Tags

, , , , , ,

Commission for Relief in Belgium (Rotterdam)

Jean Gustave Schoup werd door de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam als kantoorbediende te werk gesteld. Dat kan van alles betekenen, lijkt het, tot iemand die op een blaadje de koffie brengt aan toe. Maar met kantoorbediende werd een administratieve kracht bedoeld, een kantoorklerk. In dat metier was aanzienlijk veel meer te doen dan tegenwoordig. Er was enorm veel schrijfwerk en er waren geen computers.

Het is voor ons nauwelijks nog voorstelbaar, maar geautomatiseerd geschiedde in 1914 nog vrijwel niets. Ofschoon in de industrie natuurlijk allerlei machines draaiden, was toch bijna alles, maar dan ook bijna alles, mensenwerk, ook aan die machines. Zulk mensenwerk bestaat tegenwoordig net zo goed, hoewel het minder lijkt te worden. Maar zelfs een computer bedient zich nog steeds niet vanzelf. Bij productieprocessen zijn alleen veel minder mensen betrokken dan vroeger als we dat aan de productiviteit relateren. Automatisering maakt telkens meer volume mogelijk. We zijn, kortom, efficiënter geworden. Op revolutionaire schaal hebben robots, machines en apparaten mensenwerk overgenomen en (laten we dat niet vergeten) vergemakkelijkt. De mens experimenteert al met kunstmatige intelligentie. Er bestaat een mogelijkheid journalistiek te gaan automatiseren. Dat betekent niet meer door mensen, maar door machines samengestelde nieuwsberichten.

En waarom moet dat allemaal? Automatiseren is economisch efficiënter, goedkoper. Mensenwerk moet betaald worden en dus wordt dat geschrapt, indien mogelijk. Vroeger gingen we bij een achter een loket zittend mens ons geld van de bank halen, tegenwoordig staan we in de rij voor de automaat. Maar er blijft veel te wensen over. Kassières moeten maar eens uit de supermarkt verdwijnen, bijvoorbeeld. Hun geestdodende job is nergens voor nodig. De klant kan de barcode op de boodschappen best zelf scannen, rekent dan elektronisch af met zijn of haar bankkaartje, het poortje gaat open en de spullen mogen mee naar huis. Op iedere verpakking zit een beveiligingschip, zodat per ongeluk niet gescande spullen niet meegenomen kunnen worden zonder dat bij het poortje het alarm aanslaat. Maar dan is er weer personeel nodig om die gevallen op te lossen. Veel te duur. Dus beter nog; voor wie zijn koopwaar niet scant gaat het poortje niet open. Boter bij de vis; wel eerst dokken! Dus alles maar weer opnieuw scannen? Nee, een beeldscherm geeft gemakshalve even aan welk product nog gescand moet worden. De beveiligingschip wordt bij die handeling immers pas gedeactiveerd. En dan eindelijk naar huis!

Dit systeem zal ingevoerd worden door hypermoderne supermarkten waar je niet meer met cashgeld kunt betalen. Dat ouderwetse betaalmiddel moet sowieso verdwijnen. Peperduur al die munten en biljetten! Het is bovendien oncontroleerbaar hoe een mens eraan kwam. Zoals dankzij de OV-chipkaart het reisgedrag van burgers te checken is, weet een bedrijfscomputer straks ook van elke burger precies wat hij kocht en waar hij het kocht. De centrale computer van supermarktketen Cybersuper weet dat bijvoorbeeld. Dat bedrijf verkoopt de data over consumptiegedrag aan een perscomputer die er nieuws van maakt. Niet gedrukt op papier natuurlijk. Dat is veel te duur. Denk aan het milieu! Kranten moeten nota bene huis aan huis bezorgd worden. Overbodig, onnodig kostbaar. Verspilling bovendien. Niet doen. Weg ermee.

stuwadoors Rotterdam (J.J. Wielaert)

Het is verleidelijk mijmerend naar de toekomst af te dwalen, maar dit weblog gaat over het verleden. Laten we dus rechtsomkeert maken en terugblikken op de activiteiten van de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam. Een eeuw geleden was het organisatorisch en administratief nog niet zo flitsend geregeld als het later bleek te kunnen. Hijskranen stonden in 1914 in de Rotterdamse haven wel, maar een scheepsruimte werd nog door stevig gespierde stuwadoors gelost. Stapelbare containers zo groot als vrachtwagens bestonden niet. Ook voor de voedsel- en kledinghulp aan België moest men het stukgoed met lichaamskracht op takels en wagens pakken om dat dan in loodsen te kunnen opstapelen. Op de kades kon de handel niet blijven staan. Daarvoor regent het in Rotterdam te veel, toen wel al automatisch.

Pas na al dat gedoe met lossen en de tussenopslag begon het vervoer met de binnenvaart en ook met treinen naar België. En al die zakken Amerikaans meel en graan moesten langs de hele vervoersweg controleerbaar blijven. Zonder barcodes en scanners ging dat alleen met potlood of kroontjespen, in dikke boeken en op grote hoeveelheden papier. Een reden van belang was onder andere te kunnen blijven bewijzen dat Nederland neutraal was in het gevecht dat de Groote Oorlog zou gaan heten. Daarom moest alles wat naar België werd uitgevoerd nauwgezet administratief bijgehouden worden. Ondefinieerbaar spul mocht er niet tussen zitten, want dat zou hetzelfde zijn als smokkelwaar. Dus als er al een partij Nederlandse peultjes voor België bij zat, dan moesten ook die geregistreerd zijn.

Wat de Relief in Belgium betreft; het was zaaks precies te noteren dat de Amerikaanse hulp – die stilzwijgend net zo goed voor de Amerikaanse landbouw als schreeuwend voor België bestemd was – echt bij de Belgische bevolking terecht kwam. Er ontstond een stroom documentatie over wat waar vandaan kwam en waar het heen moest. Denk alleen maar aan de noodzaak de overslag uit zeeschepen naar loodsen te registreren, of, als dat kon, direct naar binnenschepen of op wagens met bestemming België. De geallieerden hadden geaccepteerd dat voedselhulp doorgang moest vinden, en de vijand liet dat toe, maar het mocht niets bij de bezetter van België belanden. Constante controle was dan ook een vereiste en dat zonder computerprogramma’s als Excel of Sap.

De administratie was het handwerk van een legertje boekhouders en rekenwonders. In 1914 en ook in 1915 misschien, was J.G. Schoup hierbij betrokken. Hoover of Francqui zal hij als kleine kantoorklerk niet hebben leren kennen, maar hij werkte vanaf 1 november 1914 in Rotterdam mee aan de voedselhulp voor België. Hoe dat precies tot stand kwam, staat te lezen in het boek over de bewogen levens van deze Belgische avonturier. In zijn roman In Vlaanderen heb ik gedood schreef hij niets over Interneringsdepot Harderwijk waar hij na zijn desertie in oktober terecht was gekomen. “Twee maanden later was ik in Rotterdam”, dat schreef hij wel. “Op eerewoord vrij gelaten kreeg ik vergunning om in Rotterdam te verblijven”.

Was J.G. Schoup nou ontsnapt uit Harderwijk, of vertrok hij gewoon met toestemming naar Rotterdam? Dat laatste blijkt niet uit de documenten die in de biografie naar voren komen. Waarschijnlijk is hij uit het kamp geglipt, maar hij had gunstige contacten en werd vrijwel meteen in Rotterdam te werk gesteld. Op dat moment had men een man met zijn talenten nodig. Voor de Commission for Relief in Belgium waren zijn capaciteiten geknipt. Het is daarom aannemelijk dat hij in november 1914 inderdaad van de Nederlandse autoriteiten vergunning kreeg om te blijven. Deze kiene jongeman was opgeleid aan de Antwerpse handelshogeschool, kon bogen op talenkennis en had voor de oorlog in Antwerpen ervaring opgedaan bij een scheepvaartkantoor. Bovendien was hij een Vlaming. Hij kende het sociale klimaat in België, de omstandigheden, de regels, de manier met de mensen om te gaan. En alleen al voor de logistiek tussen Rotterdam en Antwerpen kon hij zeker ook Belgen inzetten die hij nog van zijn vooroorlogse baantje kende.

Optimaal, deze oorlogsgast. Zo veel geschikte kandidaten waren er niet. Het is logisch dat zo’n man in Rotterdam door de Amerikaanse hulporganisatie van Mr. Hoover in het team van J.F. Lucey werd opgenomen. Welcome, mr. Schoup! Join our big charity-business for Belgian relief!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com