Tags

, , , , , ,

prins 1914_11_21_245 - harderwijk kl

Harderwijk, oktober 1914. In het tentenkamp boordevol Belgische soldaten heerst gebrek. Duizenden jonge kerels moeten in witte, kegelvormige canvastenten maar zien wat ervan komt. Wat zal de toekomst brengen? Waar zijn we beland? ’t Is guur en nat buiten, kil en vochtig binnen. Het stro dat als matras moet dienen helpt nauwelijks om slapend op de koude grond niet klam wakker te worden. In het holst van de nacht, met knorrende maag.

Maar daar waren ze dan, die duizenden Belgische soldaten, verslagen en op de vlucht gejaagd, na twee maanden lang in eigen land hun benen uit het lijf gelopen te hebben bij nutteloze manoeuvres. Twee maanden waren ze veeleer door hun officieren dan door Duitsers opgejaagd. Voor deze naar Nederland gevluchte stakkers was dat nu fini. Lafaards kon je ze niet noemen. De Duitse overmacht was niet te stuiten geweest en tijdens de aanval op Antwerpen lieten leidende officieren de manschappen in de forten soms gewoon het eerst in de steek. Langs de Schelde gingen vele soldaten, naar Nederland, om niet krijgsgevangen genomen te worden. Tweede luitenant Leclercq haalde het op 7 oktober 1914 met zijn mannen best nog tot over de Schelde, maar vond het later toch beter noordwaarts naar Nederland te zwenken, in plaats van naar Diksmuide door te lopen. Dáár, in het neutrale Nederland, zou niet gevochten worden zeker? Nou, die snuggere onderluitenant Leclercq had daar gelijk in en bracht de rest van de Eerste Wereldoorlog veilig in Nederland door. We mogen hem, zonder enig voorbehoud, een deserteur pur sang noemen.

Onderluitenant Leclercq was bevelhebber bij het 1e Régiment des Grenadiers, 3e Bataljon, 4e Compagnie. Zijn chef, luitenant Reclercq, liep wél dapper door naar Diksmuide en maakte de eerste slag bij Ieper mee. Als ondergeschikte van kapitein Rolet was deze Reclercq ook commandant van de compagnie waar grenadier Schoup in meemarcheerde. Maar die soldaat raakte tot zijn geluk nog goed op tijd gewond en vond het toen beter de spontane ondernemingsgeest van onderluitenant Leclercq na te volgen, al wisten zij vast niets van de gemeenschappelijke gedachte de oorlog maar gedag te zeggen. Soms komen mensen gewoon tegelijkertijd op hetzelfde idee. In en nabij Antwerpen is dat rond 6 oktober 1914 zelfs opmerkelijk vaak voorgekomen.

Jean Gustave Schoup liep langs de oostelijke oever van de Schelde in de stroom burgervluchtelingen mee, incognito in burgerkledij. Op 9 oktober 1914 kwam hij aan. In Ossendrecht vond hij logies in een pension, tot hij als soldaat herkend werd. “Den tweeden dag van mijn verblijf in Holland werd ik door een oprecht vaderlander, een hoogstaand patriot, verraden en door de Nederlandsche autoriteiten geïnterneerd”, zou hij achttien jaar later in zijn antioorlogsroman schrijven. Wie die patriot was, mogen we van de auteur niet weten. Jammer, maar het maakte hem zelf toch niks uit waar hij terecht zou komen. Voor hem was de hoofdzaak bereikt: “ik was verlost uit den waanzin, uit de hel, uit het moordenaarsbedrijf, dat nog elken dag doorging in Vlaanderen en in half Europa. Ik bekende ronduit dat ik militair was, gaf matriculatie-nummer, regiment en compagnie op en werd naar Bergen-op-Zoom gezonden, onder militair geleide”.

Waar hij belandde, beschrijft hij niet, maar dat blijkt uit legerdocumenten. Het meteen iets minder montere meneerke werd na kort oponthoud in Bergen op Zoom naar het miezerige tentenkamp voor militaire vluchtelingen bij Harderwijk gebracht. Wie had dat gedacht? Schoup niet, maar nu zat hij toch in die schamele tentenbende, verstoken van het comfort dat hij voor de oorlog in Antwerpen gewend was geweest. Het leven was er niet alleen karig en klam. Er was niet eens wasgelegenheid. Er waren nog geen latrines en dus moet het ook daarom in dit kamp gestonken hebben als in de smerigste zwijnenstal.

IMG_8968 - © 2014, J.J. Wielaert

‘Interneringsdepot Harderwijk’, zoals het genoemd zou gaan worden, was destijds bij lange niet wat het in de Eerste Wereldoorlog nog zou worden, een compleet Belgisch dorp, groter dan Harderwijk zelf. In oktober 1914 waren daar alleen maar tenten die als een veld van witte paddenstoelen tegen de grauwe bodem en bebossing afstaken. De soldaten werden niet of nauwelijks ingetekend – de registratie uit de eerste tijd is verloren gegaan, wat er ook van heeft bestaan. Er was nog geen afrastering en niet voldoende bewaking. Wie had dat ook moeten klaren? De Nederlandse krijgsmacht was met defensie van de landsgrenzen bezig. Het was even ten zuidoosten van Harderwijk kortom een ongeregeld zooitje voor een zooitje ongeregeld. Zo’n 7000 Belgische soldaten zaten in het Nederlandse herfstweer lijdzaam lijdend te wachten op het eind van een oorlog die, naar men toen nog dacht of hoopte, kort zou zijn. Het bleek alleen toch wat langer te gaan duren en dus werd langzaam een beginnetje gemaakt voor humanere behuizing.

In diezelfde begintijd van het kamp wachtten sommigen echter niet op betere tijden. Zo’n 250 soldaten ontvluchtten vluchtoord Harderwijk in de eerste maanden. Gezien de schrijnende omstandigheden die er heersten was hen dat niet kwalijk te nemen. ‘Het Volk’ drukte op 7 november af wat een Belgische soldaat de krant liet weten over het stro waar de mannen al drie weken op sliepen. “Door de regens der laatste dagen is het helemaal vochtig geworden. Nu begint het te rotten en verspreidt een duffen geur. Versch stroo zou hier niet misplaatst zijn”. Op 10 november publiceerde dezelfde krant weer dat 7000 soldaten sinds half oktober op hetzelfde stro sliepen. “Voeg daarbij dat sinds drie à vier weken de geïnterneerde soldaten de gelegenheid niet meer gehad hebben een bad te nemen of zich behoorlijk te reinigen, wijl voor die 7000 soldaten slechts één enkel bad ten dienste staat, en wel in het Hospitaal te Harderwijk, en buitendien alleen maar verlof tot het bad wordt verkregen, wanneer men reeds door schurft of andere dergelijke kwaal is aangetast”. Velen hadden op de vlucht uit België alles verloren en dus slechts één onderbroek. Verschonen was er niet bij. Twee dagen later werden de eerste gevallen van tyfus geconstateerd. Echt waar? Awel, ’t is te zeggen; een dag daarna maakte een krant bekend dat er een huidziekte was uitgebroken “welke zich bij de aangetasten aan het gelaat vertoont. Een 40-tal lijders zijn reeds of worden van de andere militairen afgezonderd”.

Conform een lelijke verwensing in het Nederlandse spraakgebruik kregen enkele van de als stalvee in de kou gezette Belgische soldaten letterlijk de tyfus. Dat was uiteraard geen opzet van de Nederlandse autoriteiten, maar waarom liet men het dan toch zo ver komen? Waarom die mensonwaardige behandeling? Was het zo slecht gesteld met onze edelmoedigheid? Nee, maar logistiek kreeg men in zo korte tijd niet al het nodige georganiseerd. Maar had het met het beddengoed toch niet iets sneller mogen lukken? Een Belgische soldaat schreef half december 1914 vanuit het kamp Harderwijk: “Geïnterneerd van 11 October moesten wij ons vergenoegen op open stroo te slapen gedekt met een deken. Sedert een maand kregen wij dan een zak, waar wij het lang gebruikte stroo dat onder ons lag moest in bergen om daar voort op te slapen. Het is wel waar, er kwam dan ook stroo aan om onder de manschappen te verdeelen, tot zoolang de voorraad strekte, doch verreweg het meerendeel moest hetzelfde stroo, dat reeds stof en zand was geworden, maar in zijn zak steken, waar zij nu nog op slapen. Men staat op die wijze ’s morgens schier gebroken op”.

Maanden lang moesten ze kamperen in kale tenten met een bed van zompig stro en met de regen als enige potentiële douche! Eén van degenen die dit meemaakte was soldaat 2e klasse Jean Gustave Schoup, zij het maar kort. Volgens papieren van het Belgische leger was hij van 10 tot 15 oktober 1914 geïnterneerd. Een krantenbericht van woensdag 21 oktober 1914 is daarbij interessant. Het bewijst dat er naamlijsten van geïnterneerden moeten zijn geweest, want anders is het houden van een appèl ondoenlijk. J.G. Schoup ontsnapte vast midden in de week van 11 tot 18 oktober 1914 uit het kamp Harderwijk. Hoe dat gegaan is weten we niet. Maar op zondag 18 oktober constateerde men op het appèl dat er maar liefst 61 soldaten ontbraken.

1914_10_21_03 (NTC - Geïnterneerden zoek + kamp Harderwijk)

Bar en boos was het, verstoken van de meest fundamentele hygiëne voor 7000 man even smerig als besmettelijk, maar Schoup maakte de akelige toestanden die in november 1914 in Harderwijk optraden niet mee. In 1932 verkondigde hij in zijn boek dus alleen maar lof over de Nederlandse hulp. Holland had “de grenzen wijd open gezet, het Hollandsche volk zijn hart niet minder en duizenden, opgenomen en verzorgd, zonder te rekenen, zonder te wikken en te wegen. Er mòest geholpen worden, er wèrd geholpen. October 1914 zal in de Nederlandsche geschiedenis een schone bladzijde blijven. October 1914 zag het Nederlandsche volk – neutraal en geïsoleerd – een grootsche, menschelijke daad stellen, zonder lawaaierig decorum of bombastig geschetter. Enkele uitzonderingen, die later, sterk overdreven meestal, dienst moesten doen om de ontvangst der Belgische vluchtelingen in Holland te brandmerken, doen niets af aan de warme, gulle gastvrijheid die het Nederlandsche volk, als geheel, in October 1914 heeft betoond”.

Dat is de andere kant van de waarheid, ondanks de misstanden die bij dit plotselinge vluchtelingenprobleem niet uit konden blijven. Nederland deed behoorlijk zijn best, maar was met zijn 6,3 miljoen inwoners niet op opvang van 1 miljoen extra gasten voorbereid. We zouden er tegenwoordig niet minder moeite mee hebben. Er is veel minder stro dan toentertijd, maar wat extra dekens of slaapzakken hebben we allemaal wel in huis.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Advertenties