Tags

, , , , , , , , ,

Commission for Relief in Belgium

Wat is voedselhulp? In beginsel heeft het verstrekken van levensmiddelen in noodlijdende regionen een humanitair doel. Wij, de geciviliseerde wereld, laten miljoenen door knagende honger geplaagde soortgenoten toch zeker niet verrekken? Het tegendeel is waar. Dagelijks sterven zo’n 24.000 mensen aan de gevolgen van ondervoeding. ‘Slechts’ 10% hiervan wordt door oorlogssituaties veroorzaakt. Toch worden massale voedselhulpacties meestal alleen op touw gezet bij die met oorlog in verband staande ellende, terwijl op hetzelfde moment 90% van de ondervoeden in vredige armoede creperen.

Dus laat de vraag herhaald zijn. Wat is voedselhulp? Het is wrang maar waar; het laven en spijzen van nooddruftigen in tijden van oorlog heeft onder andere te maken met big business. Burgers in rijke landen worden bewust gemaakt van een ramp en moeten gul hun geld gaan geven, want overheden hebben daarvan niet genoeg. Behalve als het om de ontwikkeling van een Joint Strike Fighter gaat of andere peperdure dingen waarvan niemand procentueel zijn persoonlijke bijdrage in zijn belastingaanslag kan herkennen. Het daarnaast toch graag geschonken geld van de burgers komt gelukkig goed terecht. Denk immers niet dat boeren hun oogsten zomaar afstaan. De meeste levensmiddelen moeten toch gekocht worden en dat werd in de Eerste Wereldoorlog in België ook weer verkocht. Kort samengevat is dat de essentie van de American Commission for Relief in Belgium.

Er was eens een zakenman luisterend naar de naam Herbert Clark Hoover. Van oorsprong was hij mijnbouwingenieur. In die bedrijvigheid had hij in China en Australië al op jonge leeftijd fortuin gemaakt. Dat lukte hem, omdat hij even sluw als schaamteloos wist om te gaan met de beschikbaarheid van goedkope arbeidskracht. Zo werd hij rijk en toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak woonde hij in luxe in Londen. Daar strandden steeds meer van het continent vluchtende landgenoten. Heel wat van deze Amerikanen ontbrak het aan geld om de overtocht naar de USA te maken. Mr. Hoover begon zich over hun lot te ontfermen en daarbij lichtte in zijn toch al heldere hoofd nog een extra lampje op. Aan de andere kant van het Kanaal, daar in België, was heel wat aan de hand! Van zijn fellow Americans vernam hij het toenemend; die Belgen zaten knap in de knel, want België moest voor haar bevolking in vredestijd al voedsel importeren. Dat was nu veel lastiger geworden.

Vrij onmogelijk, beter gezegd. Nederland, de noorderbuur, moest neutraliteit waren, dus kon niet te veel wagen. En ten zuiden van België lag het oorlogsfront met Frankrijk. Ook uit die regionen was geen voedselimport van betekenis te bewerkstelligen. Zo kwam het alimentatieprobleem op het bord van de Duitsers te liggen. Duitsland had op grond van internationaal vigerende verdragen als bezetter de plicht de voeding van de Belgen te garanderen, maar was ternauwernood in staat op eigen kracht de eigen bevolking te bedruipen. Duitsland produceerde bijvoorbeeld lang niet voldoende broodgranen. Dus ook nog eens voor de foeragering van ca. 7 miljoen Belgen garant staan zat niet echt in de Duitse oven, pan of pot.

Dit tekort had die slimme Mr. Hoover snel in de smiezen. Hier lagen lucratieve kansen, want waar gebrek heerst, is geld te verdienen. Het was afzienbaar dat er in België flink hulp geboden zou moeten gaan worden. Aldus entameerden wakkere zakenlieden als Hoover en zijn vroegere concurrent bij de uitbuiting van China, de Belgische bankier Émile Francqui, onderhandelingen tussen de geallieerden en de Duitsers over voedselhulp aan België. De Britten waren eerst fel tegen. Zij vreesden dat het allemaal toch bij de Duitsers terecht zou komen. Maar baron Wilhelm Leopold Colmar von der Goltz, gouverneur-generaal van de bezettingsmacht, gaf op 16 oktober 1914 schriftelijk te kennen de hulp uit Amerika te begroeten en garandeerde daarbij tevens dat de hulpgoederen uitsluitend voor de Belgische bevolking bestemd zouden blijven. Gecontroleerd via een uitgekiend systeem van verkooppunten kwam het leeuwendeel ook inderdaad bij de Belgen zelf terecht. Wat zij er daarna mee deden, is een ander verhaal, maar dat was dan niet meer het probleem van Hoover en consorten. Zij hadden aanvankelijk een heel ander probleem en daarmee hielp die deftige monsieur van de Société Générale de Belgique, die bankier Francqui.

Hoe moest deze enorme hulporganisatie aan het nodige geld komen? Die vraag werd aan de Belgische regering voorgelegd die in ballingschap in Le Havre, Noord-Frankrijk verwijlde. Het probleem was al snel uit de wereld geholpen. De Belgische staat zou de voedselhulp financieren, mede op grond van leningen bij Francqui’s bank natuurlijk, of leningen bij de Amerikanen, en Hoover zou met het beschikbaar gestelde geld in Amerika raad weten. Dat klopte! Hoovers hoofdrol bij de Commission for Relief in Belgium (CRB) was die van inkoper. Hij speelde het zoals het een voortvarend zakenman betaamd. Hij kocht vliegensvlug enorme partijen graan en meel van Amerikaanse boeren op en verrichtte die humanitaire daad in een periode waarin de voedselnood in Europa nog niet echt schrijnend was. De prijs voor al die agrarische producten was nog betrekkelijk laag. Maar naarmate de oorlog langer duurde, stegen de voedselprijzen op de wereldmarkt. En zo werd bij de verkoop aan de Belgen steeds winst gemaakt, waarbij onze monsieur Francqui, die voor de verkoop mocht zorgen, als zakenman wellicht zijn beste tijd ooit beleefde. Het CRB werd voor een gering aantal mensen een goudmijn, niet in de laatste plaats voor de gewezen mijnbouwer Hoover, die voor zijn harde werk geen salaris verlangde. Dat gaf hem het beste decorum de reddende engel van België te zijn. Hij, Mr. Hoover, die grootmoedige Amerikaanse filantroop. En hij, Francqui, die bankierende Belgische victualiënventer.

Hoover + Francqui (xkl) © 2014 J.J. Wielaert

Goed, dat is wat scherp geformuleerd. Men kan ervan denken wat men wil, maar dankzij deze twee ondernemers heerste er tijdens de Eerste Wereldoorlog in België geen onoverkomelijke hongersnood. De Amerikaanse uitbuiter en de Belgische uitbater kweten zich voorbeeldig van hun werken van barmhartigheid. Boze tongen hebben later beweerd dat de oorlog hierdoor gerekt werd, want zonder de Relief in Belgium hadden de Duitsers een enorm extra probleem gehad en waren in Duitsland en bij het Duitse leger veel sneller voedseltekorten ontstaan. Dat is theoretisch denkbaar, maar feitelijk gezeur achteraf. Met hypothetische redenaties als ‘had de hond de kat gebeten, dan was de muis niet weggerend’ valt weinig te bewijzen. Het rekken van de oorlog was in elk geval niet de opzet van Hoovers humanitaire interventies. Dat de oorlog langer dan verwacht duurde, was hooguit een lateraal gevolg van zijn zaken doen in gebrek, net zoals dat voor de wapenindustrie gold. Had de Amerikaanse industrie de Europese geallieerden niet voortdurend met wapentuig en voedsel bevoorraad en had de Amerikaanse bankier J.P. Morgan hen daarvoor niet honderden miljoenen dollars geleend, dan was de oorlog in West-Europa snel afgelopen geweest. Maar afdwalen in die materie is misschien beter iets voor later. Laten we eens overwegen wie er verder nog aan de Relief in Belgium verdienden.

Om te beginnen moest al het Amerikaanse meel ingescheept naar Europa gebracht worden. Dat kostte niet niets. Het kwam allemaal in de haven van Rotterdam aan, omdat de haven van Antwerpen geblokkeerd bleef. De CRB opende al gauw een kantoor in de Rotterdamse haven om de zaken te kunnen coördineren. Hier werd een compleet team werkzaam, dat er zijn boterham mee verdiende. Ontscheping en tussenopslag in Rotterdamse loodsen was uiteraard niet gratis. Besef daarbij steeds dat het jaren lang om honderdduizenden tonnen meel ging. Dit bood fijne werkgelegenheid. En dan moest het vervoer naar België nog gedaan worden. Daar werd het meel vervolgens in speciale winkels met winst aan de burgers verkocht. En daar had bankier Francqui de hele charitatieve business onder zijn hoede. Laat het duidelijk zijn. Het woord “hulp” als in “voedselhulp” betekende niet meer of minder dan dat er handig gejongleerd werd om ervoor te zorgen dat er voedsel voor de Belgen was. Maar dat betekende niet dat het Amerikaanse meel gratis bij de Belgen belandde. In tegendeel. Er werd in een handelsketen die van de korenvelden in Amerika tot in de kleinste dorpen in België reikte constant geld verdiend. Dàt is wat men voedselhulp noemt. Er zijn miljoenen in het spel als voor rampgebieden grootschalige hulpprojecten georganiseerd worden.

Toch deed Hoover als energieke organisator bewonderenswaardig menslievend werk. Zijn hulpbetoon staat buiten kijf, maar het zakelijke aspect moet daarbij niet over het hoofd gezien worden. Amerikaanse agrariërs hebben hem op handen gedragen, want hij hield maar niet op hun oogsten in hulpprogramma’s te verpakken. Het ging pas mis toen omstreeks 1927-1928 wereldwijd de prijzen op de graanmarkten kelderden. Dat kwam onder meer door de Sovjets, die hun graanoverschotten begonnen te dumpen. Hoover zette door als verlosser en werd president van de Verenigde Staten. De gevolgen van de Wall Street Crash in 1929 wist hij echter niet op te lossen en dus keerde hij, nadat Franklin D. Roosevelt in 1933 aan de macht gekomen was, terug naar business as usual.

Hoover + Hitler © 2014, J.J. Wielaert

Waar anders dan over alimentaire voorziening converseerde Hoover, toen hij op 8 maart 1938 in Berlijn een gesprek met Adolf Hitler had? Dat onderhoud vond nota bene plaats toen de al gepensioneerde Shell directeur Deterding bezig was met zijn eigen voedselhulp aan Nazi-Duitsland. Het was destijds aan de Duitse eettafels niet al te best gesteld, want Hitler gaf nogal veel aan wapenproductie uit. Vlak nadat hij daarmee in 1939 Polen overrompeld had, begon Mr. Hoover weer een hulporganisatie, de Commission for Polish Relief. Die CPR organiseerde in feite hetzelfde als in de Eerste Wereldoorlog met de Commission for Relief in Belgium het geval was geweest. De verplichting van de Duitse bezetter voor Polen te zorgen werd door Hoovers CPR materieel verzacht en in ruil daarvoor kon hij als hulpapostel weer eens voor de afzet van Amerikaanse producten gaan zorgen. Net zoals hij dat in 1914-1917 in België gedaan had en daarna, in 1921, Ierland en in Rusland.

Al met al ging het bij Mr. Hoover steeds om een eenvoudig zakenmodel. Hij wist van zijn vroegste loopbaan in China wat het betekende als mensen hongerden, maar wou dat later niet meer weten. Hij keerde in 1914 in zijn hoofd de lepel om. Hij zag in het verhelpen van voedseltekort iets zitten om zich voor in te zetten. Daarmee zou evengoed geld te verdienen zijn. Het maakte Hoover feitelijk nooit uit waar het politiek over ging, maar hij moet wel als een liberal, een vrij zakenman, gezien worden. So what!? Deed hij iets verkeerd? Waar Mr. Hoover was, was minder honger. Dat was mooi. En waar honger was, daar verscheen vaak ook Mr. Hoover. Te beginnen met België vanaf oktober 1914.

En monsieur le banquier Émile Francqui? Hij werd tijdens de Eerste Wereldoorlog steenrijk en zou nog het ongekroonde staatshoofd van België genoemd gaan worden. Laten we dus zijn rol in Belgisch Congo maar vergeten, toen hij geen bankier maar militair was in het leger van de afgrijselijke massamoordenaar Leopold II, koning der Belgen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties