Tags

, , , , , , , , , ,

De berichten over de bewogen levens van Jean Gustave Schoup zijn even verstomd. “Waar waren we ook alweer gebleven?”, zou auteur en televisiemaker Geert Mak zeggen.

In Harderwijk waren we, januari 1915, waar Schoup voor de tweede keer in het Interneringskamp voor Belgische militairen terechtkwam. Hij heeft er wat tijd gesleten, al weten we niet precies hoeveel tijd en wat hij ermee deed. Zou hij misschien meegedaan hebben aan een “Internationale kaatspartij” die in januari in het kamp werd gehouden? De ‘Leeuwarder Courant’ van 27 januari 1915 maakte daar gewag van. J.G. Schoup was toen sinds twee weken weer in het kamp geïnterneerd.

1915_01_27_01 (Leeuwarder Courant - kaatswedstrijd kamp Harderwijk)

Dat kaatsen tussen Friezen en Belgen was bijzonder internationaal, maar was Schoup een kundig kaatser? Wie het weet, mag het zeggen. Een aardige rolschaatser was hij wellicht. Hij ging graag aan de rol, soms misschien wel eens op schuine schaats. Een politierapport uit de Eerste Wereldoorlog meent dat hij zich in Rotterdam vaak in de Skating Rink ophield. Dat fenomeen, niets meer of minder dan een rolschaatsbaan, was uit Engeland over komen waaien. De Anglo Dutch Roller Skating Rink Co. van directeur William S. Hitchen opende in 1911 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, entrée 25 cent! In dit pand werd tot 1909 gedanst. Toen de vergunning daarvoor werd ingetrokken (…!), ging de multifunctionele hal aan de Schiedamsche Singel onder meer als rolschaatsbaan dienst doen. In het gebouw streken ook circussen neer en er was variététheater te genieten. De mensen hadden er kortom plezier dat het een lieve lust was, zolang het duurde. Op 11 juli 1936 brandde het gebouw tot de grond toe af.

In haar boek Sport in ’t Stad – Antwerpen 1830-1914 besteedt Marijke den Hollander (blz. 173-179) heel wat aandacht aan de populariteit van Skating Rinks. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwamen ze in zwang. Daarna zakte dat wat in, maar “na de eeuwwisseling begon het rolschaatsen vanuit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan een nieuwe opmars”. De nieuwe rage resulteerde in Antwerpen vanaf 1909 in de oprichting van wel vier prachtige nieuwe zalen. Er werd niet professioneel sport bedreven, welnee. Het waren in eerste instantie mondaine uitgaansgelegenheden voor de Antwerpse elite. Men sloot zich aan omwille van het societyleven. Belangrijk verklarend element voor de populariteit was dat de dames bij het rolschaatsen “ongerept hun vrouwelijke elegantie konden bewaren. In hun lange witte rokken, pofmouwen en zonnehoeden deden ze de heersende opvattingen op dit vlak geen geweld aan”, aldus Den Hollander (blz. 348). In de pracht en praal van de rolschaatspaleizen werd krachtig geld geïnvesteerd. Het waren (blz. 372) commerciële ondernemingen “die inspeelden op een grote vraag naar mondaine recreatiemogelijkheden”. Het ging om “ontmoetingsplaatsen waar men kwam om te zien en gezien te worden” en dat speelde zich af in “indrukwekkende constructies met luxueus ingerichte zalen” . Men rolschaatste onder begeleiding van een orkestje en één van die etablissementen, de Skating du Cercle, gaf als extra attractie zelfs filmvoorstellingen en had een band met de theaterwereld. In Antwerpen zal Schoup dit moderne amusement van dichtbij meegemaakt hebben tot hij in 1913 twintig werd en in het leger moest. Waarom dus niet weer naar zo’n leuke rolschaatsbaan getogen, als je eenmaal in Rotterdam bent beland?

Die Skating Rink zou destijds volgens de politie – het gaat hier even over de jaren 1914-1915 – een verzamelplaats van meisjes van “verdachte zeden” geweest zijn, met wie Schoup als geregeld bezoeker zou zijn omgegaan. Wat dat toentertijd wou zeggen, ligt voor de hand. In een mondaine sfeer waarbij ook ongetrouwde jonge dames en heren gezelligheid en vermaak zochten, kon je wel feestelijk van samen dansen of samen rolschaatsen houden, maar vanwege de in Holland heersende calvinistische moraal kon al die ongedwongen zwier (vooral wat de vrouwen betreft natuurlijk) met gemak als onzedelijk gezien worden. Waarom anders was de dansvergunning in 1909 ingetrokken!? Wat verder van geruchten waar is, blijft doorgaans onbekend en het maakt ook niets uit. Als kloeke kerel van amper 21 jaar, eenzaam en alleen in Rotterdam, had Schoup behoefte aan gezelschap. En het is op zich niet helemaal onbekend dat het libido van een jongeman belangstelling voor het andere geslacht kan ontwikkelen. De Rotterdamse politie werd vriendelijk verzocht een vage roddel over Schoup na te trekken, maar kon bitter weinig met zekerheid vaststellen. De details zijn te plat om er woorden aan vuil te maken en het schijnt wel zeker dat de politie aan die kwalijke achterklap niet eens duidelijk inhoud kon geven. Dus wie zonder zonden is, werpe de eerste steen, maar geen zinnig mens zou dat doen. Schoups contact met vrouwen destijds komt in de biografie dan ook alleen, zonder de roddel, aan de orde in verband met een heel andere kwestie.

Geldhonger misschien? Ja, daar had het wel iets mee te maken. Maar eerst zat hij vanaf januari 1915 voor de tweede keer in het Belgenkamp bij Harderwijk. Daar waren geen meisjes, noch was er geld te maken. Het moet, zeker in het eerste jaar dat het kamp bestond, bij uitstek een oord geweest zijn om je perfect te pletter te vervelen. Er was nog geen bibliotheek, geen kamptoneel, geen school, geen wielerbaan, niet eens een patatkraam. De uren vormden dagen, de dagen gingen over in weken en de weken werden maanden, boordevol gevuld met verveling. Tijd genoeg om met weemoed aan bekoorlijkheden op de Skating Rink te denken! En tijd te over voor een langdurig niets.

1911_01_13_2_12 (Nrc

Tijd dus ook voor ons om Schoup even te laten rusten en af te zwenken van het pad zijner lotgevallen die honderd jaar geleden plaatsvonden. Tachtig jaar geleden is net zo goed! Er is bijvoorbeeld meer over Schoups laatste roman te vermelden, Geldhonger, verschenen in maart 1935. In het weblog van 18 en 20 september 2014 is al kort de inhoud van dit boekwerkje weergegeven.

Het werd niet best ontvangen. Lees maar wat ‘De Tijd’ er op 12 november 1935 over kwijt wou in een slopende recensie. “Veel aandacht besteden aan dit in een afschuwelijken omslag uitgegeven en van taalfouten wemelend boek zou tijdverspilling zijn. De heer Schoup heeft te hoog gemikt, zijn sprong is niet gelukt”. Goed, als het dan tijdverspilling was, waarom dan toch die aandacht? Zonder pardon en zonder ook maar iets ten positieve op te merken, hamerde de hele bespreking op wrange toon verder. Meedogenloos werd Schoups nieuwe roman tot pulp gewreven. “Van de financieele wereld en wat daar zoal omgaat, weet de auteur een en ander”, zette ‘De Tijd’ schamper door en “ook blijkt hij niet onkundig van het interieur van gevangenissen – deze bladzijden zijn wellicht nog de leerzaamste – maar van goeden stijl weet hij zoo weinig, dat het boek, uiterlijk al onaantrekkelijk, bijna een ergernis wordt”.

De recensie is zo moordend, dat het aan het onbetamelijke grenst. Het luidde zo negatief, zo gemeen ook, dat je je kunt afvragen of de recensent op kwade dag met zijn verkeerde been uit bed stapte alvorens zijn krenkende, met giftige grieven gevulde pen leeg te laten stromen. Schoups Geldhonger was geen meesterwerk, zeker niet, maar een kritiek mag er wel iets van heel laten. Helaas, de recensent van ‘De Tijd’ hield niet op. Hij moest en zou nog op de inhoud vitten, vond het boek “ongenietelijk door de ellenbreed uitgemeten theorieën over de maatschappijleer, waarbij de heer Schoup aan den uiterst linkschen kant blijkt te staan. Het verhaal zelf heeft niet zoo bar veel om het lijf. Een accountant maakt een tijd van opgang mee, raakt dan buiten zijn schuld natuurlijk, maar verleid door een van die kapitalistische vampieren in de strikken verward. Hij moet een paar maanden opknappen en het eind van het liedje is, dat hij zijn vrouw verlaat en “in een groot, nieuw geluk” een ander leven gaat beginnen – met een andere vrouw natuurlijk. Anders was de aardigheid van dit heelemaal niet aardige boek er te gauw af. Voor ons was dit al bij de tweede bladzijde het geval”.

Een helemaal niet aardige recensie, een aanslag was het en een publiekelijk vonnis dat tot vernietiging van het boek strekte. De almacht van de Lieve Heer werd er immers in aangevallen. De band met Jetty, de nieuwe liefde van hoofdpersoon Dycke, “is niet bekrachtigd door wet of kerk” en dat ongetrouwd samenleven was natuurlijk uit den boze! ‘De Tijd’, het dagblad van katholiek Nederland, moest niets van al dit vrijzinnige socialistische geneuzel hebben. Maar net zo kritisch, zij het bedaard, zachter en minder diep bijtend, was de toonaard van neutralere artikeltjes over Geldhonger. Wát een bittere teleurstelling door de mangel gehaald te worden… Het heeft Schoup vermoedelijk doen besluiten geen eigen romans meer te schrijven.

Zelfs na tien jaar onderzoek bleef onbekend hoe die “afschuwelijken omslag” er in zijn geheel uitzag. Geldhonger is op twee locaties te bestuderen, in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht en in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het Utrechtse exemplaar conserveert niets meer van het in rood, wit en zwart geïllustreerde kaft. In Brussel is de voorplaat er nog. Maar dat was het dan ook. Twee exemplaren zijn er nog, met misschien ergens nog een exemplaar in een doos bij de kringloopwinkel, of op de planken van een stoffige privébibliotheek. Zoek eens op zolder, maar weet van tevoren; het boek is eigenlijk verleden tijd. Hieruit mag wellicht geconcludeerd worden dat de oplage (nota bene midden in de crisisjaren!) klein was en dat Geldhonger in de afgelopen tachtig jaren voornamelijk is weggegooid. De grote verdwijning blijft niettemin merkwaardig. Zelfs de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) weet niet te vermelden dat Schoup naast zijn grote succes In Vlaanderen heb ik gedood (1932) en naast zijn goed ontvangen Een Vrek (1933) en Blanke Boeien (1934) in 1935 een vierde roman publiceerde.

Niet alleen inhoudelijk, maar ook uiterlijk was Geldhonger kennelijk lelijk. Dus ja, wat wil je, weg met dat ding, zoals ‘De Tijd’ het suggereerde. Hoe erg was het grafisch ontwerp van de omslag dan wel? Dat bleef intrigeren, totdat een exemplaar van dit vermaledijde boek opdook, compleet met stofkaft. Over smaak valt niet te twisten, zegt men. De lezer moet het zelf maar beslissen. Bekijk de wikkel van Geldhonger. Afschuwelijk of niet?

Geldhonger © J.J. Wielaert

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties