun bevindingen doorgeven. Elk bericht kon geld opleveren en dus werd er ook wel eens iets verzonnen als er niets noemenswaardigs te vertellen was. De omstandigheden boden voer voor fantasten die tegen betaling een leuk verhaal konden opdissen. Dat duurde in zo’n geval uiteraard nooit lang, want op verzinsels kunnen geheime diensten niet bouwen. Praatjes vullen geen gaatjes, zegt men, en na al te veel nonsens verkocht te hebben, is de gewezen spion gewoon weer werkloos.

In Rotterdam werd gedoogd dat er spionnen in dienst van de buitenlandse mogendheden onderweg waren. De autoriteiten hielden een oogje in het zeil, maar op zich was er op buitenlandse gasten niets aan te merken zolang ze niets onwettigs deden. Een Fransman, Duitser of Engelsman kon in Rotterdam (en uiteraard ook in andere Nederlandse steden) gewoon circuleren. Overigens waren sommige van hen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog genaturaliseerd. Zulke nieuwe Nederlandse burgers liet men uiteraard ook hun gang gaan, of zij nu van het ene of van het andere walletje profijt trokken. Dat sommigen fors aan de oorlog verdienden, komt eveneens in Schoups biografie aan de orde. De lotgevallen van bankier Alfred Hethey zijn een voorbeeld van formaat. Deze man werd onbetamelijk rijk, vooral in de Eerste Wereldoorlog, maar het ging ook flink mis met hem, omdat de Duitsers die oorlog verloren.

Buitenlanders in Nederland genoten in 1914-1818 in elk geval over het algemeen de vrijheid die een neutraal land te bieden had. Nederland had met een oorlog die ergens ver ten zuiden woedde formeel niets te maken en dus kon een Duitser of Engelsman met evenveel genoegen vrijelijk in Den Haag flaneren als elke andere wereldburger. Alleen voor naar Nederland gevluchte Belgische, Duitse, Franse of Engelse deserteurs was dat anders. Die soldaten moesten in de interneringskampen het eind van de oorlog afwachten, maar velen van hen ontkwamen. J.G. Schoup was zo’n voortvarende vluchteling. Hij kwam vanuit kamp Harderwijk in Rotterdam terecht, waar opeens een internationale sfeer heerste.

De uitwassen hiervan zijn evident. De Nederlandse neutraliteit gaf op allerlei gebied gelegenheid internationale zaken te doen zoals dat in Rotterdam in die mate tot dan toe ongekend was. Daar waren ze nu, als nooit tevoren waren ze present, de Belgen en de Amerikanen, maar ook al die Duitsers, Britten en ook Fransen. Jean Gustave Schoup zat er middenin en besteedde in zijn boek In Vlaanderen heb ik gedood een hoofdstuk aan een Belgische spion met de naam Laudir die met een zender gegevens over schepen doorseinde aan de Duitsers. Rotterdam, als haven destijds veel kleiner dan de haven van Antwerpen, werd een internationale hutspot van zakelijke en militaire belangen, gekookt in een politiek vaarwater heet gestookt op het vuur van de Eerste Wereldoorlog. Zo werd Rotterdam een hotspot voor spionage.

1916_05_05_1_05 Tlgr.

Ondanks het fatale bombardement van mei 1940 staat daar nog steeds een markant oud gebouw. Toen het Witte Huis in 1889 opgeleverd werd, was het met haar 43 meter en 11 verdiepingen het hoogste optrekje in Europa, mits we de Eiffeltoren even over het hoofd zien. Dat mag trouwens, want die ijzeren piek in Parijs is geen kantoorpand. Het Witte Huis was voor de Maasstad van begin af aan een fraaie aanwinst die net als de Laurenskerk de bijna volledige verwoesting in de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog doorstond. De twee kolossen torenden hoog boven de rest van het Rotterdamse centrum uit, voorheen al, maar nog veel duidelijker na het bombardement, toen al het puin geruimd was. De Rotterdammers zijn op hun manier trots op de schaarse overblijfselen, zoals dat Witte Huis. Maar niet iedereen weet, dat het Keizerlijke Duitse consulaat tijdens de Eerste Wereldoorlog in dat pand gevestigd was. Vanuit deze toren werd in 1914-1918 de Duitse spionage geleid. Hoe kan het ook anders, het gebouw bood de beste mogelijkheden voor goede ontvangst van radiogolven. Bovendien vestigt een consulaat van een of andere staat zich doorgaans niet in een kelder.

Rotterdam 1940

Het is niet zeker, maar zeker denkbaar dat Schoup op een zomerdag in 1916 bij het Witte Huis aanklopte. Nadat hij bestraft was en daarom niet weer bij de Commission for Relief in Belgium kon werken, werd hij één van de arme drommels die in Rotterdam wat centen verdiende met spionage. Hij was de enige niet: het volgende weblog zal daar op 1 juli 2016 over gaan.

Over die datum volgt tot slot nu al wat oud nieuws. Laten we het over het Nederlandse weer van die dag hebben, en over heftige kogelregens, elders. De temperatuur lag op 1 juli 1916 in Nederland tussen 10,0 °C en 20,6 °C en was gemiddeld 15,9 °C. Er was 11,8 uur zonneschijn (71%). De gemiddelde windsnelheid was matig en kwam overheersend uit het zuid-zuid-westen. Er was, kortom, geen vuiltje aan de lucht. Zo’n tweehonderd kilometer ten zuiden van dit tolerabele klimaat begon op 1 juli 1916 de meer dan absurde slag aan de Somme. Vroeg opstaan jongens, dit wordt een fijne dag! Om 7:30 werd het sein gefloten om tot de aanval tegen de Duitse stellingen over te gaan. Voor meer dan 19.000 Britten was deze ene dag ook hun laatste. Maar de slag aan de Somme zou nog tot 18 november 1916 duren. Er sneuvelden in totaal meer soldaten dan Amsterdam, de grootste stad van Nederland, tegenwoordig inwoners heeft. Meer dan een miljoen arme zielen legden in maar een kwart jaar tijdens deze volstrekt zinloze slachting aan de Somme het loodje.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertisements