Tags

, , , , , , , , , , ,

IMG_9005 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In het vorige bericht kwam tot uitdrukking dat de Amerikaanse voedselhulp aan België met zeker winstoogmerk tot stand kwam en verliep. De Amerikaanse auteur John Hamill veroordeelde dit scherp in zijn in 1931 verschenen boek The Strange Career of Mr. Hoover under two Flags. Hij toonde met tal van details aan dat er op ondoorzichtige manier geld aan de hulp verdiend werd zonder dat publieke controle op de activiteiten mogelijk was. “You see, it was just a private affair. Neither the State, nor the Public had any right to interfere”.

In Londen werd de inkoop door Herbert Hoover geleid en in Brussel regelde Émile Francqui de afzet. Zij, en alleen zij hadden uiteindelijk de leiding. In de zomer van 1915 gaf baron Moritz von Bissing, die op 24 november 1914 tot nieuwe Duitse gouverneur-generaal van België benoemd was, Francqui volledige handelingsbevoegdheid. “Francqui, the iron man of Belgium, could now do practically what he liked with regard to the distribution and sale of food. He supplied what he liked and charged what he liked”, aldus Hamill. Logistiek functioneerde deze handel via een keten van comités en subcomités. Het proces begon met het inzamelen van geld en met preparaties voor ontvangst van de goederen in Nederland. Haastig begon Hoovers organisatie in oktober 1914 het werk eerst tijdelijk bij een Rotterdams scheepvaartbedrijf. Al snel vernam men meer van de Commission for Relief in Belgium dan van het Committee for Relief in Belgium. Dat kwam niet omdat de leiders zich liever als mannen met een missie definieerden dan alleen maar als leden van een organiserend comité.

Er werkten twee verschillende organisaties met bijna dezelfde naam voor één doel. In het verlengde van het Amerikaanse initiatief ontstond een National Committee for Relief in Belgium, een Britse organisatie met zetel in Londen die het nodige geld inzamelde. Dit comité was in Engeland en in het Britse Gemenebest met subcomités actief. Want niet al het kapitaal dat Hoovers hulporganisatie nodig had kwam van banken. Toen Mr. Hoover de nood van de Belgen hoog van de toren had gekraaid, werd vanuit de hele wereld geld en goed geschonken. Wat extra begripsverwarring tussen de woorden comité en commissie veroorzaakte het Comité National de Secours et d’Alimentation in Brussel, het hulpcomité waar bankier Francqui zijn scepter over zwaaide. En naast dat distributieapparaat waren er nog een Spaanse en Italiaanse commissie aan het werk geslagen. Maar Francqui’s Comité National en Hoovers Commission for Relief waren de enige twee kanalen die geautoriseerd waren de beschikbaar komende gelden en goederen te beheren. Alle middelen om de nood in België te lenigen, ook die van liefdadige privéorganisaties die op eigen houtje graag iets wilden doen, moesten op deze twee kruispunten terechtkomen, dat van Hoover in Londen en dat van Francqui in Brussel. De schakelcentrale tussen die twee steden werd Rotterdam.

Erg ingewikkeld wel, al die plaatselijke comités en de nationale comités in Londen en Brussel, commissies in Rome en Madrid, comités in Amerika, Canada en Australië, en stuurcomités overal in België, die tegelijkertijd allen voor dezelfde Commission for Relief in Belgium in de weer waren. Maar actief ging het er aan toe en hoe! In Rotterdam werd het behelpen, want er kwam vanuit Amerika plotsklaps een enorme voedselhoop de haven binnen. Daar had Rotterdam toenemend moeite mee. De eerste aanvoer vanuit Engeland kwam op 1 en 2 november 1914 binnen, respectievelijk op de Coblentz en de Iris. De lading was 1777 ton meel, 414 ton rijst en 210 ton erwten en bonen, die al twee dagen later in Brussel arriveerden. Hoover liet er geen gras over groeien. Hulp was nu echt nodig geworden, want op diverse plaatsen in België, vooral in de grotere steden, dreigde voedseltekort. De mensen hadden hun thuisvoorraden zien slinken, de Duitsers hadden in de eerste oorlogsmaanden aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen geconfisqueerd en er was in België ook heel wat geplunderd. Maar later namen de Duitsers minder in beslag. Ze kochten voor goed geld levensmiddelen van de Belgen om een meer coöperatief klimaat te laten ontstaan. Het is dus niet anders; ook door winstbejag van de Belgen zelf ontstond toenemend tekort. Eind oktober 1914 vreesde men algemeen hongeroproer te mogen verwachten, vooral wegens het gebrek aan brood. Op het platteland was de nood minder schrijnend, want een boer kan zichzelf nog wel behelpen. Maar in de steden raakten de voedselvoorraden op en waar moest dan nog wat leeftocht vandaan komen?

Nou, zelfs uit het neutrale Nederland, dan toch. Daar snel en duidelijk bleek dat de oorlogvoerenden geen bezwaar maakten tegen toevoer van levensmiddelen bestemd voor hongerige Belgen, besloot de Nederlandse regering in november 1914 dat de verkoop aan de CRB van “zekere hoeveelheden peulvruchten” best moest kunnen. Toen er in december 1914 een ernstig tekort aan meel ontstond, zou de Nederlandse regering aan de Belgian Relief in Rotterdam 10.000 ton tarwe lenen. Captain J.F. Lucey, de Amerikaanse manager van de CRB-afdeling Rotterdam, kon de Nederlandse regenten overtuigen dat er in België groot gebrek heerste. En dankbaar dat deze zakenman was! “De commissie kan niet genoeg deze waarlijk menschlievende daad van de Nederlandsche Regeering roemen”, zo vatte ‘De Tijd’ zijn woorden samen.

Peulvruchten naar België © 2014, J.J. Wielaert

Aanvankelijk, vóór oktober 1914 zeg maar, was de voedselsituatie in België niet al te rampzalig. Maar de komende catastrofe was afzienbaar. De Duitse militaire macht had weinig aandacht besteed aan de problemen die bezetting van een land met zich meebrengen. De oorlog zou toch gauw voorbij zijn. Dat was althans de opzet van het Schlieffenplan. De Duitsers hadden bij hun snelle doortocht geplunderd of gekocht wat er te krijgen was. Daarna zou alles goed komen, want als Frankrijk en Rusland op de knieën gedwongen waren, zou er voedsel zat zijn, ook voor de Belgen. Maar dat ging fout. België had in oktober twee maanden oorlog achter de rug, was daardoor deels verwoest en verkeerde in wanorde. Het voedseltekort, vooral brood, werd nu een groot probleem voor de bezetter. Maar een Amerikaanse zakenman kwam dat schijnbaar gratis oplossen en de Duitsers, zeker niet gek, lieten dat graag toe.

Hoe je het ook bekijkt; wat Hoover op touw zette was op humanitair vlak een formidabele en in november 1914 dringend nodig geworden actie. Het was bovendien voor alle betrokkenen een positieve zaak. Ten eerste was de Amerikaanse voedselhulp in het belang van de bezetter, want die had hierdoor een flink probleem minder. Ten tweede kreeg de Belgische bevolking de voedselvoorziening enigszins gegarandeerd, zonder dat de Duitsers er met hun klauwen aan mochten komen. En ten derde werden ook de gulle gevers geholpen en dat niet eens alleen financieel. Marketing speelde een rol van belang, zeker op lange termijn.

Amerikaanse handel © 2014, J.J. Wielaert

De Belgen, even verwonderd als overrompeld door wat hen met de Amerikaanse hulp overkwam, hingen voor het eerst, klein of groot, thuis geborduurd of echt, de Amerikaanse vlag uit. Als er iets is dat Amerikanen goed kunnen, dan is het hun producten aanprijzen en nieuwe markten veroveren. In februari 1915 zou captain Lucey, net uit Rotterdam teruggekeerd in New York, over de Belgen zeggen: “They thought we were trying to sell them something. Many of them had never heard of the United States and did not know that there existed a class of people who would send across the seas free shiploads of food for them. Today they understand. Another thing we have done for the Belgians. We have educated them to know pork and beans. They are crazy about them. They also are learning something about American canned goods, and the use of corn meal. Zelfverheerlijking en voedselhulp als basisonderwijs in het afnemen van ingeblikt Amerikaans varkensvlees en bonen. Geweldig toch? Van Amerikanen kon je nog eens iets opsteken.

Maar wat ze te bieden hadden, was niet helemaal gratis. Dat gold toen de nood het hoogst was wat de donaties betreft nog wel, maar later werd dat minder en de kosten voor vervoer, opslag en distributie moesten toch gemaakt en betaald worden. De eerste boot die van over de Atlantische oceaan aankwam was de Tremorvah. Dat schip bracht op 15 november 1914, nu precies honderd jaar geleden, een lading van 5000 ton levensmiddelen, geschonken door Nieuw-Schotland, Canada. Op 21 november liep in Rotterdam de Massapequa uit New York binnen met 3500 ton goederen gedoneerd door de Rockefeller Foundation. Vanaf dat moment begon het vrij gestaag te lopen, schreef Tracy Kittredge, die het allemaal meemaakte. In constant toenemende hoeveelheden stroomden de levensmiddelen België binnen. In november werd in Rotterdam in totaal 26.431 ton gelost. In december 1914 brachten 17 schepen in totaal 58.000 ton en in januari 1915 wel 20 schepen een tonnage van ruwweg 70.000 ton. Vanaf toen kwam er maandelijks zelden minder dan 75.000 ton voedsel aan, het minimum dat men meende in België nodig te hebben. Vaak werd dit getal overschreden. In mei 1915 brachten 36 schepen 125.000 ton naar Rotterdam en in oktober 1915 werd uit 44 schepen in totaal wel 135.000 ton gelost. In het eerste jaar dat de Belgian Relief opereerde waren 186 volledige scheepsladingen en 308 gedeeltelijke in Rotterdam geleverd. De hoeveelheid aangevoerde hulpgoederen die de Rotterdamse afdeling in het eerste jaar mocht ontvangen bereikte een totaal van 988.852 ton. Bijna één miljard kilo!

Deze omstandigheden hebben de Rotterdamse haven een duw naar voren gegeven, te meer omdat in de Antwerpse haven, die destijds veel groter was, vier jaar lang geen zier gebeurde door de blokkade die het neutrale Nederland moest handhaven. Rotterdam werd the place to be. In velerlei opzichten ontstond voor de Nederlandse economie gelegenheid van de wereldoorlog te profiteren. Dat lazen we al wat een prachtige partij peultjes betreft, maar er kleefden genoeg andere voordelen aan. De hulp aan België werd een geweldige stimulans voor Rotterdam. Er was plotseling veel meer aan de knikker dan voor de oorlog. Als Egyptische piramiden stapelden zich in het havengebied lege vettonnen op. Maar ook administratief accumuleerde zich meteen een berg werk.

Om alles in banen te leiden kwam de Commission for Relief in Belgium in Rotterdam in oktober 1914 onder leiding te staan van de al genoemde John Francis Lucey, ex-legerkapitein en directeur van de Lucey Manufacturing Company die in de halve wereld aan oliemaatschappijen materiaal en materieel leverde dat nodig was om het zwarte goud aan te boren. Toen in Oost-Europa de oorlog uitbrak, liet deze Amerikaan zijn business in Roemenië even waaien. Hij was op weg naar de Verenigde Staten toen hij in Londen via de Amerikaanse ambassadeur Page met Hoover in contact kwam. Lucey was expert in transport, wist van shipping, zoals dat tegenwoordig zelfs al heet bij het versturen van maar één pakketje. En Lucey was niet alleen een wereldveroveraar bij de exploitatie van aardolie, maar van karakter ook het voortvarende type Amerikaan die bergen kon verzetten, een man die van wanten wist. Hij schijnt het in Rotterdam straf maar sympathiek gedaan te hebben. Het lukte in die eerste vier moeilijke maanden onder zijn leiding het nodige gedaan te krijgen, tot in details. Om de goederen niet met man en muis op de zeebodem te zien verdwijnen, werden de boten van de Belgian Relief bijvoorbeeld aan bak- en stuurboord met spandoeken behangen, zodat het voor Duitse onderzeeërs duidelijk was dat voedselhulp voor België aangevaren kwam.

IMG_9002 (kl) CRB - © 2014, J.J. Wielaert

In Rotterdam werkte Lucey’s team vanaf 21 november 1914 in het voormalige residentie van de Incassobank, een pompeus paleisje met van buiten en van binnen allerlei fraaie tierelantijnen. “Er gebeurt in dit kantoor veel goeds voor de Belgen”, schreef een Rotterdamse krant zonder erbij te vertellen dat het voor Nederlanders ook zo slecht niet was. Door het afgebroken goederenverkeer naar België, Frankrijk, Engeland en Duitsland zaten in Rotterdam bijvoorbeeld vele havenarbeiders zonder werk. Dat was dankzij Herbert Hoover meteen afgelopen. Bij het lossen van de genoemde Massapequa drongen zo’n 500 dokkers om het werk te mogen doen. De gelukkige winnaars kregen een pas met “Member American Commission” erop vermeld en gingen aan de slag. “They unloaded the cargo with much speed”, aldus de ‘Los Angeles Times’ van 24 november 1914.

De Rotterdamse krant schreef een dag later: “In twee weken zijn meer dan 20.000 ton goederen naar de misdeelden in België uitgezonden en elken dag gaan er nog 3000 ton goederen weg met alle mogelijke vervoermiddelen, lichters, sporen, trams, enz.” Maar hoe regelde de in 1915 definitief almachtig geworden bankier Francqui het dan verder in België? Hamill is er in zijn boek bitter en boos over. Volgens hem verkocht Hoover de levensmiddelen voor België om te beginnen al met winst aan Francqui. Die zette in alle provincies van België comités aan het werk die op lokaal niveau weer met kleinere subcomités werkten. Elke provincie moest bij Francqui’s bank, de Société Generale , een zekere hoeveelheid krediet opnemen. Als een provinciaal comité goederen van Francqui’s Comité National kocht, dan werd dat betaald uit het krediet dat zo’n provincie dus bij Francqui’s bank opgenomen had. De levensmiddelen werden met winst aan het bewuste provinciecomité gefactureerd. Dat comité leverde dan aan de subcomités in de kleinere districten en moest dat ook weer met een winst in rekening brengen. Uit die winst werd namelijk een deel teruggestort als betaling voor de onkosten van… Francqui’s organisatie, “so that the National Committee was not only making a profit on direct sales but a share in the profits of indirect sales”. En zo staat Hamills boek bol met staaltjes van Francqui’s stuitende eigenliefde.

Gesch. van de Wetenschap in België 1915-2000

Goed geregeld! De burgemeesters van noodlijdende Belgische gemeentes met hun subcomités meldden het gebrek aan de provinciale comités. Of het waar was, bleef een andere vraag, maar er was zeker nood te bespeuren. De provinciale comités gaven de informatie door aan Francqui en zijn Comité National te Brussel, die dan aan Rotterdam doorgaf wat ontbrak. Het kostte kennelijk allemaal niets en overal bleef wel wat aan de strijkstok hangen. Maar “Rotterdam verzamelt slechts: geld, levensmiddelen, kleeren – de jongste aanvoeren zijn met de “Massapequa” en de “Jan Blockx” geschied – en zendt met bekwamen spoed af”, aldus de Rotterdamse krant. Zo was het kantoor van de Amerikaanse legerkapitein en olie-equipement leverancier J.F. Lucey “aldoor vol bezigheid, het is een goed sympathiek werk, dat vele handen dagelijks noodig heeft”.

Twee van die vele handen zaten aan het lichaam van Jean Gustave Schoup. Begin november 1914 begon hij, na het interneringskamp Harderwijk ontvlucht te zijn, in Rotterdam bij de Commission for Relief in Belgium een nieuwe fase in zijn leven.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie: John Hamill, The Strange Career of Mr. Hoover under Two Flags (William Faro, New York, 1931). In een rechtszaak in januari 1933 betuigde Hamill spijt de suggestie gewekt te hebben dat de door de Duitsers gefusilleerde Britse verpleegster en spionne Edith Cavell met één woord van Francqui of Hoover gered had kunnen worden. Hij impliceerde zelfs dat “ruthless men” de executie lieten passeren omdat Cavell te veel over tarwe, spek, rijst, bonen en erwten wist. Hamills boek is polemisch, populistisch en inhoudelijk niet overal correct, maar over de Belgian Relief raak en to the point. Het schilderij van Francqui door J. Laudy stamt uit: Geschiedenis van de Wetenschap in België 1915-2000 (Dexia, Brussel / La Renaissance du Livre, Tournai, 2001).

Advertenties