Achter pinnekesdraad : terug in het Belgenkamp te Harderwijk!

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Het weblog van oktober 2014, tweeënhalf jaar geleden alweer, gaat over de schrijnende omstandigheden waarin de Belgische soldaten terechtkwamen die naar Nederland vluchtten. Het gros van hen werd in het geïmproviseerde Interneringsdepot Harderwijk geconcentreerd. De ontberingen die dit zgn. “Belgenkamp” in het begin kenmerkten, waren uiteraard niet zo kwalijk als ons dat bij het woord concentratiekamp voor ogen staat. Dit was geen straf- of vernietigingskamp. Even buiten Harderwijk werd niet gemoord, noch gemarteld en er moest geen dwangarbeid worden verricht. In tegendeel, de Belgische soldaten moesten lijdzaam afwachten of de oorlog snel voorbij zou zijn. Maar daar het om menswaardige opvang moest gaan, werd het wel erg wrang dat er destijds in dit vluchtoord nijpend gebrek heerste aan de meest normale voorzieningen.

De plotselinge komst van bijna 1 miljoen Belgische burgers en zo’n 40.000 Belgische militairen in oktober 1914 was bepaald niet makkelijk te managen en kostte een lieve duit. De Nederlandse autoriteiten wachtten dus nog even af wat er zou gaan gebeuren. De oorlog kon snel afgelopen zijn, dus waarom adequate maatregelen treffen voor een situatie die geen maanden zou duren, wel? En als het toch zo zou zijn, wie zou dat dan betalen? Nederland keek de kat uit de boom. Daarom waren de toestanden in het opvangkamp voor Belgische militairen aanvankelijk extreem primitief. In de winter van 1914-1915 was het niet meer dan een armoedig tentenkamp, guur en goor ook, gespeend van sanitair en andere inrichtingen die nodig zijn voor een humaan bestaan. De gevluchte soldaten kregen niet eens een brits om op te slapen. In klamme kou bivakkeerden ze, op ijzige grond overnachtend met onder zich niet meer dan een harde zak rottend stro. Menig dier op een boerderij had het beter en de tyfus brak uit, letterlijk.

Geen wonder dat honderden Belgische soldaten het kale modderkamp ontvluchtten in de hoop op betere omstandigheden, hoe onzeker die toekomst ook zou zijn. Het weblog van 1 december 2014 belicht dat Jean Gustave Schoup bij de vermetele snuiters behoorde die voor zichzelf een betere wereld zochten. Ook hij ging liever een onzekere, maar misschien toch goede toekomst tegemoet. Dan maar illegaal buiten het kamp verkeren en met het ware leven jongleren! Dit lukte hem prima, naar zijn zeggen zelfs met officiële toestemming en dat was nogal logisch. Schoup wist zich verstaanbaar te maken in het Nederlands, Vlaams, Frans, Engels en hij kon vast ook heel wat Duits. Hij had in Antwerpen in de handel en scheepvaart gewerkt en was Belg. Werk voor de Rotterdamse afdeling van de Commission for Relief in Belgium paste precies!

Schoup was jong en wou wel eens wat. Allez, lustig aan de zwier met de bevallige vrijsters op de Skating Rink in Rotterdam. Tot september 1915 woonde hij op de hoek Coolsingel 45 / Aert van Nesstraat 2, direct boven Café Hollandais, een horecabedrijf van bier- en wijnhandelaar Jan Cornelis Tims. Ook daar gezelligheid troef uiteraard en waarom niet? Bijna alles in het leven kost echter geld. Een misstap was het gevolg. Eenmaal weer vrij, verkocht Schoup in de zomer van 1916 praatjes aan spionagediensten. Die vulden kennelijk niet alle gaatjes, al is het fijne over deze activiteiten niet bekend. Handelde hij in verzinsels? Wat ervan waar was, weten we niet. Vermoedelijk deed hij maar wat alsof, net als soldaat Charles Louis Claes, een andere arme drommel die – zie het weblog van juli 2016 – zo min mogelijk met het verraderlijke aspect van spionagewerk te maken wou hebben. Het duurde niet lang, Schoup werd gearresteerd, misschien gewoon maar omdat hij illegaal buiten het kamp in Harderwijk verkeerde. De politie verhoorde hem, maar documentatie daarover is niet bewaard gebleven. Op één na gingen alle verbalen van 1916-1917 op 26 februari 1945 verloren ten gevolge van een abusievelijke geallieerde bominslag in Den Haag, bedoeld voor de Duitse lanceerinstallaties van de V2 daar in de buurt. Het pand Fluwelen Burgwal 12A, dat dienst deed als archiefdepot, ging in vlammen op. Daarom zullen we nooit te weten komen wat Schoup over zijn werk als spion verteld heeft.

Uit andere documenten blijkt dat de vreemdelingenpolitie de jonge Schoup in de nacht van 25 op 26 oktober 1916 in Rotterdam oppakte. Al gauw werd hij geïdentificeerd als gevluchte Belgische soldaat die toch eigenlijk… Juist, hij werd onmiddellijk doorgestuurd naar het “Belgenkamp” te Harderwijk. Daar was hij al ruim anderhalf jaar niet meer geweest! Achter de toegangspoort begon een nieuw hoofdstuk van zijn vele bewogen levens.

Van Interneringsdepot Harderwijk is tegenwoordig geen spoor meer te bekennen. Het complex lag zuidwestelijk van de huidige afslag 13 van de A28. Het kamp was qua oppervlakte twee keer zo groot als Harderwijk en het behuisde bijna dubbel zoveel zielen. Het vissersdorp had zo’n 7.500 inwoners, in het depot waren zo’n 13.000 Belgische soldaten geïnterneerd. Schoups retour, eind oktober 1916, “terug van vermist”, was voor hem geen pretje, geen fijn vooruitzicht althans, maar toch bleek het vast niet zo weerzinwekkend te zijn als de eerste aankomst daar, medio oktober 1914. Hij moet zich in oktober 1916 zelfs danig verbaasd hebben.

De ontwikkeling die het kamp in de afgelopen jaren had doorgemaakt was spectaculair. Op die heidevlakte, op die zanderige modderpoel van voorheen, was een fier houten dorp ontstaan. Er was een kerk, een ziekenboeg annex polikliniek, een bibliotheek, een tijdschriftenkiosk, latrines, waslokalen, een postkantoor en zelfs een drukkerij waar het tweewekelijkse tijdschrift ‘Inter-Nos-Revue’ werd gemaakt. Het eerste nummer verscheen op 15 mei 1916. Er waren toen al meer dan een jaar ook werkplaatsen in het kamp, de zgn. Werkschool. Dit vakonderwijs werd op 7 maart 1915 officieel geopend. De soldaten konden er een ambacht leren. De liefhebbers mochten zich in de ateliers niet alleen in hout,- steen- en metaalbewerking bekwamen maar bijvoorbeeld ook in textiele werkvormen. Vanaf 12 november 1915 werd de Studiekring hiervan een uitbrei­ding met ruimte en lokalen voor geestelijke scholing. Omdat in België lang geen leerplicht had bestaan, was het aantal ongeletterde soldaten vrij hoog vergeleken met Duitse, Nederlandse en Britse soldaten, namelijk bijna 18% van de kampbewoners…

“Vier leergangen voor analphabeten werden ingesteld, twee leergangen van lager Neder­landsch, drie van lager Fransch, vier van lager rekenen. Voor spraakgebrekkigen werd ook een cursus geopend”, aldus dagblad ‘De Telegraaf’ een jaar daarna op 14 november 1916. Uitein­de­lijk zouden dankzij de Studiekring bijna 6000 geïnterneerden in het kamp leren lezen en schrij­ven. “De kring zelf won elken dag leden bij. Op 1 Jan. 1916 bereikte hij zijn hoogste leden­aantal: 790. De vak-bibliotheek telt nu 488 werken in 617 boekdeelen, en 4 tijdschriften in 34 deelen. Tot op 25 Oct. werden 4361 boekdeelen uitgeleend. Elken dag is daartoe gelegenheid, ’s voormiddags, in de leeszaal bibliotheek B. Na opheffing van de interneering – dat komt wel eens! – zullen de boeken onder de leden worden verdeeld”. Lezen, onderwijs en zelfstudie was nog niet alles. “Ook door het houden van lezingen heeft de kring gemeend zijn leden te kunnen dienstig zijn: 40 lezingen over technische en wetenschappelijke onderwerpen werden gehouden”.

Zo profiteerde menig Belgische soldaat van opleidingen en educatie waar hij vroeger geen tijd of geld voor zou hebben gehad. De geïnteresseerden mochten een eigen pakket samenstellen. Frans, Duits, Engels, wis- en natuurkunde, algebra en geometrie waren het meest gevraagd. Tiens, lezen en schrijven, iets studeren… misschien handig voor later en goed voor de geest! Maar moest het lichaam niet ook iets te doen hebben!? De Belgen hielden destijds al van het cyclisme en dus kwam er in het kamp een wielerbaan, de grootste van Nederland. Daarnaast waren er in 1917 ruim vijftig sportverenigingen met zo’n drieduizend leden. Voor ieder wat wils: boogschieten, kaatsen, gymnastiek, atletiek, schermen, biljarten, schaken, noem maar op, uiteraard ook voetbal. Voor anderen, beter gezegd voor allemaal, waren er de praathuizen. Het was namelijk zo; de vijf­tig slaapbarakken – de laatste werd op 4 maart 1915 voltooid – boden met hun 51 x 13 meter ruimte voor 250 man, maar ze bleven onverwarmd. Daarom werden er twee warm gestookte kantines gebouwd met onder andere de Tea Room. Kon er nog iets meer bij? Zekers, cultuur natuurlijk! Vanaf kerstmis 1915 werden toneelvoorstellingen een attractie in het kamp. Dit amateurtheater stond wat de Vlaamse voorstellingen betreft onder leiding van theaterregisseur Jos Verlinden. Voor het Waalse spel tekende Henry de Névry. Het initiatief resulteerde in een kampschouwburg waar ook burgers van Harderwijk naartoe kwamen. Blijspelen en operettes waren vooral populair. En er kwam bioscoop, zeer modern voor die tijd!

Al met al zou je kunnen zeggen dat er in het kamp veel méér leven in de brouwerij was dan in Harderwijk zelf, al kwam er (heel on-Belgisch feitelijk) géén echte bierbrouwerij aan te pas. Er ontstond nijd in Harderwijk, want veel van dat moois had het puriteinse stadje zelf niet. Wat bij de gereformeerde bevolking niet kon, bioscoop bijvoorbeeld, kon in het kamp wel! De Belgen hadden eigen fanfares en een symfonieorkest met 87 musici… Er verscheen ook een typisch Belgische faciliteit die zelfs heel Nederland nog niet kende, laat staan dat de Harderwijkers er spontaan het essentiële levensbelang van inzagen. Het kamp kreeg een heuse frietkraam!

Het was moeilijk na te gaan wat Schoup ondernam in deze ambiance waar ledigheid en verveling ook altijd op de loer lagen. Gelukkig deed hij iets. Maar allereerst: waar kreeg hij onderdak? Van de kampregistratie is bar weinig bewaard gebleven, maar uit een advertentie in twee Belgische kranten blijkt dat hij in Barak 28 terechtkwam. In het weblog van februari 2015 toont een foto hoe het leven van alledag in zo’n houten slaapbarak was. De genoemde advertentie verscheen van 28 april t/m 1 mei 1917 voor het eerst in ‘L’Indépendance Belge’ en zou vervolgens van 13 mei t/m 19 september 1917 vrijwel constant in ‘La Métropole d’Anvers’ geplaatst worden, steeds dezelfde tekst. Ziehier de advertentie uit ‘L’Indépendance Belge’:

Schoup deed in de rubriek “POUR SE RETROUVER” (om elkaar terug te vinden) een poging de actuele verblijfplaats van een zekere familie T. Claessens te achterhalen, die in Antwerpen gewoond had, Rue du Réservoir 21. Hij was een buurtgenoot van deze familie. De Rue du Réservoir (tegenwoordig de Houwerstraat) was niet ver van Schoups ouderlijk huis, Rue du Pont 20 (tegenwoordig de Brugstraat). Deze twee straten liggen direct in elkaars verlengde, met alleen het St. Jansplein er midden tussenin. De familie Claessens kon schrijven aan “Dr  G. Schoup, Grenadier, B 28, Harderwyck”. ‘La Métropole d’Anvers’, waar de advertentie daarna maanden lang regelmatig in verscheen, begreep niet even goed als ‘L’Indépendance Belge’ dat meneer Schoup kennelijk een heuse “dr.” was en drukte in plaats daarvan steeds alleen maar een hoofdletter D af, als volgt: “On demande l’adresse de la famille T. Claessens, ayant habité à Anvers, 21, rue du Réservoir. Ecrire à D G. SCHOUP, grenadier B 28 camp d’Harderwijk”.

Die hoofdletter D moest dus dr. zijn. Bon, maar waarom alleen die hoofdletter G steeds plaatsen en niet beide initialen J.G.? Dat komt, omdat Jean Gustave Schoup zich destijds gebruikelijk bij zijn tweede naam liet noemen, Gustaaf of ook Gust. Op zich is dit niet zozeer van belang. Het was voor de onderzoeker slechts een gelukje dat deze advertentie de (vooralsnog) enige aanwijzing is dat Schoup in Harderwijk in Barak 28 werd ondergebracht. Op de onderstaande foto is hij niet te ontwaren, maar zoals gezegd kon zo’n behuizing omstreeks 250 man herbergen en dus staan de bewoners lang niet allemaal op de bewuste foto. Bovendien was Schoup zelf niet in het kamp toen de foto gemaakt werd. Toch was ook dit een mogelijkheid een beeltenis van hem te ontdekken, al liep die poging dood. In elk geval geeft de foto van Barak 28 een indruk van het gebouw waarin hij vanaf eind oktober 1916 woonde.

Eenmaal terug van weggeweest droeg Schoup op zijn manier een steentje bij aan het kampleven. Zo hield hij in januari 1917 in de Studiekring een voordracht over het onderwerp “Het werktuig door de eeuwen heen”. De ‘Inter-Nos-Revue’ publiceerde er op 15 januari 1917 een gortdroge samenvatting over. Net als de advertentie laat blijken, bewijst dit artikel dat Schoup zich toen al een dr.-titel aanmat. De voordracht werd volgens het kamptijdschrift gehouden “door den heer Dr. J. Schoup” die in werkelijkheid geen academische graad bezat. Maakte dat wat uit? Welnee, niemand kon de waarheid te weten komen en de spreker kon ook zonder officieel doctor te zijn als de beste interessante bespiegelingen over gemeenplaatsen opdissen, vast veel eloquenter dan menigeen die zich wél officieel “dr.” mocht noemen.

Zie in de onderstaande afbeelding een knipsel uit ‘Inter-Nos-Revue’ nr. 17, 15 januari 1917 en daarnaast nr. 22, 1 april 1917, vandaag exact 100 jaar oud

Schoups naam en voordrachtskunst haalden het tot in ‘Vrij België’ van 12 januari 1917. Dit ondergrondse Belgische weekblad, uitgegeven in Scheveningen van 1915 tot 1918, maakte géén gewag van een “dr.” die zo prachtig sprak. Onder het kopje Harderwijk – VLAAMSCHE STUDIEKRING” lezen we een samenvatting van zijn spreekbeurt en dan: “Dit heeft de heer Schoup op hoogst leerrijke wijze uiteengezet en hij oogstte dan ook welverdienden bijval”. Het artikeltje leverde ook kritiek op hem. ‘Vrij België’ was een blad voor en van de flaminganten, voor wie onder meer de emancipatie van het Vlaams tegenover het Frans een vlammend devies was. Welnu, de spreker was verbaal kennelijk nogal dikdoenerig opgetreden, had zijn voordracht met al te veel moeilijke woorden doorspekt. “Hij neme ons echter niet kwalijk”, vervolgde ‘Vrij België’ dan ook, “dat wij met ’t oog op een volgende voordracht een klein verzoek doen, namelijk om meer gebruik te maken van de goede Nederlandsche vakwoorden. De Vlaamsche toehoorders zullen er hem dubbel dankbaar voor zijn”

Gebruik maken van een dr.-titel die hij niet had, een voordracht over middelmatige materie pimpen met terminologie die niet iedere Vlaming kon vatten: het zijn de eerste tekenen van Schoups hebbelijkheid zich te willen profileren, zich als gestudeerd en erudiet mens voor te doen. Dat was en werd hij in zijn leven ook steeds meer. Noem het in dit stadium gerust ook jeugdige lichtzinnigheid – Schoup was nog net geen 24 jaar – of intellectuele ambitie, jezelf waar maken door indruk te wekken, wat op zo’n leeftijd vrij gewoon is. Experimenteel gedrag, eens kijken wat men kan, wat men aandurft, ook om te ervaren hoe men daarop reageert. Iets later zou Schoup in het kamp op nog een andere manier aandacht naar zich toetrekken. Dat komt in het volgende weblog aan de orde.

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

Tot slot nog wat oud nieuws (ouds?) herinnerend aan wat zich elders honderd jaar geleden afspeelde. Wie had dat gedacht, de patstelling aan de Europese fronten bleef bestaan, maar die slachting was al lang geen nieuws meer. Nieuw was dat de vechtende volken aan het thuisfront allengs uitgeput raakten. Dat had velerlei onverwachte gevolgen.

De Duitsers hadden schoon genoeg van de Britse zeeblokkade die hen de hongerdood wou doen sterven. Al hield propaganda de moed erin (zie prentbriefkaart), de blokkade was op den duur effectief. Een leger staande houden, zij het offensief of defensief, kost kapitalen, want een leger produceert niets, verbruikt en verteert alleen maar. Een leger werkt niet in fabrieken en ook niet op het platteland. Een leger verdient geen geld in de handel. Toch moet een leger dagelijks te eten krijgen. Ook daarom hongerde Duitsland. Het volk had er figuurlijk de buik van vol, maar letterlijk was die Duitse buik vaak leeg. Naar schatting crepeerden in 1914-1918 bijna 800.000 Duitsers aan de gevolgen van ondervoeding, maar de Amerikaanse zakenman Hoover – zie de weblogs van november 2014 – riep géén Commission for Relief in Germany in het leven. Geplaagd door de onmenselijke blokkade die de Britten een oplossing leek om de oorlog te gaan winnen, maar ook geplaagd door de slechte oogsten in 1916, ontpopte zich de winter van 1916-1917 voor Duitsland als fatale hongerwinter. Het Duitse opperbevel besloot gelijke maatregelen als de Britten te nemen. John Bull moest op zijn beurt uitgehongerd worden. De bevoor­rading van de vijand moest gestopt worden en dat lukte zowaar bijna. Op 1 februari 1917 werd de uneingeschränkte U-Boot-Krieg hervat. Ook Nederlandse koopvaardijschepen, o.a. geladen met kolen voor Engeland of met Amerikaans graan, moesten het bezuren. Van 20 t/m 22 februari werden maar liefst tien Nederlandse schepen getorpedeerd. Zeven ervan boorden de Duitsers op 22 februari 1917 bij de Scilly’s eilanden in de grond. Hieruit blijkt duidelijk dat wij de Britten iets te brengen hadden. Dat was als neutraal land niet illegaal. Nederland handelde evengoed met Duitsland, dat echter met Engeland oorlog voerde. Torpederen werd een dure grap hierbij. Vóór de “verscherpte duikbotenoorlog” was vaak al een molestverzekering afgesloten. De gezonken Trompenberg en Ootmarsum waren bijvoorbeeld elk casco voor f 900.000 verzekerd. Zo hoog? Ja, al naar gelang het risico te zullen zinken groter werd, liep die kostenpost ook op. Zo werd versche­ping almaar duurder maar steeg de winst op verscheepte waren tevens navenant.  Het begon erop te lijken dat er via de schadeverzekering fijn te verdienen was door een schip maar op de klippen, of beter gezegd tegen een torpedo aan te laten lopen. Hierbij maakten de Duitsers aanvankelijk zo weinig mogelijk slachtoffers, want het ging hen om de lading, niet om de mensen. Voordat de torpedo afgeschoten werd, kreeg de bemanning gelegenheid het schip te verlaten. Maar met die zorgvuldige omgang was het vanaf 1 februari 1917 wel afgelopen. Vanaf die datum zouden de oorlogsbodems en koopvaardijschepen ook zonder voorafgaande waarschuwing getorpedeerd worden, die onder neutrale vlag voeren eveneens. Het werd dan ook al gauw de vraag of de internationale verzekeringsmaatschappijen, waaronder ook Duitse, de schade zou­den kun­nen vergoeden. Er werden immers niet alleen maar een paar Nederlandse schepen ge­kelderd. Voor assuradeurs werd deze handel te riskant. Betere tijden afwachtend verzekerden ze schepen liever niet meer. Dat werkte remmend op de zeevaart, met alle gevolgen van dien, schaarste alom.

Dat zo veel neutrale schepen plotsklaps getorpedeerd werden, shockeerde Neder­land net als bij de ondergang van de SS Tubantia, het passagiersschip dat in de nacht van 15 op 16 maart 1916 ten onder ging. Alle opvarenden werden gered, maar Großadmiral Von Tirpitz, destijds de Duitse minister van Marine, zonk mee. Hij trad op 16 maart 1916 wijselijk af, of­schoon Duitsland de verantwoordelijkheid voor het zinken van de Tubantia eerst bleef afwijzen. Maar de U-13 had wel degelijk raak geschoten. Op 23 februari 1917 strandde een U-Boot op Walcheren, de U-30. De veertien bemanningsleden werden geïnterneerd in het kamp voor Duitse militairen in Bergen, NH. Einde van de oorlog voor hen, zo leek het, maar op 6 augustus 1917 werd de U-30 aan de Duitsers teruggegeven. De vrijgelaten bemanning voer ermee naar Zee­brugge, een omstreden staaltje van Nederlandse neutraliteit achter zich latend!

De duikbotenoorlog in Britse wateren en in de Noordzee was al in februari 1915 begonnen, maar nadat op 7 mei 1915 het Amerikaanse passagiersschip Lusitania tot zinken was gebracht en na de internationale ophef daarover, beperkten de Duitsers hun onderzeese offensief, bezorgd dat de VS zich actief op het slagveld met de oorlog zou gaan bemoeien. De Amerikaanse zakenwereld deed dat immers al volop en het zou erger kunnen worden. De Lusitania smokkelde kisten vol Amerikaanse munitie naar Engeland. Daarom hadden de Duitsers met advertenties van tevoren afgeraden Atlantische reizen te maken. Toen de duikbotenoorlog eenmaal hervat was, brachten de Duitsers plotseling zóveel voor de Britten bestemde handelsschepen tot zinken, dat heel Engeland in maart 1917 nog maar voor zes weken leeftocht had… Dit werd nu pas echt een probleem. Al in 1914 was er officieel Amerikaans protest tegen de Britse zeeblokkade van Duitsland gerezen. Het schaadde het commerciële belang van de VS met beide oorlogvoerende kanten handel te drijven. Maar dat de Duitsers de Britten in 1917 een koekje van eigen deeg gaven, dat kon niet door de beugel! En waarom dan wel niet? De VS was toch neutraal? Welnee, de Amerikaanse neutraliteit was al gauw een farce geworden. Dat had vooral met snode handelsgeest te maken. De Amerikaanse economie kwakkelde vóór 1914 funest en vanaf januari 1913 verkeerde het land in recessie. De oorlog werkte als een door God gegeven geschenk.

Na aanvang van de vijandigheden begon de Amerikaanse landbouw en industrie grof aan de oorlog te verdienen. Dat was goed genoeg, actief in de loopgraven meestrijden contraproductief. Wij produceren voor jullie oorlog en jullie vechten het conflict verder zelf maar uit. Doe maar en bestel vooral volop bij ons, maar wij, eerwaardige Amerikanen, laten het echte bloedvergieten graag aan jullie, de heldhaftige en vechtlustige naties van Europa over. Geef de Amerikanen daarin eens ongelijk, maar zonder voortdurende bevoorrading over de Atlantische Oceaan kwam voor de Britten in 1917 allengs de onvermijdelijke nederlaag in zicht. Dat zou dan meteen ook het einde betekenen van de Amerikaanse oorlogswinsten. Al jaren schaften Engeland en Frankrijk – door de Ameri­kaanse bankier John Pierpont Morgan gefi­nancierd met miljarden geleende dollars – in de VS volop oorlogsmateriaal aan, tegen woekerprijzen trouwens. Dat moest zo blij­ven. Maar Morgans miljardenleningen zouden verloren gaan, mocht Engeland de titanenstrijd door de Duitse duik­botenoorlog verliezen en daar zag het naar uit. Dit kon zo niet langer, het financiële risico werd te groot en de oorlog moest niet met een Duitse overwinning aflopen. Duitsland mocht zich op de wereldmarkt niet verder tot machtige mededinger ontwikkelen, zoals dat in Argentinië al een tijdlang het geval was, bijvoorbeeld. Duitsland moest beteugeld worden. Als Washington nou eens de oorlogsfinanciering van J.P. Morgan zou overnemen, dan was er zeker geld zat voor oorlog. Geld van de belastingbetaler wel te verstaan, maar ook zo zou het Europese bloedbad een boost voor de Amerikaanse economie blijven en dan zouden tevens de via geld­wolf Morgan in de oorlog geïnvesteerde privémiljarden zijn gered. Indirecte redenen genoeg voor president Wilson om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren. Business, as usual.

Tegelijkertijd, aan de oostelijke kant van de woedende strijd, waren in Rusland de afgepeigerde troepen en de hongerende bevolking hun trotse tsaar zat. Na onophoudelijke demonstraties, opstanden en muiterij deed Nicolaas II op 2 maart 1917 afstand van de troon. De val van de monarchie droeg al de kiem van een totale revolutie in zich, maar eerst kwam de provisorische burgerregering onder leiding van Kerenski nog even aan bod. Hij zette de oorlog met Duitsland gewoon voort, maar in april 1917 liet de Duitse legerleiding de bolsjewist Vladimir Lenin heimelijk vanuit zijn Zwitserse ballingschap dwars door Duitsland naar Zweden en Finland reizen om zo in Rusland te kunnen belanden. Alles heeft echter een prijskaartje. De Duitsers investeerden om te beginnen 5 miljoen Mark in de agitator. Met politieke propaganda moest hij de gevestigde macht van de Russische vijand gaan ondermijnen. Vrede, land en brood waren de parolen. De Duitse Generale Staf berichtte op 21 april 2017 aan Buitenlandse Zaken te Berlijn: “Lenin Eintritt in Rußland geglückt. Er arbeitet völlig nach Wusch”.

En dan nog even dit: in het weblog van juli 2016 dook Mata Hari al eens op. Margaretha Zelle was in 1917 geen oogverblindende schoonheid meer, maar uiterlijk een gewone Nederlandse vrouw van middelbare leeftijd zoals we die op straat zouden kunnen tegenkomen, wie weet waar, misschien wel als verkoopster in een marktkraam. Iets langer dan honderd jaar geleden, op 13 februari 1917, werd zij gearresteerd in Hotel Élysée Palace aan de Champs-Élysées. Bekijk de mugshot van diezelfde dag.

Volg ook: https://nl-nl.facebook.com/JG-Schoup-658877517561138/

Van de biografie over Jean Gustave Schoup zijn nog slechts dertig exemplaren beschikbaar.

Een verrassende toevalstreffer in de meuk : de ex libris van J.G. Schoup!

Tags

, , , , , , , ,

Of toeval wel of niet bestaat is voor menigeen een onderwerp van filosofische bespiegelingen. Laten we het niet uitsluiten, zoals uit de volgende ontdekking blijkt.

Tijdstip: september 2016. Locatie: de vlooienmarkt op het Waterlooplein te Amsterdam, ooit een weids en winderig veld waarvan het zicht op het eind niet te veel gestoord werd door kraampjes en waar de meest uiteenlopende afdankertjes dus prompt op het plaveisel lagen. Het was destijds net geen vuilnisbelt, maar juist een prettige bende die een kind kon leren dat de wereld vergeven is van de mooie, lelijke en nuttige maar ook nutteloos geworden zooi. Voor menig liefhebber van afval kon het waardeloze hier plotsklaps waardevol worden, maar een verrassing als de ontdekking van een onbekende Van Gogh of dergelijke kwam hier nooit voor.

waterlooplein-vlooienmarkt

Er heerste magie over deze plek midden in de vroegere Amsterdamse jodenbuurt, met als markantste dominerende gebouw de Mozes en Aäronkerk, maar later, sinds 1986, overvleugeld door de monsterlijke Stopera. Dat was het begin van de teloorgang. Nieuw textiel verdrong gaandeweg de handel in tweede-, derde-, tot (wie weet?) honderdstehands troep. Oude rommel verpatsen is nu overwegend vervangen door commercie in nieuwe rommel die niet ouder dan vijf tot nul jaar is. Zo heeft deze markt zijn oorspronkelijke charme verloren. Wat zou je dáár tegenwoordig nog voor buitengewoons kunnen vinden? Het antwoord is: bitter weinig.

Toch bleek een casual babbeltje in het bijna laatste boekenstalletje tot een verrassende vondst te kunnen leiden. Verzamelaars wisselen graag kletskoek uit, stilletjes in de hoop dat je elkaar aan begeerde maar schaarse snuisterijen kunt helpen. Daarnaast vertellen ze elkaar ook voor de lol waar de interesse naar uitgaat, gewoon omdat ze iets gemeenschappelijks in elkaars passie herkennen. Alle collectioneurs dragen het verzamelaarsvirus in zich, waarvan allerlei mutaties bestaan die verzamelingen zo bont geschakeerd maken. Zo vernam in september 2016 een verzamelaar van ex librissen over de biografie die in augustus 2014 over J.G. Schoup verscheen. Het was maar een opmerking in een praatje, een losse flodder in een uitwisseling van gedachten over het verzamelen van boeken. Was Schoup daarbij niet terloops ter sprake gekomen, dan was er ook verder niets mee gebeurd. Maar dat gebeurde wel en het gevolg kan men dus vast tot het rijke Koninkrijk van het Toeval rekenen.

De aangesproken meneer, een wildvreemde die op die dag naarstig naar iets op zoek was, bleek historicus te zijn. Naast boekwerken als zodanig, voor hem belangrijk bronmateriaal voor zijn wetenschappelijke projecten, ging zijn interesse evenzeer uit naar de ex librissen die erin geplakt zouden kunnen zijn. Bij hem ging een lampje branden toen de naam Schoup viel. Op dat inslaande moment was vreugde wederzijds. Enerzijds had deze geschiedkundige nooit geweten wie J.G. Schoup was, maar hij had wél diens ex libris in zijn collectie. Anderzijds had de auteur van de biografie nooit eerder geweten dat Jean Gustave Schoup er een ex libris op nahield met het motto “in globo scientia”, wat letterlijk vertaald “in de wereld schuilt wetenschap” betekent, maar misschien mag hiermee ook zoveel als “in de massa zit wijsheid” bedoeld zijn. De historicus liet achteraf weten dat het destijds heel gebruikelijk was zo’n eigen lijfspreuk te verzinnen en dat het meestal potjeslatijn is. Hij zou het vertalen met: “moge wetenschap de wereld regeren”.

Is het toeval dat i, g en s de eerste letters van “in globo scientia” zijn? Hoewel al is geconstateerd dat toeval bestaat, zal dit gegeven meer met opzet te maken hebben. Deze letterreeks komt namelijk overeen met de initialen van Jean Gustave Schoup, I(J).G.S. immers. We zien op de houtsnede een boer op klompen zijn land bewerken achter twee paarden die een ploeg trekken. Zo’n soort voorstelling was populair in die tijd en komt dan ook op oudere ex libris vaker voor. De ploeg is een metafoor voor volharding, noest voortploeteren op velerlei gebied, zij het in de kunst of in de wetenschap. Doorploegen is ook figuurlijk spraakgebruik voor grondig iets doornemen, met betrekking tot boeken bijvoorbeeld. De boer zelf staat voor de mens van veeleer eenvoudige komaf die door geestelijke arbeid vruchten van zijn kennisakker zal weten te oogsten. Het gaat erom met inspanning van alle krachten en met doorzettingsvermogen te werken aan de verwezenlijking van een ideaal en verheffing van het intellect door middel van het serieus of studieus doornemen van boeken.

ex-libris-j-g-schoup-j-j-wielaert

Eureka! Zo lijkt het toeval dus waarlijk een rol van betekenis te spelen, maar bovendien schijnt er, zodra men belangstelling voor iets ontwikkelt, een soort toenemende zwaartekracht te ontstaan die centripetaal steeds meer items van buitenaf naar een middelpunt trekt. Steeds meer puzzelstukjes fladderen daar dan heen, waarmee in dit geval het panorama over Schoups leven langzaam maar zeker scherper wordt.

Kunnen we dat effect een cyber-kinetisch handje helpen? De webloglezer die bij het zien van deze ex libris nu direct of later een lichtje opgaat, mag dat de sitebeheerder graag laten weten! Stap voor stap zou dit wat licht kunnen laten vallen op de privébibliotheek van Jean Gustave Schoup en bovendien: zo komt dan hopelijk van de ene toevalstreffer de andere, totdat het geen toeval meer mag heten, maar voorbestemming, finaliteit, of zelfs misschien zoiets als teleologie. Het moest dan zo gaan. Maar afgezien van elk toeval en terug naar de werkelijkheid: eigenlijk vindt men op geen enkele vlooienmarkt ooit iets over J.G. Schoup.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Honderd jaar geleden zag Schoup het nieuwe jaar in het Interneringsdepot Harderwijk tegemoet. Opnieuw in beperkte bewegingsvrijheid dus, maar dat toch beter dan de vorige jaarwisseling, zittend in de gevangenis in Rotterdam. Het Belgenkamp in Harderwijk was al lang geen modderpoel meer, maar één groot houten dorp met tal van voorzieningen, zelfs een groot theater. Er waren ook barakken voor scholing, zij het voor het leren van een beroep als handwerker, zij het voor onderwijs in taal- en schrijfvaardigheid en met in de studiekring nog andere soorten van kennisoverdracht. In die sfeer kon Schoup zijn weten eens een rol laten spelen. Met succes! Als antimilitarist wou hij de wereld verbeteren en daarvoor is educatie een probaat middel.

Tegelijkertijd ging aan de oorlogsfronten in West- en Oost-Europa de massale slachting maar door. Zoveel bloedvergieten had de wereldgeschiedenis nog niet vertoond. Maar in Rusland zou de oorlog met de Centrale Machten, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in oktober 1917 eindelijk ten einde zijn om afgewisseld te worden door een burgeroorlog die de wereld radicaal zou veranderen. Er waren ongehoorde veranderingen op til! Een nieuw fenomeen: het communisme aan de macht! Een revolutie van het proletariaat tegen het kapitaal! Vanaf dat moment ontstond er reden genoeg voor meer dan een halve eeuw oorlog in de hele wereld. Feitelijk is oorlogvoering zelfs na de val van het IJzeren Gordijn in 1989 nooit opgehouden. Maar dat hebben we niet aan het toeval te danken. “It’s the economy, stupid!” Ten behoeve van ons Westerse welzijn worden voortdurend neo-imperialistische oorlogen gevoerd. En dat heeft gevolgen.

ontwaakt

We staan aan de wieg van een nieuw jaar. Daar is een woordje aan te wijden, vredelievend en antimilitaristisch als Schoup was. Steeds meer is de Westerse wereld gechoqueerd over terroristische aanslagen met bommen, mitrailleurs en vrachtauto’s. Daarbij komen tientallen onschuldige burgers om het leven. In de nieuwjaarsnacht van 2016-2017 verloren in Istanboel 39 onschuldige mensen hun leven in een nachtclub. Ze werden doodgeschoten door een of andere extremist van Islamitische Staat waarschijnlijk. Al zulke aanslagen zijn afschuwelijk, diep triest, aangrijpend en zeker op geen enkele manier te rechtvaardigen. De toestand in de wereld is toenemend zorgwekkend en verontrustend. Maar als we oprecht willen zijn, moeten we ook beseffen wie deze situatie veroorzaakten. Voorts mogen ook wel eens leren rouwen over de tienduizenden en nog eens tienduizenden onschuldige burgers die gedood werden bij moorddadige militaire ingrepen van de Westerse wereld in, bijvoorbeeld, Afghanistan, Pakistan en Irak.

Mag het een wonder heten dat sommige burgers uit gegeselde landen met de minimale middelen die hen ter beschikking staan wraak nemen? De extremisten die aanslagen plegen voelen zich machteloos tegenover het onbeschrijfelijke onrecht dat aangedaan is. Ze hebben, om maar wat te noemen, Amerikaanse drones de bruiloften van hun medemensen zien bombarderen. Er zijn mensen die zulke walgelijke terreur willen wreken, mensen die zich willen verzetten. Het gaat om mensen wier waarde en eer schandelijk aangetast werd door Amerikaanse soldaten die elkaar fotografeerden terwijl ze over gedode Afghanen urineerden. Is het werkelijk verwonderlijk dat sommigen woedend op wraak belust zijn nadat een schandaal als dat van de martelingen in de Abu Ghraibgevangenis wereldnieuws werd? Moeten die geslagen volken zomaar accepteren dat hun landen naar een vorige eeuw terug gebombardeerd werden of worden? Als gevolg van de Westerse sancties tegen Irak in de jaren 1991-2003 stierven naar schatting een half miljoen (!) kinderen door gebrek aan medicijnen, voedsel en schoon water. Moeten we verbaasd zijn dat die generatie inmiddels terug wil slaan? Moeten we zelf nog wel geloof blijven hechten aan even duistere als dubieuze machten die, om nog maar eens wat te noemen, oorlogen rechtvaardigen op grond van geprefabriceerde leugens zoals de massavernietigingswapens die Irak niet had?

Hoe kwalijk en barbaars de onverwachte terroristische aanslagen ook steeds weer zijn; de reactie op de ellende die de Westerse wereld zelf aanricht, is begrijpelijk. Laten we de ijdele hoop uitspreken dat de kringloop van geweld vanaf 2017 eindelijk eens ophoudt. Antimilitarisme is, om te beginnen, vast een betere oplossing. De jaarlijkse uitgaven aan wapentuig op onze planeet zijn een misdaad tegen de mensheid. Al die honderden miljarden kunnen veel en veel beter gebruikt worden. Het is de hoogste tijd dat de wereldbevolking de handen ineen slaat en samenwerkend gaat investeren in één groots opbouw- en reddingsplan. Het is de hoogste tijd dat Homo Sapiens echt wijs wordt en er definitief van afziet om welke reden dan ook van alles en nog wat domweg te vernietigen. De mens zou slim genoeg moeten zijn om zijn eigen evolutie te overleven.

Gelukkig nieuwjaar!

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

Skating Rink revisited: “snolletje” overleeft twee wereldoorlogen!

Tags

, , , , , , , , , ,

Honderd jaar en twee maanden geleden, op 1 augustus 1916 dus, begon het derde jaar van de Eerste Wereldoorlog. Pieter van der Hem, een begaafde graficus in zijn tijd en neef van Mata Hari, opende dat verse oorlogsjaar op de voorpagina van de ‘De Nieuwe Amsterdammer’ met een ijzingwekkende prent. Het bloedrode doek gaat open, Magere Hein komt grijnzend tevoorschijn, met achter hem op het wereldpodium bergen uitgebloede lijken.

1916_07_29-nwe-amsterdammer-nr-83

Dit scenario zou nog twee jaar zo doorgaan. In de zomer van 1916 en nog langer voltrokken zich het bloedbad om en nabij Verdun en de waanzinnige slachting aan de Somme. Tegelijkertijd was in Nederland alles koek en ei. Nou ja, alles? Bij ons merkte men weliswaar nog steeds weinig van de laaiende wereldbrand, maar de Nederlandse economie had onder de omstandigheden te lijden. Dat sommigen dientengevolge een leniging van financiële zorgen in de criminaliteit zochten is laakbaar, maar toch ook begrijpelijk. Misdaad is niet altijd op pure hebzucht gegrond, maar vaak gewoon uit pure nood geboren. Over zulke nood gaat onder andere dit weblog.

We begeven ons, aan de hand van een rapport van de Rotterdamse politie, nog eens kort op de dansvloer van de Skating Rink, waar J.G. Schoup volgens diezelfde hermandad vaak vertoefde. In het weblog van 1 mei 2015 staat dat de Rotterdamse rolschaatsbaan een pleisterplaats van lichtekooien zou zijn geweest. Het lijkt volgens een nu te citeren document waar te zijn, maar wat zou dat, in onze ogen althans, uitmaken? Tegenwoordig niets, in een tijd waarin dames open en vrij bloot achter de ramen zitten, een tijd ook waarin escortnimfen met hun pikante services goud verdienen en een tijd bovendien waarin het internet vergeven is van de dating- en pornosites. Nee, ons treft die libidineuze bedrijvigheid niet als schandaal, maar in 1916 was het metier dat seksuele driften in klinkende munt omzet een lust voor de zedenpolitie. In dit verband informeerde de politie van Maastricht in oktober 1916 naar een zekere “Hendrika Cathérina Petronella Esser, geboren te Schiedam den negenden September 1897, modiste, laatstelijk gewoond hebbende a costi aan de Aalbrecht-Engelmanstraat No. 28 B”.

Laten we, voor we verder lezen, één ding voorop stellen. Er is geen enkel detail dat erop wijst dat Schoup met deze jongedame, destijds maar 19 jaar, contact gehad heeft. Er is ook geen enkel bewijs dat de jongedame in kwestie het oudste beroep ter wereld uitoefende. Dat werd slechts vermoed. Mede om eens te onthullen hoe ver de zedenpolitie destijds dacht te mogen gaan, volgen we, voor zover mogelijk, het lot van een meisje als deze Hendrika Esser.

Niet lang na de vraag uit Maastricht luidde het antwoord van de Rotterdamse collega’s dat die jonge vrouw, die zich doorgaans ‘Willy’ Esser noemde, nog niet met de afdeling zedenpolitie in aanraking geweest was. Zo zie je maar, niets was ronduit duidelijk! Bij onderzoek was echter “bekend geworden, dat zij sedert ongeveer 3 jaar geregeld het danspaviljoen in de Skating Rink aan de Schiedamschesingel alhier bezoekt, aldaar eene goede bekende is, en door het personeel onder de meisjes van lichte zeden (snolletjes), die voor een groot deel de bezoeksters dezer dansgelegenheid vormen, gerangschikt wordt”.

Op grond van deze mededelingen zien we dat de Rotterdamse politie de Skating Rink als een poel van losbandig jolijt zag en ‘Willy’ Esser was in die poel kennelijk knap populair. We moeten daarbij echter nog steeds zien te definiëren wat de politie destijds met “snolletjes” bedoelde. Jonge vrouwen in elk geval, die losse contacten bleken te onderhouden, aan de zwier gingen en die zich niet zo kuis gedroegen als het destijds betaamde, naar het schijnt. De politie zag het zo: “Herhaaldelijk wordt zij zoowel bij nacht als bij dag per auto of rijtuig door verschillende heeren thuisgebracht. Voorts werd in de omgeving der woning vernomen, dat zij geen bepaald beroep uitoefent en een op zedelijk gebied verdacht leven leidt, zoodat wordt aangenomen, dat het gezin in hoofdzaak leeft van hetgeen zij op die wijze verdient”.

Alweer: niets nieuws onder de zon, maar niettemin destijds bar en boos verdacht en vast even pervers als prikkelend, maar zonder natuurlijk een woord over de mannelijke klanten vuil te maken, terwijl die uiteraard even zedeloos gedrag vertoonden als de “snolletjes”. Er hing kennelijk een broeierige sfeer in de Skating Rink, waar overigens – het staat in weer een ander document – louche heren allerlei illegale deals beklonken. Midden in de Eerste Wereldoorlog zal dat wel nodig geweest zijn voor mensen die zich niet op andere manier in leven konden houden en zo niet: de wereldoorlog gaf ook gelegenheid hebzucht van rijkaards te bevredigen.

Wie natrekt wat er van ‘Willy’ Esser later geworden is, komt voor een kleine verrassing te staan. Haar moeder Maria Wilhelmina Esser (geb. Willemsen, 28-12-1869) was weduwe toen dochter ‘Willy’ het avontuur en avonduur met “heeren” aandurfde. Die moeder had één zoon en vijf dochters; er moest brood op de plank komen! Pas lang na de Eerste Wereldoorlog, op 29 januari 1931 om precies te zijn – ‘Willy’ Esser was inmiddels 34 jaar – trouwde het door de Rotterdamse politie zonder pardon bestempelde “snolletje” met Johannes Jacobus Moret, 51 jaar oud. Deze Haagse accountant (zie onderstaande foto) was tevens reserve kapitein-luitenant ter zee en kreeg in oktober 1940, toen Nederland al onder de Duitse knoet zat dus, eervol ontslag uit militaire dienst. Hij sloot zich bij de verzetsgroep Stijkel aan die al gauw werd opgerold. Moret kwam toen (april 1941 – maart 1942) in het Oranjehotel terecht, maar kreeg, na ter dood veroordeeld te zijn, gratie. Vervolgens werd hij in 1943 weer opgepakt en op transport gezet naar strafkampen in Duitsland, te weten Küstrin, Oranienburg en in 1945 Bergen-Belsen, waar hij vermoedelijk is overleden, 31 mei 1945. Dat was al ná de Tweede Wereldoorlog, maar velen stierven nog na de bevrijding van dit concentratiekamp aan geleden ziektes en ontberingen.

johannes-jacobus-moret

Kortom: ‘Willy’, het “snolletje” dat in de Eerste Wereldoorlog de Skating Rink frequenteerde, vond uiteindelijk letterlijk de ware Jacob, maar moest het vanaf halverwege 1945 zonder hem doen. Zij zelf overleed op 23 december 1982 in Leiden. Of zij Jean Gustave Schoup ooit ontmoet heeft? Het zou zomaar kunnen, maar we kunnen dat niet weten.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

Spionage in Nederland: de draaideur van Emil Wilhelm Krebs

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

F.W.C. Müllers Restaurant (© J.J. Wielaert 2016)

In het vorige weblog lazen we over de draaideur die Rotterdam in 1914-1918 werd voor spionnen van de Duitsers, de Britten of de Fransen. Verboden was hun werk niet, mits zij niet tegen het nationaal belang van Nederland actief waren. Ons land was in de Eerste Wereldoorlog neutraal en daarom gedoogden de Nederlandse autoriteiten dat de oorlogvoerende partijen elkaars zaken op het grijze vlak tussen legaal en illegaal observeerden. Wat hadden wij als Nederlanders met hun bloedige vetes te maken? Niets toch? De officiële richtlijn was zich niet in het belligerente conflict te mengen, geen van de strijdende partijen te helpen, maar ze evenmin te belemmeren zich bij ons vrij te bewegen. Waarom ook? Is koekeloeren verboden?

Dat laat onverlet dat de Nederlandse recherche verdekte praktijken in de gaten hield. We gaan kijken waar zich een Duitse spion genaamd Krebs mee bezighield. Uit documenten van de Belgische geheime dienst blijkt namelijk dat Schoup een tijdje, zij het maar kort, voor deze Duitse spion werkte. We vinden dat ook in de biografie, maar over de hoedanigheid van zijn bezigheden is het fijne niet bekend. Des te meer weten we over wat Krebs in zijn schild voerde.

Emil Wilhelm Krebs (*26-11-1871, Keskastel – †14-03-1941, Saverne) was een Duitse inspecteur van politie. In zijn geboortejaar was Keskastel net door Duitsland ingelijfd, in juni 1871 om precies te zijn, na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. En jawel, bij Krebs’ overlijden in 1941 in Saverne was die plaats in de Elzas onder Adolf Hitler ook weer Duits. Wat zal Krebs, ongetwijfeld een zich zeer Duits voelende Duitser, hier blij mee geweest zijn, al genoot hij er niet al te lang meer van.

Keskastel en Saverne liggen tussen Saarbrücken en Strassbourg, niet ver van elkaar dus. Op 19 mei 1906 trouwde Krebs, 35 jaar jong/oud, in Château Zinswald met de acht jaar oudere Anna Henriette Pauline de Geer (*31-03-1863, Renkum, Huize ‘De Keijenberg’ – †26-01-1940, Saverne, ‘Villa Hollandia’). Kasteel Zinswald is tegenwoordig in gebruik van de Missions Africaines Zinswald en staat bij Hommarting in Lotharingen. Dat oord ligt iets ten noorden van Arzviller (destijds Artzweiler geheten) tussen Sarrebourg en Saverne in het huidige Frankrijk dus. De adellijke dame waar Krebs zijn scherpe blik op had laten vallen was dochter van Carel Willem Emile Catharinus baron de Geer met – zijnde zijn tweede van drie huwelijken – Selma von der Heydt (*28-07-1833 – †17-05-1885). Prima de luxe: hij was burgemeester van Bunnik, Rhijnauen, Odijk en Werkhoven, zij kwam uit het bankiersgeslacht Von der Heydt uit Elbersfeld, Duitsland.

Dat detail leek wat curieus, want J.G. Schoup spioneerde in 1916 dus voor Krebs die aangetrouwd in familierelatie stond met het bankiersgeslacht Von der Heydt. Later, in 1933, is in De geldbronnen van het Nationaal-Socialisme sprake van een “Von Heydt”, te weten de bankier Eduard von der Heydt. Bij nader inzien blijkt de link van geen betekenis, want Eduard was pas in tweede generatie ná deze Selma von der Heydt verwant en dat in een andere tak van de familie. De stamvader van deze twee uiteenlopende levenslijnen was Daniel Heinrich von der Heydt (*06-06-1767 – †06-08-1832). Een directe relatie is dus ver te zoeken. Het zijn details waar men zich als onderzoeker vragen over kan stellen, maar zo ver moet dat dan toch niet gaan. Het is sowieso niet  bekend of Schoup na de Eerste Wereldoorlog nog contact met Krebs onderhield. Dat is best mogelijk uiteraard, maar lijkt toch te vergezocht.

Krebs, eenvoudig inspecteur van politie dus, huwde in een rijk nest. De familie De Geer was er fel op tegen, want meneer was beneden hun stand geboren, maar het gebeurde lekker toch. Tegen de liefde – als het dat tenminste was – is geen kruid gewassen. Tegen de berekening soms ook niet. Krebs trouwde zijn freule in gemeenschap van goederen. Hij moet een onbeschaamd sujet geweest zijn. Hij spande over zijn recht op de erfenis een proces tegen de familie De Geer aan en won het pleit. Om kort te gaan: Krebs was door zijn huwelijk met jonkvrouw De Geer wat men noemt ‘binnen’. Al leefde hij volgens een politierapport van 26 juli 1915 “met de familie de Geer in onmin”: hij was nu “schatrijk”. Voor hem was het na de Eerste Wereldoorlog dan ook geen probleem zijn woonplaats Saverne (in het Duitse keizerrijk Zabern genoemd) een ziekenhuis te schenken, naar verluidt om de vijandige neigingen van de plaatselijke bevolking tegenover Duitsers te temperen toen deze streek van 1919 tot 1940 weer bij vrij Frankrijk hoorde.

Wilhelm II

Krebs was een deftige verschijning. Volgens een signalement uit augustus 1914 was hij “flink van persoon, gewone lengte, groote opgedraaide knevel en sikbaard, in den regel zeer netjes gekleed”. Zo’n puntig omhoog wijzende snor hadden veel Duitsers destijds, naar die van keizer Wilhelm II (zie bovenstaande afbeelding). Maar het animo van Krebs’ knevel zakte kennelijk, misschien wel door zware teleurstelling over het fiasco van de Duitse invasie in 1914.

In juli 1915 luidde het signalement, opgesteld door een adjunct hoofdinspecteur van politie te Utrecht: “lengte ongeveer 1.75 Mr. aangezicht ovaal en donker getint; zwart haar, zwarte afhangende knevel; mager; gekleed in een grys kort jasje, grys vest en gryze broek, gryze pet”. Dit dus bijzonder grijs ogende heerschap “spreekt Duitsch en zeer gebrekkig Hollandsch; hij is zeer levendig in het spreken en nog al bewegelyk”. Krebs zou “een Duitsch politie-ambtenaar zijn, die te Luik of te Leuven was gedetacheerd”. De politie van Maastricht informeerde op 30 juli 1915 dat Krebs, “behoorende tot het personeel der Duitsche geheime Politie te Luik, bij mijne administratie, zoowel als bij de Maréchaussée te dezer bekend is, doch dat zijne handelingen tot heden geen aanleiding hebben gegeven om bijzondere maatregelen tegen hem te nemen”. Geen wonder. Volgens het al genoemde rapport van 26 juli 1915 “moet hij papieren hebben van een hooggeplaatst Nederlandsch officier (vermoedelijk Gen.[eraal] Snijders) om hem overal vrij toe te laten”.

Over gedoogbeleid voor Duitse spionnen gesproken! Generaal Snijders was tijdens de ‘Grote Oorlog’ van 1914-1918 opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht. Bovendien was hij voorvechter van de idee dat wij ons bij de Centrale mogendheden (het verbond tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije) zou moeten aansluiten, mocht ons land toch in de oorlog verwikkeld raken. Snijders was een liefhebber van het Duitse kamp en hij stelde zich als zodanig niet neutraal op. Zijn opvatting was weloverwogen trouwens, want zou Nederland onverhoopt bij de oorlog betrokken raken en aan de kant van de Triple Entente gaan staan, aan de kant van Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland dus, dan zou de Duitse vijand meteen wel erg dichtbij zijn. Ons leger had geen schijn van kans zich tegen Duitsland te handhaven. Het zou hooguit een paar dagen of weken duren het onderspit te delven en een Duitse overrompeling zou gepaard gaan met dezelfde verwoesting en ellende die het België al gekost had.

Om dit alles nu in het jaar 1916 op Jean Gustave Schoup toe te spitsen: onze hoofdpersoon zag zich vanaf juli 1916, nadat in Rotterdam het slot van de grendel ging, genoodzaakt met spionage iets te verdienen, net als andere arme sloebers dat deden. Het kon echter, zoals gezegd, niet vastgesteld worden wat hij toen moest doen, wat precies zijn taak was. Een verhoor werd afgenomen, maar het proces-verbaal is niet bewaard gebleven. Volgens de Belgische geheime dienst verschafte Schoup zowel Britse als Duitse autoriteiten informatie, maar er is geen peil op te trekken waarvoor hij zich als spion werkelijk liet inzetten.

Om toch een idee van zulke activiteiten te kunnen vormen, duiken we in documenten over de draaideur van Emil Wilhelm Krebs, in 1915-1916 chef van een Duitse spionageafdeling. Krebs werkte in Rotterdam samen met Friedrich Wilhelm Carl Müller, destijds exploitant van restaurant Fürstenberg, Nieuwstraat 14 te Rotterdam. Dit restaurant bestond al sinds 1904. Het etablissement was genoemd naar Fürstenbergbräu, bier uit Donaueschingen en volgens een advertentie de “tafeldrank van Zijne Majesteit den Duitschen Keizer”. Müller (*02-02-1881, Rätzlingen, Sachsen-Anhalt – † ????) trouwde in februari 1910 met een Nederlandse. Het restaurant dat hij vanaf 1911 bestierde, liep in de Eerste Wereldoorlog overheerlijk en werd een pleisterplaats van Duitsers die zich met spionage bezighielden. Na de oorlog gingen de zaken bergafwaarts, voor Müller althans. De laatste advertentie waarin sprake is van “Müller’s Restaurant Fürstenberg” is van 31 december 1918 in ‘De Maasbode’.

Dat waren Wunschgedanken voor het nieuwe jaar, maar de zaak was feitelijk fini. In januari 1920 had het etablissement een nieuwe eigenaar, H. Philipsen. Het faillissement van F.W.C. Müller werd eind 1920 uitgesproken en in maart 1921 scheidde hij van zijn Nederlandse blom. Deze feiten doen vermoeden dat restaurant Fürstenberg met Müller aan het hoofd in de Eerste Wereldoorlog een door Duitse autoriteiten meegefinancierd ontmoetingscentrum was. Er moest misschien geld bij, want anders had die horecagelegenheid ook ná de oorlog met Müller als eigenaar gefloreerd. Aan de andere kant: misschien werd hij het land uitgezet, misschien vertrok hij zelf, of hij werd ongeneeslijk ziek, of het restaurant van deze Duitser verloor na de oorlog zijn nogal speciale klandizie, of, of, of. Nou ja, het is zeker dat Müller naar Duitsland terugkeerde, maar het voert te ver alles te achterhalen. Zonder Müller adverteerde restaurant Fürstenberg in de jaren twintig menu’s met iets eenvoudiger spijzen, niet meer met Huitres Impériales (keizerlijke oesters). In 1912 was dat anders, zoals uit deze advertentie blijkt.

1912_01_22_1_04 (Nrc - menu, F.W.C. Müller)

In oktober 1916 (het jaar waarom het in dit weblog draait) noemde Friedrich Wilhelm Carl Müller zich bij de politie van Vlissingen fier een “tamelyk vermogend” man. Hij bezat panden in Rotterdam, was pachter van de “Societeit der Studenten van de Handelshoogeschool aan den Coolsingel” en tevens pachter van de “Officieren Sociëteit in het Park aldaar”. De waard kwam er rond voor uit: “Ik ben afgekeurd Duitsch militair en werk thans uit vaderlandsliefde in het belang van myn land. Daartoe werk ik samen met een Duitscher, Krebs, een politie-assistent, tydelyk ook verblyvende te Rotterdam. […] Myn werk en dat van Krebs bestaat uit z.g. contra-spionnage”. Krebs en Müller zouden controleren of Belgen die naar hun land wilden terugkeren verwikkeld waren in spionage van de Duitse bezetter. Wees controle door het generaalgouvernement in Brussel uit dat zulk gevaar reëel was, op grond van welk vermoeden dan ook, dan werd door het Duitse consulaat in Rotterdam de aanvraag voor een pas om België te mogen betreden geweigerd. Dat klonk bijzonder aannemelijk en was verder ook alles wat hij en Krebs deden, volgens Müller dan.

Er was echter veel meer aan de hand. Dat blijkt uit een proces-verbaal van ene Charles Louis Claes, die op 7 maart 1916 in Vlissingen werd aangehouden en ondervraagd. In diens verklaring komt naar voren hoe in Nederland verkerende Belgen door geldnood gedreven ertoe kwamen voor de Duitse geheime dienst te gaan werken. Claes, vóór de oorlog banketbakker en kleermaker, was “reiziger” geworden, werkend voor Müller. In eerste instantie verhaalde hij bij de politie in Vlissingen dat hij voor Müller adressen moest zoeken waar aardappelen en bonen te koop waren. Meer deed hij niet, al ving hij geld voor deze informatie, 40 frcs per week plus een treinabonnement 3e klasse. Verder niets aan de hand, ware het niet dat dit Müllers standaardsmoes was om de missies van zijn handlangers te verdoezelen. Claes werd na zijn eerste ongeloofwaardige uitlatingen nader aan de tand gevoeld. Daarbij kwam de aap uit de mouw, want Charles Louis Claes was het zat!

De arme ziel was als gewond Belgisch soldaat in Nederland terechtgekomen en ontving wonend in Breda een uitkering uit België. Dat hield op toen hij in september 1915 genezen verklaard werd en hij toch geen gevolg gaf aan de oproep van het Belgische Consulaat in Breda zich voor dienst aan het front te melden. Dat op zich ging via inscheping vanuit Nederland naar Engeland en dan naar Frankrijk. Claes zag het niet zitten. Hij verruilde Breda eind oktober 1915 heimelijk voor Amsterdam, bang dat hij anders tot militaire dienst gedwongen zou worden. Hij had nog maar weinig geld en dat was gauw op. “Niet meer wetende wat te moeten doen en ten einde raad, ben ik gegaan naar het Duitsche consulaat te Amsterdam. Persoonlyk heb ik daar gesproken met den Duitschen Consul-Generaal. Ik deelde hem mede geen geld meer te hebben, ten einde raad te zyn en vroeg hem of hy werk voor my had. Nog sprak ik hem erover hoe hy erover dacht als ik naar België naar huis ging”. De Duitse consul*N.B. raadde dat ten stelligste af, omdat Claes door de Duitsers krijgsgevangene genomen zou worden. Hij achtte het beter dat Claes in Nederland zou blijven, nam een stuk papier en dicteerde Claes daarop in het Frans “monsieur Krebs et monsieur Muller, consulat allemand Rotterdam” te schrijven. “Die heeren zullen je misschien voor iets kunnen gebruiken”, zei hij erbij. Dienzelfden dag, het was einde December 1915, ben ik gegaan naar Rotterdam en heb mij begeven naar het Duitsche consulaat aldaar”, aldus Claes in het proces-verbaal. Zoals we in het vorige weblog lazen was dat consulaat in het zgn. Witte Huis gevestigd en zo zien we hoe mensen als Charles Louis Claes bij de Duitse spionage terechtkwamen. Het was pure penarie die hen ertoe dreef. Om eendere reden zal ook Jean Gustave Schoup deze uitweg gekozen hebben.

Claes werd doorverwezen naar restaurant Fürstenberg. “Toen ik ter plaatse kwam, zag ik dat het een chic hotel was”. Binnen werd hij meteen door Krebs en Müller ontvangen. “Ik bezat toen nog maar eenige centen”, aldus Claes. Hij werd door het tweetal uitgehoord. “Speciaal Krebs deed het woord. Wie of wat Krebs is weet ik niet. Hy en Muller spreken goed Hollandsch. Krebs is een lange man met zwarten knevel, ca. vijftig jaar en keurig gekleed”. De armlastige Belg gaf te kennen wel voor deze Duitse heren te willen werken, maar wat dan wel? Nou, zou hij kans zien, vroeg Krebs, nieuws van de grens te vergaren? Op Claes’ vraag wat voor nieuws, zei Krebs: “Wáár zij b.v.  smokkelen kunnen aan de grens, of ik iemand wist die brieven smokkelde, wáár Belgen over de grens naar Holland kunnen vluchten, wie hun daarby hulp verleent in België, wie geld uitvoert in België en of ik in België menschen kende, die jongens over de grens helpen, opdat zy naar het front kunnen gaan”. Claes wist dat uiteraard niet, maar kreeg de opdracht naar de grens te vertrekken en zich te informeren. Als hij zou worden aangehouden, dan moest hij, aldus Müller, zeggen “dat ik trachtte boonen en appelen op te koopen”. Volgens Krebs was het verder het beste direct in Vlissingen te gaan wonen, dan zou Claes steeds dicht bij de grens zijn om “een en ander te trachten uit te vinden”. Zo gezegd, zo gedaan. Hij nam de opdracht aan, ontving meteen f 30.- voorschot en dacht bij zichzelf: “smeerlappen, ik zal jullie wel meer geld aftroggelen”.

Zo ging dat. De nood was aan de man en de gewezen Belgische soldaat die illegaal buiten de kampen verkeerde, moest die nood lenigen. Omstreeks Nieuwjaar 1916 had Claes nog niets te rapporteren, maar zijn voorschot was op. Weer ontving hij van Krebs f 30.-, nu met de opdracht bij Roosendaal, Tilburg en Breda uit te zoeken waar dan toch – alsof de duivel ermee speelde – jongens uit België de grens over kwamen, dwars door de geëlektriseerde draadversperring. Daarover kon Claes later wat verslag doen, waarna hij meer opdrachten kreeg en meer geld ontving, in het vervolg “den 1sten en den 15en van iedere maand f 40.-“. Hij moest vervolgens onder meer naar Ossendrecht van waaruit volgens Krebs veel brievensmokkel gepleegd werd. En inderdaad, Claes hoorde van inwoners dat er weken waren waarin “er 2 à 3000 brieven gesmokkeld werden”.

Dat probleem was al langer bekend. Al op 24 mei 1915 maakte dagblad ‘De Telegraaf’ melding van een Duitse jacht op brievensmokkelaars. Krebs’ eigen praktijken om dit tegen te werken komen voor in het artikel “jacht op de brievensmokkelaars” in de avondeditie van ‘De Telegraaf van 20 december 1915 en in “Een der slachtoffers van Krebs aan het woord” in de ochtendeditie van ‘De Telegraaf’ van 23 december 1915.

1915_10_08_01 - Nwe Tilburgsche Courant

Toen Claes naar Ossendrecht bij Bergen op Zoom gestuurd werd, was het eind januari 1916. Daarna moest hij voor Krebs even naar Maastricht om “te onderzoeken of ter plaatse en door wie poeder en dynamiet over de grenzen werd gebracht”. Later kreeg hij opdracht in Zeeuws-Vlaanderen uit te zoeken waar de auteur Abraham Hans vertoefde, die zo scherpe en rake berichten in ‘De Telegraaf’ publiceerde over allerlei nare toestanden in België die aan de Duitse bezetter toe te schrijven waren. Nee, om de inkoop van “boonen en appelen” ging het Krebs en Müller bepaald niet! Het op schrift meegegeven bewijs dat Claes voor Müller handel dreef, was gefingeerd. “Handel voor hem dreef ik nooit”, aldus Claes. “Geregeld ontving ik f 40.- van Krebs op de 1sten en den 15en van de maand. […] Niet juist wetende, ontving ik zeker te zamen wel 1000 frcs. of f 500.- van Krebs. Bij myne aanhouding is op my bevonden circa f 115.- wat afkomstig is van dat geld. Ten nadeele van Holland spionneerde ik nooit. Ik voelde my schuldig en werd moede te blyven werken voor Krebs”.

Omdat hij voelde dat hij verdacht werd, vervoegde de Belgische banketbakker zich begin maart 1916 bij de Belgische Consul-generaal in Vlissingen om te zeggen: “dat ik niets deed en dat ik geen zin had naar het front te gaan. Deze Consul-Generaal zeide my, dat hy in Holland niet tegen my kon optreden. Ik ben toen ook gegaan naar het Duitsche Consulaat alhier en heb daar een pas gevraagd voor België. Zy zeiden my daar dat ik die niet kon krygen, omdat de grens gesloten was”. Op zaterdag 4 maart 1916 was hij voor het laatst in Rotterdam bij Krebs en Müller geweest. Claes had weer eens niets te rapporteren, maar de twee Duitse spionnen vonden dat hij toch in Vlissingen actief moest blijven. Halfhartig nam Claes een laatste opdracht aan. Hij moest het soort en het aantal Belgische mannen zien te achterhalen dat zich in de haven van Vlissingen naar Engeland inscheepte, uitzoeken waar die vandaan kwamen en uithoren wat er in de in Vlissingen verkerende Belgen en aan de grenzen omging. Maar hij had “niets terzake kunnen waarnemen”. Met andere woorden: Claes deed er niets meer aan, omdat zijn taak hem tegen de borst stuitte. In het proces-verbaal liet hij vastleggen: “Ik wensch op te merken dat ik alles tegen myn zin deed en myn plan was niets meer te doen voor Krebs en Muller. Ik wensch nog mede te deelen, dat my vyf mannen van aanzien bekend zyn, wier namen en woonplaatsen ik niet weet, doch die ook geregeld komen in Muller’s restaurant by Krebs, waarvan ik van drie weet, die ik bij wederzien ook beslist kan herkennen, dat zy respectievelijk zyn Duitscher, Nederlander en Belg. Al deze vyf menschen werken ook voor Duitschland”.

Wie de Belg “van aanzien” was, staat niet vermeld in dit uittreksel van de commissaris van politie te Vlissingen, tevens “Commissaris van Rykspolitie”. Dat wil niet zeggen dat deze Belg te vereenzelvigen is met Jean Gustave Schoup, die op zich, althans in de ogen van banketbakker en kleermaker Claes, aanzien uitgestraald zou kunnen hebben. Maar hij was het niet, omdat Schoup in de eerste helft van 1916 nog in de gevangenis van Rotterdam zat. Het relaas van Charles Louis Claes is alleen van belang als bericht van iemand die ten einde raad bij het Belgische of Duitse consulaat aanklopte, zoals Schoup dat een half jaar later waarschijnlijk ook deed. Dat kan hem zelfs aangeraden zijn, aangezien bekend geweest zal zijn dat met spionage iets te verdienen was. Mochten Belgische militairen die illegaal buiten de kampen verkeerden geen zwart baantje kunnen bemachtigen, laat staan een officiële bezigheid, dan bood spionage blijkbaar een wankele oplossing.

In documenten van de Belgische geheime dienst staat in elk geval dat Schoup in 1916 voor Krebs werkte. Eén zin vermeldt dat hij Krebs informatie zou hebben gegeven over een dame die met een opdracht van de geallieerden op weg naar België was. Ze wordt bij naam genoemd, net als in de biografie over Schoup dus. Maar weer is over deze affaire het fijne niet bekend. Het is volstrekt onduidelijk wat Schoup voor Krebs deed of moest doen. Dankzij Claes’ proces-verbaal weten we hooguit iets meer over het soort opdrachten dat deze loopjongens kregen en wat het financieel op kon leveren. Naar waarheid inlichtingen verstrekken en op die manier verraad van Belgen plegen ging tegen heug en meug. Ze deden het zo min mogelijk, of ze gaven valse voorstellingen van zaken, als er vanuit de schaduwzone maar wat poen van de vergadertafel in restaurant Fürstenberg afrolde. Een mens moet toch ergens van leven?

Lang na de Eerste Wereldoorlog, in 1927, werd in België opgerakeld dat J.G. Schoup in 1916 voor de Duitsers spioneerde. Dat wekte vanzelf de indruk dat hij fout was geweest. Nog later bleek uit Britse bron dat hij allerlei fantaseerde om zichzelf interessant te doen voorkomen. Dat wekte de indruk dat hij onbetrouwbaar was, maar we weten nu waarom praatjes verzonnen werden. Achteraf kakelen de kippen, maar het is nooit aangetoond op welke manier Schoup bij spionage betrokken was. Het is waarschijnlijk dat hij gevarieerde onzin verkocht om te overleven. Meer weten we niet. Van de vage beweringen die jaren later werden gebezigd, ontbreken tot nu toe de bewijzen.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Zie voor actualiteiten ook: https://www.facebook.com/pages/JG-Schoup/658877517561138

* N.B.: De tijdens de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam werkzame consul van Duitsland met wie  soldaat Charles Luis Claes contact opnam, was Carl Hubert Cremer (*1858 – †1938), firmant in de Duitse farmaceutische industrie en fokker van exotische vogels. Cremer bezocht in mei 1916 een Nederlandse genaamd Margaretha Zelle, een beeldschone verschijning die tien jaar tevoren furore maakte als sensuele Aziatische danseuse. Toen Cremer bij haar aanklopte, woonde ze in Den Haag, Nieuwe Uitleg 16 (inschrijving 11 augustus 1915, komende uit Parijs – zie onder de Haagse registratiefiche en een Amsterdamse foto uit 1915). Omdat Nederland neutraal was, mocht dit bonte vogeltje vrijelijk door Europa reizen. De Duitse consul zocht haar op, nadat hij vernomen had dat ze weer naar Frankrijk zou vertrekken. Maar tippelde zij met haar bevallige danspasjes niet veeleer op eigen initiatief naar het Duitse consulaat in Amsterdam? Of gebeurde dit echt zomaar om wat Cremer in mei 1916 toevallig zou hebben gehoord? De danseres was in 1914 voor het Metropool-Theater in Berlijn. Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog week ze naar Nederland uit, berooid. Een oude vlam van haar, baron Eduard Willem van der Capellen, hielp haar uit de dalles, in het deftige Den Haag, waar ze zich monumentaal verveelde. Al in de herfst van 1915 zouden haar in Duitsland fijne kneepjes van spionagewerk zijn bijgebracht. En toch, deze mondaine madam gaf later in een verhoor te kennen dat Cremer pas in mei 1916 bij haar in Den Haag kwam met het voorstel voor de Duitsers te gaan spioneren, al gaf ze in een ander verhoor toe de man al sinds januari 1915 te kennen. Dat kan in beide gevallen de waarheid geweest zijn. Hoe het ook zij, Cremer fourneerde 20.000 Franse francs, een fors bedrag, tegenwoordig bijna 67.000 euro. Daarmee vertrok ze naar Frankrijk, waar ze in december 1915 al eens even geweest was om haar huis in Neuilly leeg te ruimen. Spioneerde ze toen al? Veel daarover is tot op heden tegenstrijdig gebleven. Het is zelfs ongewis of deze dame ooit nuttig werk tegen de Fransen verrichtte. Ze was vast stoutmoedig genoeg om de Duitsers om de tuin te leiden en zodoende voor vorstelijke bedragen zo ongeveer niets te doen, gewend en gewiekst als ze ook was kapitaalkrachtige mannen om haar vinger te winden. Het zat haar in het bloed schone schijn op te houden bij haar private geheime diensten, die veel om het lijf konden hebben, maar die niet meer betekenis hadden dan wat plezierig luxe- en lijfsbehoud. Navenant was ze in staat consul Cremer te begoochelen. Dat wil zeggen, op zijn minst kon ze hem een rad voor ogen draaien met de verzekering dat ze wou en zou collaboreren. Maar gezien het feit dat de autoriteiten in Berlijn na het uitbreken van de oorlog de bezittingen van de zogenaamd francofiele ster in beslag namen, is het twijfelachtig dat zij voor de Duitsers wou werken. Ze zat echter in een moeilijk parket. Op middelbare leeftijd werd het allengs lastiger op amoureus gebied de voorheen zo oogverblindende charmes in de strijd te werpen en wat kon zij op het slagveld van de liefde zonder nieuwe veroveringen nog als danseres voor elkaar toveren? Daarnaast maakte de oorlogssituatie het leven niet eenvoudiger. Sommigen zagen in spionage zonder te spioneren de ultieme remedie. Dat spel kon inderdaad lucratief zijn. Waarschijnlijk door zowel geldnood als geldhonger geïnspireerd leek het een lumineus idee consul Cremer, die ze kennelijk al sinds januari 1915 kende, in mei 1916 uit te nodigen voor een goed gesprek. Het Duitse geld stonk net zo intens als het blonk, en het lonkte. De opzet kan van meet af aan bedrieglijk geweest zijn, maar dat hoort voor de geldgever bij het risico van het vak. Een spion had niet telkens nieuws te melden. Succes was niet verzekerd. Het perfide metier was moeilijk controleerbaar en dus voer voor fantasten. Met de 20.000 franc kon de kokette cocotte in elk geval weer een tijdlang haar weelderige leven leiden. Volgens een Franse geschiedkundige ging het haar primair exact daarom; volop van het leven genieten. Ze zou daarbij, nota bene met medeweten van de Franse geheime dienst, de Duitsers slechts onbenullige informatie toegespeeld hebben. Bovendien, als ze inderdaad voor het eerst pas in mei 1916 met een heuse opdracht van de Duitsers naar Frankrijk vertrok, dan heeft ze maar een half jaar iets goed of fout kunnen doen. De reis begon op 24 mei 1916. Vanuit Amsterdam voer de SS Zeelandia om Schotland heen om het gevaar te omzeilen door Duitse onderzeeërs te worden getorpedeerd, zoals dat half maart 1916 met de SS Tubantia was gebeurd. Eerste stop in Falmouth, Zuid-Engeland, 30 mei 1916, daarna Vigo, Noordwest-Spanje, 1 juni 1916. Het stoomschip voer door naar Buenos Aires en de misschien wel elegantste passagier reisde met de trein via Madrid door naar Parijs, aankomst op 16 juni 1916. Het duurde dus in totaal drie weken om vanuit Den Haag Parijs te bereiken. Na een tweede avontuurlijke omzwerving, waarbij het haar onmogelijk gemaakt werd naar Nederland terug te keren, werd de vermeende verraadster op 13 februari 1917 in Frankrijk aangehouden en medio oktober 1917 in Vincennes gefusilleerd. In 2017, honderd jaar na dato, worden de Franse dossiers over deze kwalijke zaak publiek. Dan zal misschien iets duidelijker worden wat agente H-21 werkelijk deed en of ze daarbij iets misdaan heeft om Frankrijk te schaden.

En, zo vraagt men in de VARA-quiz twee voor twaalf dan een beetje dom; wat was de artiestennaam van deze kosmopolitische courtisane? We zoeken het niet op. Carl Hubert Cremer, de Duitse consul te Amsterdam, wees Belgische stakkers de weg naar spionage voor de Duitsers. In dit wespennest kan ook J.G. Schoup met hem in aanraking gekomen zijn, al is daar geen bewijs van. Zeker is wel dat Cremer een Nederlandse schoonheid bezoldigde die wereldwijd bekend werd als Mata Hari.

Mata Hari 1915 © J.J. Wielaert 2016

 

Draaideur Rotterdam: een hutspot en hotspot van spionage

Tags

, , , , , , , , ,

Witte Huis Rotterdam 1907 © onbekend

Eén van de typische fenomenen in de mediawereld is het uitbuiten van jaartallen die in het collectieve geheugen gegrift staan. Bij een bekende historische datum roept men graag details uit de voltooid verleden tijd in herinnering. Met een mooi rond getal als aanleiding mag je dan vernemen dat een of andere oorlog tientallen jaren geleden begon of eindigde, of dat een persoon honderd of zelfs tweehonderd jaar geleden ter wereld kwam of overleed. Wie dat interesseert, leest er ditjes en datjes over en denkt vervolgens maar al te vaak: “gut, was dat nou alles?”

Nee, natuurlijk speelde er veel meer, maar artikelen moeten tegenwoordig bondig blijven en boeken eigenlijk dunnetjes. Bovendien moet het bij de retrospectieve berichtgeving om wereldschokkende gebeurtenissen gaan, of om wereldberoemde doden als Napoleon, Hitler of Stalin en dergelijke, overleden filmsterren of voetballers niet te vergeten. Is een onderwerp of persoon niet erg bekend, dan is de “nieuwswaarde” niet hoog genoeg. Dit is echter een paradox. Aan het onbekende of verborgene wordt weliswaar weinig of geen aandacht besteed, maar wat niet algemeen bekend is zou per definitie als “nieuws” moeten gelden.

In 2014 bijvoorbeeld bedrukten de media hun papier ook betrekkelijk graag met oppervlakkigheden over dingen die vele lezers al wisten. Destijds honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit en in 2014 diende zich tevens een mooi moment aan om na zeventig jaar de geallieerde invasie in Normandië voor de zoveelste keer in het zonnetje te zetten. Een enkeling herinnerde zelfs aan de mislukte aanslag op de Duitse dictator in datzelfde jaar 1944. Om andere jaartallen te noemen: eind januari 2013 kwam het dramatische slot van de slag bij Stalingrad in het nieuws en eind januari 2015 de gelukkige maar tevens tragische bevrijding van Auschwitz. En jawel, in 2015 werd herinnerd aan de slag bij Waterloo, toen tweehonderd jaar voorbij.

Zo is er altijd wat over vroeger te vertellen, ook op televisie en radio trouwens, maar soms verslapt de aandacht voor belangrijke verleden gebeurtenissen toch opmerkelijk. Verslaggeving over de plechtige herdenking van de terroristische aanslagen op de Twin Towers dreigt bijvoorbeeld in het slop te raken. Dat baart zorgen, want het was me wat. De wereld stond op zijn kop! Maar wat toen in Manhattan voorviel, weten de mensen nu wel. Het is ook niet goed telkens aandacht op die eigenaardige terreuraanslagen te vestigen. Boze tongen van intelligente onderzoekers en wetenschappers laten geen steek heel van het officiële nieuws over die rampspoedige septemberdag. Onopgeloste vragen genoeg, bijvoorbeeld over miraculeuze vliegtuigen die spoorloos in veel te kleine gaten verdwenen of over het wonderbaarlijk instorten van een wolkenkrabber die door geen enkel vliegtuig was aangeraakt! Maar wat moeten we met dat soort nieuws? Veel te lastig is dat. Vergeten is beter, of zand erover strooien, of er monumenten bovenop planten die schijnen te bewijzen dat het allemaal waar gebeurd is, zoals men zegt dat het waar gebeurd is.

Het recente verleden schijnt überhaupt te vers om er diep in te kunnen graven. Zo lijkt het, terwijl wat maar kort geleden gebeurd is voor journalisten en onderzoekers juist meer aanknopingspunten biedt om waarheid aan het licht te brengen. Een Australische waaghals die nu al jaren in een Ecuadoraanse ambassade woont, vond dat ook. Het werd hem niet in dank afgenomen en dat is de crux: hij onthulde realiteit. Elke dag gebeurt op de achtergrond ontzaglijk veel wat het daglicht schuwt, geldstromen op hoog niveau, financiering van oorlogen en opstanden, wat al niet meer, en de reden om al die waanzin te verwezenlijken, winstbejag natuurlijk, zou voor journalisten uiterst pikante kost moeten zijn. Ze interesseren zich doorgaans echter even weinig voor de achtergronden van de waanzin als de mensen zelf. Reportages gaan vooral over verschijnselen, voorvallen, niet over oorzaken. Hier een bom, daar een brand. Onderzoeksjournalistiek à la Watergate kost bovendien onmatig veel geld. Het is goedkoper en gemakkelijker de medewerkers op de redactie te laten verwijlen om ze met de berichten van persbureaus bezig te laten houden. Een nóg onschuldiger tijdverdrijf is in de geschiedenis te laten graven en daar wat over te publiceren. Dat nieuws is immers al oud, dus dat doet geen kwaad. Wikipedia biedt trouwens veel meer materiaal dan een krant kan plaatsen, maar de gedrukte pers wordt met oude weetjes toch wat voller, naast de dagelijkse zure regen over ongelukken, moord en doodslag, rampen, schandaaltjes, verkiezingen en crises.

Wat moeten we, nu honderd jaar geleden, met een jaartal als 1916? De media doen er niet veel mee, terwijl in februari 1916 toch een van de smerigste materiaalslagen begon die de wereldgeschiedenis rijk is, die afgrijselijk gore slag om Verdun. Er is wel een beetje aandacht aan besteed, voorwaar, maar dat houdt vervolgens op, terwijl het sneuvelen niet ophield. De slachting rond Verdun duurde van februari tot december 1916. In een uitzichtloze impasse lieten aan beide kanten honderdduizenden soldaten in helse ellende het leven, onvoorstelbare maaaaaanden lang! Het moorden was zo apocalyptisch, dat het nieuws van vandaag er nog steeds heel wat plaats voor zou moeten inruimen. Maar dat gebeurt niet, net zo min als men dagelijks in de krant leest hoeveel tienduizenden mensen er gisteren wereldwijd van de honger crepeerden. Dat gaat elke dag zo door, maar de krantenlezer of televisiekijker met een voldaan gevulde maag gaat misschien over zijn nek van zulke onbeschrijfelijke misère. Het is echter vast leerzaam door harde waarheid misselijk gemaakt te worden. Dus ja, hoe onsmakelijk ging het er honderd jaar geleden in het inferno in Noord-Frankrijk aan toe?

sneuvelen in 1914-1918

Tijdens de frontale aanvallen werden tientallen soldaten per seconde als sitting ducks in een storm van vliegend lood doorzeefd. Velen werden ook direct door granaten getroffen. Hun lichamen spatten uiteen, zodat van deze jonge mensen niets anders dan kleine stukjes vlees en bot overbleef, uitgestrooid over het plotseling steeds roder wordende landschap van Noord-Frankrijk, waar oorlog woedde als nooit tevoren! De opengereten lijven, de losse armen, benen, rompen en hoofden, heel of half, bleven op het slagveld achter, overgelaten aan het ontbindingsproces. Het was te gevaarlijk al dat verbruikte mensenvlees te ruimen. Zo maakte niet alleen kruitdamp zich meester van het luchtrijk boven de loopgraven: de indringende stank van rottende lijken en lichaamsdelen was niet te harden. Daarover nog eens in geuren en kleuren berichten is echter geen goed nieuws. Een auto-ongelukje van gisteren op een of ander provinciaal kruispunt is en blijft bovendien van groter belang. Er schijnen zelfs mensen te bestaan die met intense belangstelling de nieuwsberichten volgen waaruit blijkt dat niet alles in het Nederlandse treinverkeer goed spoort.

Wie weet; heeft men gewoon te weinig respect voor al die in gruwelijke gevechten kapotgeschoten soldaten van het jaar 1916? Is het wellicht onnodig te blijven tonen hoe kwalijk oorlogen zijn? Kan dat te maken hebben met het feit dat aan al die verschrikkingen met name door het militair-industrieel complex miljarden en nog eens miljarden verdiend worden?

In elk geval is er ook te weinig respect voor de doden van nu, maar dit weblog is – excuses voor deze lange inleiding – geen platform voor filosofische bespiegelingen over nieuwsbrengers. Dit weblog beperkt zich tot details over het leven van Jean Gustave Schoup. Zo komt de vraag op: waar was hij in 1916? Welaan, als Belgische deserteur had hij het in Nederland zo slecht niet. Hij hoefde niet te verrekken in loopgraven aan het Belgische riviertje de IJzer en het bloedbad van Verdun was nóg verder van zijn brits. Jean Gustave verkeerde de eerste helft van 1916 in de beste veiligheid die te bedenken is, als gedetineerde te Rotterdam namelijk. Waaraan hij dat verdiend had? Dat komt in de boek over zijn bewogen levens aan de orde en hoeft dit weblog dus niet te onthullen. Maar in dit verband is het wel interessant te belichten dat de havenstad Rotterdam in 1914-1918 zich tot een centrum voor spionage ontwikkelde. Daarmee kreeg Schoup namelijk te maken.

Nederland was neutraal. Dat heeft spionage in de hand gewerkt, want zolang informatie vergarende types hun activiteiten niet in strijd met de Nederlandse wet ontplooiden en zolang dit evenmin onze nationale veiligheid in gevaar bracht, konden zij doen en laten wat zij wilden. Brave burgers van Duitse, Britse, Franse of Belgische nationaliteit konden gerust overal hun voelsprieten laten tintelen. Het hoorde (en hoort) bij de vrije nieuwsgaring hier en daar rond te neuzen, zoals iedere toerist dat doet en mag doen. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog verkenden ‘toeristen’ van het Duitse leger het terrein in België al. Zo banaal zijn de dingen. Spionage wordt als woord doorgaans al te spannend opgevat, maar het is veelal niet zo spectaculair als de avonturen van James Bond. Als passant een beetje om je heen turen of je als tekenaar of schilder strategisch posteren resulteert vaak al in meer dan genoeg informatie. Pas dus op voor bemande schildersezels! Daarmee is iets niet in den haak, eventueel… En voor je het weet bespioneert vervolgens dus iedereen elkaar, met als gevolg verbodsbepalingen op de meest simpele vreugden des levens.

1915_04_09_ 2_02 Tlgr.

In de provincie Zeeland liep het, zo vlak aan de Belgische grens en met zoveel scheepvaart, de spuigaten uit. Voor de Duitsers was het in de zuidelijke grensgebieden van Nederland overal knap enerverend. Ze vonden het zelfs bezwaarlijk dat er brieven vanuit Nederland naar België gesmokkeld werden. Het briefverkeer werd gecontroleerd, want Nederland was een gebied achter de Duitse stellingen. Van daaruit was allerlei onraad te verwachten! De Duitsers hielden scherp in de gaten wat in Nederland gebeurde. Het werd noodzaak de grens tussen Nederland en België ondoordringbaar te maken met een 332 kilometer lang hekwerk dat onder hoogspanning stond. Het werd al gauw de Dodendraad genoemd en in Duits jargon das Grenzhochspannungshindernis. Hinderlijk was deze versperring ongetwijfeld, maar niet echt effectief. Men kon in greppels of tunnels onder dat gevaarlijk hoge voltage doorkruipen, of er in fusten of kartonnen kokers zelfs dwars doorheen, zonder geëlektrocuteerd te worden. Dat was dan weer interessant voor de spion, die de Duitsers moest doorgeven waar (en hoe) er een lek in het mandje zat.

In Rotterdam bleef het interessant te weten welke Britse of Amerikaanse schepen in de haven aankwamen en met wat voor lading die bevracht waren. De spionnen in Rotterdam – laten we de vraag even in het midden of ze voor de Britten, de Duitsers of de Fransen werkten – werden voor hun activiteiten en rapportage uiteraard betaald. De meeste mensen doen zulk spiedend werk niet voor hun lol en zij die er pret in hebben, zullen toch ook moeten eten. Spionnen werden in Rotterdam niet alleen geworven: mensen zonder bron van inkomsten namen soms, ten einde raad, met Duitse of Britse of Amerikaanse of Franse autoriteiten contact op. Zij kregen vervolgens de simpele taak hier en daar hun ogen open te houden en moesten hun bevindingen doorgeven. Elk bericht kon geld opleveren en dus werd er ook wel eens iets verzonnen als er niets noemenswaardigs te vertellen was. De omstandigheden boden voer voor fantasten die tegen betaling een leuk verhaal konden opdissen. Dat duurde in zo’n geval uiteraard nooit lang, want op verzinsels kunnen geheime diensten niet bouwen. Praatjes vullen geen gaatjes, zegt men, en na al te veel nonsens verkocht te hebben, is de gewezen spion gewoon weer werkloos.

In Rotterdam werd gedoogd dat er spionnen in dienst van de buitenlandse mogendheden onderweg waren. De autoriteiten hielden een oogje in het zeil, maar op zich was er op buitenlandse gasten niets aan te merken zolang ze niets onwettigs deden. Een Fransman, Duitser of Engelsman kon in Rotterdam (en uiteraard ook in andere Nederlandse steden) gewoon circuleren. Overigens waren sommige van hen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog genaturaliseerd. Zulke nieuwe Nederlandse burgers liet men uiteraard ook hun gang gaan, of zij nu van het ene of van het andere walletje profijt trokken. Dat sommigen fors aan de oorlog verdienden, komt eveneens in Schoups biografie aan de orde. De lotgevallen van bankier Alfred Hethey zijn een voorbeeld van formaat. Deze man werd onbetamelijk rijk, vooral in de Eerste Wereldoorlog, maar het ging ook flink mis met hem, omdat de Duitsers die oorlog verloren.

Buitenlanders in Nederland genoten in 1914-1818 in elk geval over het algemeen de vrijheid die een neutraal land te bieden had. Nederland had met een oorlog die ergens ver ten zuiden woedde formeel niets te maken en dus kon een Duitser of Engelsman met evenveel genoegen vrijelijk in Den Haag flaneren als elke andere wereldburger. Alleen voor naar Nederland gevluchte Belgische, Duitse, Franse of Engelse deserteurs was dat anders. Die soldaten moesten in de interneringskampen het eind van de oorlog afwachten, maar velen van hen ontkwamen. J.G. Schoup was zo’n voortvarende vluchteling. Hij kwam vanuit kamp Harderwijk in Rotterdam terecht, waar opeens een internationale sfeer heerste.

De uitwassen hiervan zijn evident. De Nederlandse neutraliteit gaf op allerlei gebied gelegenheid internationale zaken te doen zoals dat in Rotterdam in die mate tot dan toe ongekend was. Daar waren ze nu, als nooit tevoren waren ze present, de Belgen en de Amerikanen, maar ook al die Duitsers, Britten en ook Fransen. Jean Gustave Schoup zat er middenin en besteedde in zijn boek In Vlaanderen heb ik gedood een hoofdstuk aan een Belgische spion met de naam Laudir die met een zender gegevens over schepen doorseinde aan de Duitsers. Rotterdam, als haven destijds veel kleiner dan de haven van Antwerpen, werd een internationale hutspot van zakelijke en militaire belangen, gekookt in een politiek vaarwater heet gestookt op het vuur van de Eerste Wereldoorlog. Zo werd Rotterdam een hotspot voor spionage.

1916_05_05_1_05 Tlgr.

Ondanks het fatale bombardement van mei 1940 staat daar nog steeds een markant oud gebouw. Toen het Witte Huis in 1889 opgeleverd werd, was het met haar 43 meter en 11 verdiepingen het hoogste optrekje in Europa, mits we de Eiffeltoren even over het hoofd zien. Dat mag trouwens, want die ijzeren piek in Parijs is geen kantoorpand. Het Witte Huis was voor de Maasstad van begin af aan een fraaie aanwinst die net als de Laurenskerk de bijna volledige verwoesting in de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog doorstond. De twee kolossen torenden hoog boven de rest van het Rotterdamse centrum uit, voorheen al, maar nog veel duidelijker na het bombardement, toen al het puin geruimd was. De Rotterdammers zijn op hun manier trots op de schaarse overblijfselen, zoals dat Witte Huis. Maar niet iedereen weet, dat het Keizerlijke Duitse consulaat tijdens de Eerste Wereldoorlog in dat pand gevestigd was. Vanuit deze toren werd in 1914-1918 de Duitse spionage geleid. Hoe kan het ook anders, het gebouw bood de beste mogelijkheden voor goede ontvangst van radiogolven. Bovendien vestigt een consulaat van een of andere staat zich doorgaans niet in een kelder.

Rotterdam 1940

Het is niet zeker, maar zeker denkbaar dat Schoup op een zomerdag in 1916 bij het Witte Huis aanklopte. Nadat hij bestraft was en daarom niet weer bij de Commission for Relief in Belgium kon werken, werd hij één van de arme drommels die in Rotterdam wat centen verdiende met spionage. Hij was de enige niet: het volgende weblog zal daar op 1 juli 2016 over gaan.

Over die datum volgt tot slot nu al wat oud nieuws. Laten we het over het Nederlandse weer van die dag hebben, en over heftige kogelregens, elders. De temperatuur lag op 1 juli 1916 in Nederland tussen 10,0 °C en 20,6 °C en was gemiddeld 15,9 °C. Er was 11,8 uur zonneschijn (71%). De gemiddelde windsnelheid was matig en kwam overheersend uit het zuid-zuid-westen. Er was, kortom, geen vuiltje aan de lucht. Zo’n tweehonderd kilometer ten zuiden van dit tolerabele klimaat begon op 1 juli 1916 de meer dan absurde slag aan de Somme. Vroeg opstaan jongens, dit wordt een fijne dag! Om 7:30 werd het sein gefloten om tot de aanval tegen de Duitse stellingen over te gaan. Voor meer dan 19.000 Britten was deze ene dag ook hun laatste. Maar de slag aan de Somme zou nog tot 18 november 1916 duren. Er sneuvelden in totaal meer soldaten dan Amsterdam, de grootste stad van Nederland, tegenwoordig inwoners heeft. Meer dan een miljoen arme zielen legden in maar een kwart jaar tijdens deze volstrekt zinloze slachting aan de Somme het loodje.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Weer één en dezelfde? Nóg een vergelijkend warenonderzoek!

Tags

, , , , , ,

In het vorige weblog kwam de ontdekking van een fotoserie uit 1916 aan de orde, een serie van drie foto’s waarop Jean Gustave Schoup te zien is. Dat is 100% zeker en bleek een dankbaar uitgangspunt voor nader onderzoek.

J.G. Schoup 1916 + 1927 b - © 2015 J.J. Wielaert

Op de derde foto van de triptiek (zie dat ‘drieluik’ in het vorige weblog van oktober 2015) zien we J.G. Schoup zoals hij en publique door het leven ging. Meneer liep toen over straat met een hoed op het hoofd, een puntig uitlopende gleufhoed. Verder weten we dat hij lang en stevig van postuur was en ook dat hij een snor droeg, maar zeker geen baard. We gaan kijken of we op een groepsfoto van de Rotterdamse Commission for Relief in Belgium een man kunnen ontwaren met een op deze gegevens passend uiterlijk.

De bewuste foto is niet exact gedateerd, maar de groep medewerkers is vrij groot. Daarom is de foto vast niet in de eerste dagen of oprichtingsweken van de Commission for Relief in Belgium genomen. Het is zelfs wel zeker dat deze foto niet eerder dan maart of april 1915 geschoten werd.

Alleen aan de kledij is al te zien dat dit gezelschap zich niet midden in de winter van 1914-1915 liet fotograferen, maar later. Het gaat om een kiekje genomen in de lente of in de (voor)zomer van 1915. We zien dat onder meer aan de heren die een luchtige, gevlochten en dus prettig ventilerende hoofdbedekking bij zich hebben die bij mooi weer gedragen werd. Zich modern voelende Amerikanen droegen destijds deze typische zomerhoed. Klik op de groepsfoto voor een uitvergroting.

CRB Rotterdam © 2016, J.J. Wielaert (kl)

Aan de slagschaduw op de gezichten van het gezelschap is te zien dat de foto midden op de dag genomen moet zijn, toen de zon hoog aan de Rotterdamse hemel stond. Met uitzondering van maar één dame heeft iedere op de foto voorkomende vrouw haar hoed op. De schaduw die daaronder valt, is een indicatie voor het uur van de dag. Bovendien, onder vele neuzen, zelfs bij de vrouwen, lijkt vanwege het pal van boven komende daglicht een Hitler-snor te groeien. Uiteraard is dat effect afhankelijk van de grootte van de neus en aldus een grappig aan het neerstralende licht te wijten gevolg. We zien verder dat een aantal heren geen snor droeg, niet eens een kleintje, al lijkt dat door de slagschaduw van de op die dag schijnende zon toch een beetje zo te zijn.

Bekijk de groepsfoto nu nog eens. Op de voorste rij zitten alleen mannen. Zij zullen de voornaamste functies bij de Rotterdamse CRB vervuld hebben. Het valt op dat het gros van hen witte schotelhoeden met zwarte of gekleurde band op schoot of in de hand houdt. Zo’n hoofddeksel ligt ook schuin op de grond. De strohoeden die de vooraan zittende heren bij zich hebben, zijn van het type straw boater. Deze hoed was destijds in de Verenigde Staten in de mode, zoals de onderstaande in New York geschoten foto uit 1912 duidelijk toont.

1912 - New York, straw boaters

Dit zegt wat de foto uit Rotterdam betreft op zich ook iets: op de eerste rij van Commission for Relief in Belgium zitten voornamelijk Amerikanen, al is dat alleen uit de toenmalige hoedenmode niet helemaal zeker te concluderen. Op die eerste rij zitten in elk geval maar twee mannen met een gleufhoed op schoot. Eén van hen heeft echter geen snor en de andere draagt een snor en een baard. Deze twee voldoen dus niet aan het gezochte signalement.

Verder nog iemand met een gleufhoed bij al deze mensen? Waar is onze hoofdpersoon met gleufhoed, met knevel, met slagschaduw van het zonlicht onder zijn haakneus, maar zonder baard? En lijkt hij op de foto’s van Jean Gustave Schoup uit die jaren, die toen 100% zeker een gleufhoed droeg?

Wie van zoekplaatjes houdt, heeft hem snel gevonden. Waarschijnlijk is de man die we zoeken de lange, stevige gestalte die uiterst rechts op de bovenste rij van de groepsfoto staat. Een uitvergroting van dat stukje van de foto levert een beeld op dat te onscherp is om er alles mee te kunnen bewijzen. Maar vergelijken we deze figuur op het oog met de man op de driedelige fotoserie uit het weblog van 1 oktober, dan is het toch denkbaar, zo niet welhaast zeker, dat het om Jean Gustave Schoup gaat.

2x Schoup © 2016, J.J. Wielaert

Klik op de collage voor een uitvergroting. We bekijken de man met gleufhoed zoals we hem op de foto van de Rotterdamse Commission for Relief in Belgium aantreffen. Daaroverheen zijn gedeeltes gelegd van de foto’s van Schoup zoals hij in die jaren werd afgelicht. De foto links is een uitsnede van de originele groepsfoto. Over de tweede prent is een selectie van Schoups portretfoto gelegd, zoals die selectie daarnaast te zien is. Over derde afbeelding ligt de helft van zijn portretfoto uit 1916.

Is hij het, of is hij het niet? Het lijkt erop, maar opgepast: dat is niet voor de volle 100% zeker, omdat er bij de groepsfoto geen namen zitten. Wie is dus onze kandidaat op deze groepsfoto? Het oordeel is aan allen die geïnteresseerd zijn in de bewogen levens van Jean Gustave Schoup!

Met deze kopzorgen in het achterhoofd wenst de sitebeheerder zijn lezers een voorspoedig, levendig en gelukkig 2016. Het hoort immers bij de jaarwisseling een optimistische kijk te houden op wat komen gaat. Honderd jaar geleden, midden in de afgrijselijke Eerste Wereldoorlog, bestond ver van het front voor menigeen ook een fleurig toekomstperspectief, stralend van geloof, hoop en liefde!

1915-1916 gelukkig © 2016, J.J. Wielaert (kl)

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Twee shots van één en dezelfde : een vergelijkend warenonderzoek!

Tags

, , , ,

J.G. Schoup 1916 + 1927 b - © 2015 J.J. Wielaert

Al bijna een jaar geleden, eind oktober van het afgelopen jaar, twee maanden na de publicatie van het boek over de bewogen levens van J.G. Schoup, viel mijn oog op een drietal foto’s van een man die uit de kampen voor Belgische soldaten was ontvlucht. De drie beeltenissen troffen mij als een bliksemflits bij heldere hemel. Ik kende dit gezicht. Ik had de vermoeide, ietwat droefgeestige ogen al op latere foto’s gezien en mij keek op dat moment dezelfde melancholieke blik aan die ik tevens van een maar enkele jaren oudere foto kende. Maar vooral viel mij het profiel van de neus op en überhaupt de gelaatstrekken gezien van opzij. De contouren van dit gezicht stonden op mijn netvlies gegrift, omdat ik een soortgelijke driedelige fotoreeks kende die elf jaar later van deze persoon werd gemaakt.

Maar liefst elf jaar verschil! In zo’n lange periode verandert de menselijke fysionomie vaak wezenlijk. Ook in dit geval zou vrijwel niemand die de foto’s vergelijkt op het eerste gezicht zeggen dat dit één en dezelfde persoon was. Maar de vorm van de neus, de oogafstand, de inclinatie van het voorhoofd, van verticaal tot schuin naar achteren, de hoogte van de oren ten opzichte van de ooglijn, de kinpartij en nog vele andere kenmerken veranderen niet. Het gezicht kan in de loop van de jaren dikker geworden zijn en het haar dunner. Een snor, sik of baard kan intussen afgeschoren of erbij genomen zijn. Maar het hoofdprofiel blijft hetzelfde, net als bijvoorbeeld de vorm van de oren en de plek waar die oren aan het hoofd zitten. Dat komt allemaal omdat de schedel, die het gelaatsvlees draagt, niet verandert. Omdat het gehoororgaan tot in de schedel zit, verandert bijvoorbeeld vanaf de zijkant gezien de afstand van de oren tot het puntje van de neus niet. Oren worden bovendien doorgaans niet veel dikker en behouden hun specifieke en unieke persoonsgebonden vorm.

Het profiel van de haakneus en de rechte lijn die deze neus met het voorhoofd maakte, was het meest frappante aspect van herkenning dat mij op het spoor van de identiteit van deze Belgische soldaat bracht. Hiervoor is een scherpe opmerkingsgave nodig, gegrond op aangeboren of aangeleerde visuele capa­citeiten, het in een flits kunnen herkennen van vormen op grond van een zekere mate van fotografisch geheugen. Men mag dat beroepsdeformatie noemen, maar dat was het in dit geval niet. Ik heb altijd een goed geheugen voor gelaatstrekken gehad. Op grond daarvan herkende ik deze man. Maar was hij het wel? Vergeleken met de andere foto’s die ik kende, waren de kenmerken optisch wezenlijk anders, dan toch… Kon wat ik gevoelsmatig zeker dacht te weten ook met mathematische zekerheid worden vastgesteld?

Even overwoog ik de twee verschillende fotoreeksen door criminologen te laten vergelijken. De politie staat voor dit soort akkefietjes moderne software ter beschikking. Maar dergelijke hulp was niet nodig. Iedereen die het wil kan hiervoor thuis met Photoshop Elements aan de slag, bijvoorbeeld. Dat programma verricht vergelijkende gelaatsherkenning vrijwel automatisch. Handmatig kan het ook met oude versies van Photoshop gedaan worden. Mij stonden twee mugshots ter beschikking en dan is de rest eigenlijk een eitje.

Let op! Stap 1: men neme de zijdelings genomen foto van één mugshot en brenge die op het formaat van de andere, zodat een oor bijvoorbeeld op beide foto’s precies even groot is. Stap 2: aangezien de gefotografeerde persoon zijn hoofd op de twee afzonderlijke fotosessies niet exact even “loodrecht” tegen het neksteuntje hield, moet één van de zijdelings genomen foto’s nog even ietsje gedraaid worden, een paar graden maar. Stap 3: daarna klopt formaat en inclinatie en kunnen selecties van de ene foto over de andere foto heen gelegd worden. Kloppen dan de contouren van de gelaatstrekken met elkaar, klopt dan de afstand van neus tot kin en de afstand van oorlel tot neuspunt, klopt dan de inclinatie van het voorhoofd precies met die van de neus, en is die neus ook precies dezelfde, komt ook de vorm van de oren op beide foto’s overeen en zit het oor ten opzichte van het oog op precies de goede plaats, dan weet je het wel: dit is één en dezelfde persoon, met in dit geval elf jaar verschil in tijd.

J.G. Schoup 1916 + 1927 - © 2015 J.J. Wielaert

Dit is Jean Gustave Schoup. In grijs is hij te zien zoals hij er in de Eerste Wereldoorlog als 23-jarige uitzag op het moment dat hij werd gefotografeerd. In bruin zijn daaroverheen selecties gelegd van hoe hij er als dertiger uitzag toen hij zich nog eens moest laten aflichten. In tif-formaat kunnen de bruine layers met Photoshop naar wens geleidelijk over de grijze foto geschoven worden. En steeds weer past alles precies! Alleen de haardracht is anders en hij was elf jaar later iets gezetter. Klik op de afbeelding voor een vergroting.

Over de elf jaar eerder genomen grijs getinte portrettriptiek valt tot slot nog wat te verhalen, iets dat overigens ook in het boek over Schoups leven staat. “Baard” stond honderd jaar geleden voorgedrukt in de zware registerbanden van gevangenissen. Dat betekent uiteraard niet dat iedere gedetineerde een baard droeg. Met “Baard” werd de haardracht onder de neus bedoeld. J.G. Schoup droeg destijds een knevel, een flinke puntige snor, maar meer niet, zeker geen baard.

De ontdekking van deze vroege foto’s kwam te laat om ze nog in de eerste editie van de biografische studie over Schoup te kunnen plaatsen. Maar niettemin: zie voor de complete vergeelde mugshot uit 1927 pagina 105 van dat boekwerk.

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Afschuwelijk of niet : Geldhonger bestaat!

Tags

, , , , , , , , , ,

De berichten over de bewogen levens van Jean Gustave Schoup zijn even verstomd. “Waar waren we ook alweer gebleven?”, zou auteur en televisiemaker Geert Mak zeggen.

In Harderwijk waren we, januari 1915, waar Schoup voor de tweede keer in het Interneringskamp voor Belgische militairen terechtkwam. Hij heeft er wat tijd gesleten, al weten we niet precies hoeveel tijd en wat hij ermee deed. Zou hij misschien meegedaan hebben aan een “Internationale kaatspartij” die in januari in het kamp werd gehouden? De ‘Leeuwarder Courant’ van 27 januari 1915 maakte daar gewag van. J.G. Schoup was toen sinds twee weken weer in het kamp geïnterneerd.

1915_01_27_01 (Leeuwarder Courant - kaatswedstrijd kamp Harderwijk)

Dat kaatsen tussen Friezen en Belgen was bijzonder internationaal, maar was Schoup een kundig kaatser? Wie het weet, mag het zeggen. Een aardige rolschaatser was hij wellicht. Hij ging graag aan de rol, soms misschien wel eens op schuine schaats. Een politierapport uit de Eerste Wereldoorlog meent dat hij zich in Rotterdam vaak in de Skating Rink ophield. Dat fenomeen, niets meer of minder dan een rolschaatsbaan, was uit Engeland over komen waaien. De Anglo Dutch Roller Skating Rink Co. van directeur William S. Hitchen opende in 1911 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, entrée 25 cent! In dit pand werd tot 1909 gedanst. Toen de vergunning daarvoor werd ingetrokken (…!), ging de multifunctionele hal aan de Schiedamsche Singel onder meer als rolschaatsbaan dienst doen. In het gebouw streken ook circussen neer en er was variététheater te genieten. De mensen hadden er kortom plezier dat het een lieve lust was, zolang het duurde. Op 11 juli 1936 brandde het gebouw tot de grond toe af.

In haar boek Sport in ’t Stad – Antwerpen 1830-1914 besteedt Marijke den Hollander (blz. 173-179) heel wat aandacht aan de populariteit van Skating Rinks. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwamen ze in zwang. Daarna zakte dat wat in, maar “na de eeuwwisseling begon het rolschaatsen vanuit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan een nieuwe opmars”. De nieuwe rage resulteerde in Antwerpen vanaf 1909 in de oprichting van wel vier prachtige nieuwe zalen. Er werd niet professioneel sport bedreven, welnee. Het waren in eerste instantie mondaine uitgaansgelegenheden voor de Antwerpse elite. Men sloot zich aan omwille van het societyleven. Belangrijk verklarend element voor de populariteit was dat de dames bij het rolschaatsen “ongerept hun vrouwelijke elegantie konden bewaren. In hun lange witte rokken, pofmouwen en zonnehoeden deden ze de heersende opvattingen op dit vlak geen geweld aan”, aldus Den Hollander (blz. 348). In de pracht en praal van de rolschaatspaleizen werd krachtig geld geïnvesteerd. Het waren (blz. 372) commerciële ondernemingen “die inspeelden op een grote vraag naar mondaine recreatiemogelijkheden”. Het ging om “ontmoetingsplaatsen waar men kwam om te zien en gezien te worden” en dat speelde zich af in “indrukwekkende constructies met luxueus ingerichte zalen” . Men rolschaatste onder begeleiding van een orkestje en één van die etablissementen, de Skating du Cercle, gaf als extra attractie zelfs filmvoorstellingen en had een band met de theaterwereld. In Antwerpen zal Schoup dit moderne amusement van dichtbij meegemaakt hebben tot hij in 1913 twintig werd en in het leger moest. Waarom dus niet weer naar zo’n leuke rolschaatsbaan getogen, als je eenmaal in Rotterdam bent beland?

Die Skating Rink zou destijds volgens de politie – het gaat hier even over de jaren 1914-1915 – een verzamelplaats van meisjes van “verdachte zeden” geweest zijn, met wie Schoup als geregeld bezoeker zou zijn omgegaan. Wat dat toentertijd wou zeggen, ligt voor de hand. In een mondaine sfeer waarbij ook ongetrouwde jonge dames en heren gezelligheid en vermaak zochten, kon je wel feestelijk van samen dansen of samen rolschaatsen houden, maar vanwege de in Holland heersende calvinistische moraal kon al die ongedwongen zwier (vooral wat de vrouwen betreft natuurlijk) met gemak als onzedelijk gezien worden. Waarom anders was de dansvergunning in 1909 ingetrokken!? Wat verder van geruchten waar is, blijft doorgaans onbekend en het maakt ook niets uit. Als kloeke kerel van amper 21 jaar, eenzaam en alleen in Rotterdam, had Schoup behoefte aan gezelschap. En het is op zich niet helemaal onbekend dat het libido van een jongeman belangstelling voor het andere geslacht kan ontwikkelen. De Rotterdamse politie werd vriendelijk verzocht een vage roddel over Schoup na te trekken, maar kon bitter weinig met zekerheid vaststellen. De details zijn te plat om er woorden aan vuil te maken en het schijnt wel zeker dat de politie aan die kwalijke achterklap niet eens duidelijk inhoud kon geven. Dus wie zonder zonden is, werpe de eerste steen, maar geen zinnig mens zou dat doen. Schoups contact met vrouwen destijds komt in de biografie dan ook alleen, zonder de roddel, aan de orde in verband met een heel andere kwestie.

Geldhonger misschien? Ja, daar had het wel iets mee te maken. Maar eerst zat hij vanaf januari 1915 voor de tweede keer in het Belgenkamp bij Harderwijk. Daar waren geen meisjes, noch was er geld te maken. Het moet, zeker in het eerste jaar dat het kamp bestond, bij uitstek een oord geweest zijn om je perfect te pletter te vervelen. Er was nog geen bibliotheek, geen kamptoneel, geen school, geen wielerbaan, niet eens een patatkraam. De uren vormden dagen, de dagen gingen over in weken en de weken werden maanden, boordevol gevuld met verveling. Tijd genoeg om met weemoed aan bekoorlijkheden op de Skating Rink te denken! En tijd te over voor een langdurig niets.

1911_01_13_2_12 (Nrc

Tijd dus ook voor ons om Schoup even te laten rusten en af te zwenken van het pad zijner lotgevallen die honderd jaar geleden plaatsvonden. Tachtig jaar geleden is net zo goed! Er is bijvoorbeeld meer over Schoups laatste roman te vermelden, Geldhonger, verschenen in maart 1935. In het weblog van 18 en 20 september 2014 is al kort de inhoud van dit boekwerkje weergegeven.

Het werd niet best ontvangen. Lees maar wat ‘De Tijd’ er op 12 november 1935 over kwijt wou in een slopende recensie. “Veel aandacht besteden aan dit in een afschuwelijken omslag uitgegeven en van taalfouten wemelend boek zou tijdverspilling zijn. De heer Schoup heeft te hoog gemikt, zijn sprong is niet gelukt”. Goed, als het dan tijdverspilling was, waarom dan toch die aandacht? Zonder pardon en zonder ook maar iets ten positieve op te merken, hamerde de hele bespreking op wrange toon verder. Meedogenloos werd Schoups nieuwe roman tot pulp gewreven. “Van de financieele wereld en wat daar zoal omgaat, weet de auteur een en ander”, zette ‘De Tijd’ schamper door en “ook blijkt hij niet onkundig van het interieur van gevangenissen – deze bladzijden zijn wellicht nog de leerzaamste – maar van goeden stijl weet hij zoo weinig, dat het boek, uiterlijk al onaantrekkelijk, bijna een ergernis wordt”.

De recensie is zo moordend, dat het aan het onbetamelijke grenst. Het luidde zo negatief, zo gemeen ook, dat je je kunt afvragen of de recensent op kwade dag met zijn verkeerde been uit bed stapte alvorens zijn krenkende, met giftige grieven gevulde pen leeg te laten stromen. Schoups Geldhonger was geen meesterwerk, zeker niet, maar een kritiek mag er wel iets van heel laten. Helaas, de recensent van ‘De Tijd’ hield niet op. Hij moest en zou nog op de inhoud vitten, vond het boek “ongenietelijk door de ellenbreed uitgemeten theorieën over de maatschappijleer, waarbij de heer Schoup aan den uiterst linkschen kant blijkt te staan. Het verhaal zelf heeft niet zoo bar veel om het lijf. Een accountant maakt een tijd van opgang mee, raakt dan buiten zijn schuld natuurlijk, maar verleid door een van die kapitalistische vampieren in de strikken verward. Hij moet een paar maanden opknappen en het eind van het liedje is, dat hij zijn vrouw verlaat en “in een groot, nieuw geluk” een ander leven gaat beginnen – met een andere vrouw natuurlijk. Anders was de aardigheid van dit heelemaal niet aardige boek er te gauw af. Voor ons was dit al bij de tweede bladzijde het geval”.

Een helemaal niet aardige recensie, een aanslag was het en een publiekelijk vonnis dat tot vernietiging van het boek strekte. De almacht van de Lieve Heer werd er immers in aangevallen. De band met Jetty, de nieuwe liefde van hoofdpersoon Dycke, “is niet bekrachtigd door wet of kerk” en dat ongetrouwd samenleven was natuurlijk uit den boze! ‘De Tijd’, het dagblad van katholiek Nederland, moest niets van al dit vrijzinnige socialistische geneuzel hebben. Maar net zo kritisch, zij het bedaard, zachter en minder diep bijtend, was de toonaard van neutralere artikeltjes over Geldhonger. Wát een bittere teleurstelling door de mangel gehaald te worden… Het heeft Schoup vermoedelijk doen besluiten geen eigen romans meer te schrijven.

Zelfs na tien jaar onderzoek bleef onbekend hoe die “afschuwelijken omslag” er in zijn geheel uitzag. Geldhonger is op twee locaties te bestuderen, in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht en in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het Utrechtse exemplaar conserveert niets meer van het in rood, wit en zwart geïllustreerde kaft. In Brussel is de voorplaat er nog. Maar dat was het dan ook. Twee exemplaren zijn er nog, met misschien ergens nog een exemplaar in een doos bij de kringloopwinkel, of op de planken van een stoffige privébibliotheek. Zoek eens op zolder, maar weet van tevoren; het boek is eigenlijk verleden tijd. Hieruit mag wellicht geconcludeerd worden dat de oplage (nota bene midden in de crisisjaren!) klein was en dat Geldhonger in de afgelopen tachtig jaren voornamelijk is weggegooid. De grote verdwijning blijft niettemin merkwaardig. Zelfs de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) weet niet te vermelden dat Schoup naast zijn grote succes In Vlaanderen heb ik gedood (1932) en naast zijn goed ontvangen Een Vrek (1933) en Blanke Boeien (1934) in 1935 een vierde roman publiceerde.

Niet alleen inhoudelijk, maar ook uiterlijk was Geldhonger kennelijk lelijk. Dus ja, wat wil je, weg met dat ding, zoals ‘De Tijd’ het suggereerde. Hoe erg was het grafisch ontwerp van de omslag dan wel? Dat bleef intrigeren, totdat een exemplaar van dit vermaledijde boek opdook, compleet met stofkaft. Over smaak valt niet te twisten, zegt men. De lezer moet het zelf maar beslissen. Bekijk de wikkel van Geldhonger. Afschuwelijk of niet?

Geldhonger © J.J. Wielaert

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Belgenkamp revisited : van Rotterdam via (…) terug naar Harderwijk!

Tags

, , , , , , ,

Dankzij Hoovers en Francqui’s hulpcomités ging het met de voedselvoorziening van de Belgen vooruit. Maar hoe stond het begin 1915 met de in Harderwijk geïnterneerde Belgische soldaten? Konden zij binnen de omheiningen hun behoefte al wat humaner doen dan in een diep in de grond gegraven gat, een open beerput zeg maar, of kwam de ontlasting ook nog wel vrijelijk ergens in een beschut hoekje op de heide terecht? Werden de arme zielen nog bevangen door vlektyfus? Konden ze zich al eens wassen of zouden ze ook de volgende maanden een uur in de wind stinken? Sliepen ze nog als beesten op stro in een tochtig tentenkamp? Kregen ze genoeg te eten en verrekten ze niet steeds meer van de kou? Ja en nee…

Kamp Harderwijk © JJ. Wielaert

In het Interneringsdepot Harderwijk was in februari 1915 de situatie enorm veranderd in vergelijking met de onhoudbare omstandigheden die er eerst heersten. Jawel, het had even geduurd, maar in dat barre oord begonnen de mensonwaardige toestanden van oktober-november 1914 door de bouw van een groot aantal barakken allengs te verbeteren! Vergeet niet dat de Nederlandse autoriteiten daar eerst niet toe hadden besloten, omdat het Duitse offensief in Frankrijk leek te gaan slagen en de oorlog dus snel voorbij kon zijn. Dat was een misrekening, maar het speelde mee in het besluit de opzet van het Harderwijkse opvangkamp voor Belgische militairen provisorisch te laten zijn. Veel goedkoper immers ook! Maar nee, toch niet, tenminste niet voor de Belgen, want niets zou gratis blijven. Na de oorlog kreeg België de rekening gepresenteerd.

Zeker; eerst moest Nederland een en ander bekostigen. Datzelfde Nederland was er niet op voorbereid honderdduizenden Belgische vluchtelingen onderdak te geven. Was het duidelijk hoeveel er zouden blijven? Nee, ook al niet, dus bleef het aanvankelijk bij noodoplossingen en werd er niet meteen voor de Belgen gebouwd. Dat leek het beste, want zou dat gedonder daar in Noord-Frankrijk niet gauw afgelopen zijn? Even leek het erop, maar niemand wist het. En dus werd er in kamp Harderwijk in het begin niet veel geïnvesteerd.

Nederland kon Belgische burgers wel met zachte drang afschuiven. Het gros van de burgervluchtelingen ging sowieso uit vrije wil naar eigen land terug toen het ergste voorbij was. Maar de gevluchte soldaten moesten blijven. Belgische militairen mochten vanuit het neutrale Nederland nergens anders belanden en dat had gevolgen voor wat men huisvesting noemt. Er moest vanaf november 1914 dringend iets gebeuren. Na de Duitse nederlaag in de Eerste Slag bij de Marne (5 tot 12 september 1914) kwam het bliksemoffensief tot stilstand. De Teutoonse invasie stagneerde en de oorlogvoerenden begonnen zich aan beide kanten in te graven. Het werd duidelijk dat een snelle overwinning in 1914 niet meer haalbaar zou zijn. En dus, jawel, nu zat Nederland met een niet geringe complicatie, te meer daar de winter zich aankondigde. De problemen op humanitair vlak hoopten zich op, zodat dan toch besloten werd dat voor de Belgische militaire vluchtelingen, die de status van krijgsgevangenen hadden, een geconcentreerd kampement van node was.

Van het Interneringsdepot Harderwijk maakten drie Belgen later een maquette. Het complex lijkt optisch op de beelden die dertig jaar later van luchtopnames van concentratiekamp Auschwitz-Birkenau bekend werden. Dat Duitse vernietigingskamp was meer dan vijf keer zo groot, maar toch toont de maquette (zie boven) hoe uitgestrekt het kamp bij Harderwijk met zijn 32 hectare was. Laten we een essentieel verschil echter niet uitvlakken. In Auschwitz werden mensen vier jaar lang de dood in gedreven. In Harderwijk werden mensen vier jaar lang verzorgd.

Kamp in opbouw © JJ. Wielaert

De Belgische soldaten moesten bij de bouw van hun barakken ook zelf de handen uit de mouwen steken. Dat deden ze niet allemaal vrijwillig, maar ja, ze zagen zelf in dat de ellende langer zou duren dan gedacht en dat ze er het beste van moesten maken. Nog jaren lang lazen ze in Harderwijk over hun collega’s die in het uiterste puntje van West-Vlaanderen met de geallieerden heldhaftig standhielden tegen de Duitsers en daarbij sneuvelden. Daar mochten de Belgische soldaten die in Nederland vastzaten niet aan deelnemen.

Het eerste wat ze in Harderwijk wel mochten doen, was lijdzaam lijden en vervolgens lustig timmeren. Het resultaat mocht er wezen. Er was plotseling heel wat nodig en het ging uiteraard niet alleen maar om slaapplaatsen. Toereikende wasruimte moest er komen, latrines evenzeer, kantines en een ziekenboeg. Het nodigste werd het eerst gebouwd en Interneringsdepot Harderwijk werd daarna, van 1915 tot 1917, steeds verder vervolmaakt. Zeker, het verging de Belgische soldaten door deze maatregelen gauw beter. Maar toch is het niet anders mogelijk dan ook negatief over de verbeteringen te berichten.

De accommodatie was met 250 man per slaapbarak overbevolkt. Van privacy was geen sprake en er was geen verwarming. Dit maakte vooral de winters voor de soldaten alles behalve gerieflijk. Overdag moesten ze zich opwarmen in de kantines. ’s Nachts warmden de uiterst nauw bemeten logies dankzij de lichaamstemperatuur van 250 man wat op, maar daardoor kon het gebeuren dat aangevroren ijs ontdooide en op de slapers neerviel. Het is guur en winderig koud in Nederland en daar bleek niets aan te doen. Buiten de barakken was het begin 1915 verre van aangenaam. Pas later kon in het Belgenkamp Harderwijk iets aan het egaliseren van de tussen de behuizing liggende paden gedaan worden en aan wat riolering. In de eerste winter was kamp Harderwijk nog steeds maar een miezerig houten dorp waar ca. 12.000 tijdelijke bewoners door de modder moesten banjeren.

Kampstraat 1915 © JJ. Wielaert

Er was dus verbetering gekomen, jawel, maar was het genoeg? Nee, bij lange na niet. Dat was ook niet te verwachten. Zoals het bij de stichting en opbouw van ieder dorp gaat, laat het begin veel te wensen over. Er is niet meteen een bibliotheek of een voorziening voor vrijetijdsbesteding of scholing. Bij een merkwaardig garnizoen als het Belgenkamp op de heide ten zuiden van Harderwijk was dat niet anders. Stap voor stap en al naar gelang de behoeften die zich kenbaar maakten, werd het kamp geperfectioneerd en uitgebreid. Uiteindelijk zouden de burgers van Harderwijk nog profiteren van het Belgische toneelgezelschap dat in het nabijgelegen kamp voor vertier zorgde. Maar daar kon men in februari 1915 slechts van dromen. Eind januari 1915 berichtten de kranten over de “nieuwe kazerne” in Harderwijk, het kamp waarin uit alle windrichtingen Belgische militairen geconcentreerd werden. Het gros van de onderkomens was in slechts twee maanden uit de grond gestampt en dat zal, midden in de winter, geen lolletje geweest zijn.

Een goede vraag is wellicht: timmerde Schoup ook mee? Dat is misschien ook wel een vreemde vraag, want hij deed toch in Rotterdam zijn best voor de voedselhulp aan België? Welnu, er bestaat een aanwijzing dat hij vóór de jaarwisseling 1914-1915 in het zuiden van Nederland werd gearresteerd. En als het waar is dat hij Rotterdam inderdaad even verliet; wat voerde Jean Gustave dan op die bewuste decemberdag in zijn schild?

Men kan ernaar gissen, meer niet. Misschien heeft hij tegen het eind van 1914 gedacht Oud en Nieuw in Antwerpen bij zijn ouders te kunnen vieren? Misschien woonde daar wel een mooie Julia op wie hij verliefd was? Misschien… we zullen het nooit te weten komen! Maar als het een vermetel plan van hem geweest is een poging te wagen de grens naar België te overschrijden, dan mislukte dat danig. Hij mocht zo’n poging niet wagen. Schoup had weliswaar een officiële vergunning voor de business van Amerikaanse graanleveranciers in Rotterdam te werken, maar dat hield geen toestemming in op eigen houtje elders in Nederland te gaan flierefluiten. Dát was vanwege zijn status als Belgische krijgsgevangene in een neutraal land meteen een ontduiking van de regels. Dát kan dan ook negatieve gevolgen gehad hebben voor de uitzonderlijke vrijheid die hij als kantoorbediende van de Commission for Relief in Belgium genoot.

Het staat vast dat Schoup op 14 januari 1915 in Interneringsdepot Harderwijk werd geregistreerd. Zie voor een kleurenreproductie van die registratie de appendix achter in de biografie. Hij was (hoe en waarom dan ook) kennelijk over een schreef gegaan, maar misschien werd hij wel om gewone redenen van zijn taak bij de Commission for Relief ontheven.* Hoe het ook zij; in elk geval kwam hij voor de tweede keer in het kamp te terecht, waar overigens op 15 maart 1915 de laatste slaapbarak gereed zou komen.

Slaapbarak © JJ. Wielaert

* Onder welke omstandigheden J.G. Schoup misschien al in december 1914 zijn bevoorrechte betrekking in Rotterdam verloor, is niets met zekerheid te zeggen. Daar het om niet meer dan een vage indicatie gaat die niet te verifiëren was, is dit gegeven niet in de biografie opgenomen. Overigens bevat dit weblog vooral details die evenmin in het boek zijn opgenomen, omdat met al die zijpaden het panorama over Schoups avontuurlijke levens te wijdlopig zou zijn geworden.

De illustraties komen uit: Vluchten voor de Groote Oorlog (De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1988) en uit Gehalveerde mensen (BDU, Barneveld, 2004)

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com

Met de beste wensen ; in oud nieuws op zoek naar een gelukkig 1915

Tags

, , , , , ,

Bonne Année © J.J. Wielaert

Bij jaarwisselingen maken de mensen graag hun beste wensen kenbaar. Ieder voor zich is daarbij geneigd als de Romeinse god Janus zowel terug als vooruit te blikken, uiteraard in de hoop op betere tijden. Maar of het nu 31 december of 1 januari is; de wereld draait ook dan even snel door ramp- en voorspoed. Met de Januskop die op de drempel tussen Oud en Nieuw zowel recapituleert als naar de toekomst uitziet, ligt het voor de hand nuchter te bezien hoe het op alle andere dagen van het jaar met het geluk staat. Is er reden collectief zo uitbundig en vol blijdschap Oud en Nieuw te vieren?

Honderd jaar geleden zag het er in elk geval niet al te best uit. De slachtingen van voor de jaarwisseling werden op 1 januari 1915 onverminderd voortgezet en er was geen einde in zicht. Dus wat had die nieuwjaarsviering te betekenen? Hierbij een keuze uit de laatste kranten van 1914 en de eerste van 1915, nieuws dat J.G. Schoup destijds wellicht ook gelezen heeft.

‘De Telegraaf’, 23 december 1914 ; Interneeringsdepots

Naar men ons meldt, is tot opheffing van de interneeringsdepots te Assen, Zwolle, Kampen en Leeuwarden besloten. De vier depots worden verdeeld over Harderwijk en Oldenbroek. Harderwijk wordt aangevuld tot een sterkte van 12,500. Zeist komt dan tot een sterkte van 14,500. Het kamp in Gaasterland blijft bestaan.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; Belgische vluchtelingen

In de loods aan de binnenhaven te Vlissingen, waarin nog tal van vluchtelingen zijn ondergebracht en die kort geleden onder medisch toezicht geheel en nauwkeurig was ontsmet, zijn Donderdag weder twee nieuwe typhus-gevallen ontdekt en tengevolge daarvan is afgezien van het plan om Maandag ongeveer 1500 vluchtelingen van Vlissingen naar het kamp Nunspeet te vervoeren. De typhus breidt zich langzaam maar gestadig uit.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 27 december 1914 ; De Joden in den Oorlog

In dezen oorlog staan, in de verschillende legers, ongeveer zesmaal honderd duizend Joden te Velde. Alleen in het Russische leger dienen meer dan 300,000 geloofsgenooten. Zij worden daar in nog grooter sterkte dan de zonen van andere vreemde natiën in het vuur gezonden op de gevaarlijke punten. […] In Duitschland hebben de Joden de oude roemrijke traditiën uit de bevrijdingsoorlogen en van het jaar 1870 schitterend gehandhaafd. Niet alleen hebben zij, gelijk vanzelf spreekt, hun plicht betracht, maar zij hebben in veel hooger getale dan naar verhouding van hun zielental, zich als vrijwilliger gesteld.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 28 december 1914 ; Paarden-uitvoer

In de maanden November en December zijn van het station Oldenzaal ongeveer 5700 paarden (ruinen beneden 20 maanden) en veulens naar Duitschland uitgevoerd.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Voor de Belgen

De “Commission for Relief” heeft in onze haven thans drie schepen in lossing. De “Agamemnon” heeft 2750 ton levensmiddelen, waarbij graan en meel, de “Skogland” 4500 ton, de “Neches” 5500 ton. Heden of morgen worden verwacht de “Batiscan” met 6800 ton en de “Maskinonge” met 7100 ton. Woensdag rekent men op de “Lincluten” die 6200 ton meel voor de Belgen meebrengt.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 29 december 1914 ; Lotgevallen van een Duitschen deserteur

Uit een boerderij op de grens was, naar beweerd werd, geschoten en het huis werd doorzocht. Wij vonden er slechts een oude vrouw en twee kinderen in, een meisje en een jongen van 10 à 12 jaren. De oude vrouwe wilde wegloopen, maar werd neergesabeld en mij werd bevolen de kinderen dood te schieten. Dat kon ik niet, waarop de sergeant, die het mij bevolen had, mij met de woorden “jij bent geen kerel” opzij stiet en zelf de kinderen neerschoot. Het meisje kreeg een kogel door het hoofd, zoodat zij dadelijk dood was, de jongen een in de rug. Hij viel neer en leefde nog, waarop de sergeant ook hem door het hoofd schoot. Het was afgrijselijk. Men liet ons echter niet veel tijd daarover na te denken, wij moeten weer voort, na eerst de boerderij in brand gestoken te hebben. […] De grootste slag, die ik heb meegetreden was die bij St. Quentin waar wij 2 dagen onafgebroken in de loopgraven hebben staan vuren, terwijl het water ons tot aan de knieën reikte. Nog veel langer heeft de slag geduurd. […] In de omgeving van ons kamp lagen de lijken van de gesneuvelden op sommige plaatsen 4 hoog op elkaar. Gewonden lagen er ook tusschen, die onze rust verstoorden door hun hartverscheurende gekerm, maar wij mochten hen niet gaan helpen en dat konden wij ook niet, want onafgebroken vlogen de kogels en granaten over het veld. Van het begraven van de lijken was ook geen sprake en zij gingen op het veld tot ontbinding over en verpestten den dampkring. Eindelijk, toen het te erg werd, overgoten wij de lijken met petroleum en staken ze in brand. Of er nog levenden tusschen waren wisten wij niet, er was geen tijd voor om daarnaar te zien.

‘Tilburgsche Courant’, 30 december 1914 ; DUITSCHE MAATREGELEN AAN DE GRENS

Men meldt uit Eindhoven van 27 Dec.: Tot heden werd aan onze bakkers toegestaan brood over de grens te brengen naar de Belgische grensplaats Arendonck en omliggende dorpen. Toen vanmorgen echter de bezendingen brood arriveerden, vernamen de leveranciers, dat de Duitsche overheid allen verderen invoer had verboden zoodat geen brood meer de grens over mocht. De Eindhovensche bakkers hebben daar een grooten schadepost aan en de Belgische afnemers zullen nu maar moeten zien, waar ze aan het noodige brood komen.

 ‘De Telegraaf’, 30 december 1914 ; Nabetrachting over het jaar 1914

[…] Voorts was er het New York – New Haven schandaal, waardoor de fondsenmarkten verrast werden. De het vorig jaar overleden spoorwegkoning J.P. Morgan bleek door middel dezer maatschappij enorme sommen verdiend te hebben, o.a. door het tot fabelachtige prijzen aan haar afschuiven van allerhande kleinere sporen, trammen, utility-ondernemingen enz.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 30 december 1914 ; advertentie ‘Meilleurs souhaits de’

Meilleurs souhaits de Jacques, Nouch, Bar, Renée, Jacques, Alice, Raymond, Paul, Alice, Rob, Nor, Jacq, Joe, Greet, Georges pour Père et Tante. Bonne lettre de schoup pour JULIA. 47518.6

NRC - 1914_12_30

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; Gaan de Duitschers een dam maken?

Naar ik verneem, zoo bericht de Antwerpsche correspondent van De Tijd, worden reeds sedert weken in geheel België behalve koper en andere artikelen alle linnen- en jute-zakken door de Duitschers in beslag genomen. Bij groote transporten worden de lege zakken vervoerd naar het front aan de Yser, waar zij vermoedelijk gebruikt worden om met zand gevuld te worden en voor afdamming of demping te dienen.

‘Rotterdamsch Nieuwsblad’, 31 december 1914 ; De toestand in België

Reeds eenige malen deden verhalen de ronde, dat de Duitschers ook kachels opeischten, om ze in loopgraven te plaatsen. Thans verneem ik van iemand uit Gent, dat aldaar inderdaad zeer vele kachels zijn opgeëischt, welke alle zijn vervoerd in richting Yperen.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; Gemobiliseerde kantoorbedienden

Het dagelijksch bestuur van den Nationalen Bond van Handels- en Kantoorbedienden “Mercurius” heeft zich per request gewend tot den minister van Oorlog met verzoek, bij de beslissing op aanvragen van kantoorbedienden, om extra-verlof, ten einde in hun betrekking de balanswerkzaamheden te kunnen verrichten, een gunstige beschikking te willen bevorderen, waardoor de kans op het behoud dier betrekking na de demobilisatie voor hen grooter wordt en naar oordeel der requestanten geacht kan worden een algemeen belang wordt gediend.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Jaaroverzicht 1914

[…] We hebben hier in ’t kort de voornaamste regeeringsmaatregelen genoemd, die in ’s lands belang werden getroffen, en eindigen het overzicht daarvan met te herinneren aan de oorlogsleening van f 275.000.000 ter bestrijding van de buitengewone uitgaven, en die, naar we hopen, zoo spoedig mogelijk volteekend zal zijn.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 31 december 1914 ; Vluchtelingenverzorging

Men schrijft ons uit Vlissingen: In de huisvesting van de vluchtelingen alhier is een groote verbetering gebracht door het in gebruik nemen van twee der vier nieuwe loodsen, die op de Nieuwe Markt zijn gebouwd. Er zijn thans vier loodsen voor huisvesting, maar bovendien een vijfde, die voor eetvertrek is ingericht. Al deze loodsen zijn voorzien van een asphaltbedekking en de muren zijn van binnen met asbest bekleed.

‘De Telegraaf’, 31 december 1914 ; De modder aan de Yser

Uit een veldpostbrief in het ‘Berliner Tagesblatt’: Op een dag gingen we bij stortregen op weg, een marsch over 21 kilometer, in bodemloos slijk. In het donker struikelde een paard en en de bespanning van hat kanon viel in een diepe granaatkuil, die geheel met slijk volgeloopen en daarom niet te zien was. Van het paard zag men niets meer dan de kop en drie kwartier hebben we met spade en touwen moeten werken voor we het paard en de affuit weer er uit gehaald hadden. Zulke kuilen moet men zien. Groote granaten maken vaak gaten van twee meter diepte en drie tot vier meter doorsnede in den akkergrond. Meestal zijn ze zo rond alsof ze met den passer getrokken waren. Nu bij den aanhoudenden regen staan ze ongeveer voor drie kwart vol water en vormen zoo de mooiste goudvischvijvers, die men zich denken kan. In het begin van November, toen het hier nog vrij warm was, heeft een van onze korporaals een bad genomen in zulk een kuil. […] Het water en de modderpoelen zijn onze ergste vijanden, want de eeuwige vochtigheid en de modderpoelen demoraliseeren meer dan de eigenlijke strijd. In onze schuilplaatsen hebben we op balken een planken vloer liggen. En daaronder klotst vroolijk het water. […] Maar treurig worden we daarom niet. Boven den ingang van onzen schuilplaats staat: aquarium. Verder staat er een waarschuwingsbord: grens voor niet-zwemmers. […]

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 1 januari 1915

Bij het   i n    b e s l a g    n e m e n   van   w a p e n e n   door de Duitschers in België zijn ook bogen en pijlen, die bij wedstrijden gebruikt worden, zorgvuldig vergaard. Men heeft daaruit afgeleid dat de Duitschers wel erg zenuwachtig moesten zijn, om deze onschuldige wapenen nog gevaarlijk te achten. De reden schijnt echter een andere te zijn. Uit Parijs seint Reuter aan Engelsche bladen, dat er met behulp van pijl en boog brieven over de Nederlandsche grens en terug worden geschoten en dat de Duitschers daaraan een einde hebben willen maken.

‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’, 2 januari 1915 ; Te Gent

Men schrijft ons uit Vlaanderen: […] Dat de nood te Gent thans “schrikbarend” zou zijn, moet overdreven heeten. Er is armoede, zeer zeker: honger wordt er echter nog niet geleden: dit kan alleen hooge uitzondering wezen. […] De Duitsche bezetting te Gent dagteekent van Maandag 13 October: de vroegere kommandant generaal Junk, is sedert eenigen tijd vervangen door von Seckendorff. Een oorlogsschatting is niet opgelegd geworden. Alleen moet de stad het leger onderhouden; het getal Duitsche soldaten verschilt natuurlijk met den dag. Bovendien heeft de provincie haar deel op te brengen in de krijgsschatting van 480 millioen, waar ieder der negen provinciën zijn deel in te betalen heeft. […] De stad heeft ook pas een boete van 100.000 Mk. (waarvan 200.000 in goud) moeten betalen wegens het breken van een telefoondraad, waar de gemeente voor aansprakelijk gesteld is. De stad heft nu ook een belasting op ongetrouwde burgers. […] Er zijn verder opcentimes al naar de waarde van het bewoonde huis.

1914_12_01_2_05 (Tjgr. - spotprent)

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; Een dagorder van Keizer Wilhelm

BERLIJN, 31 Dec. (Wolff-bureau). Officieel wordt uit het groote hoofdkwartier het volgende medegedeeld:
Aan ‘t Duitsche leger en de Duitsche marine. Na een zwaren en heeten strijd van vijf maanden, gaan wij het nieuwe jaar in.
Schitterende overwinningen zijn er behaald en groote voordelen bereikt. De Duitsche legers staan bijna overal in het vijandelijke land, terwijl de herhaalde pogingen van den vijand, om met zijn legermassa’s den Duitschen bodem te overstroomen, mislukt zijn.
Op alle zeeën hebben mijn schepen zich met roem overladen. Hun bemanning heeft getoond, dat zij niet alleen zegevierend te strijden, maar ook, door de overmacht ter neergedrukt, heldhaftig weet te sterven.
Achter leger en vloot staat het Duitsche volk in voorbeeldige eendracht bereid, om het allerbeste wat het bezit, op te offeren voor den heiligen huiselijken haard, dien wij verdedigen. Veel is er in het oude jaar geschied, maar nog zijn de vijanden niet overwonnen. Steeds voeren zij nieuwe scharen tegen ons en tegen de legers, die met ons verbonden zijn. Maar hun aantal schrikt ons niet af. Al zijn de tijden ook ernstig en onze taak zwaar, toch durven wij vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien.
Naast de hulp van God vertrouw ik op de buitengewone dapperheid van leger en marine en voel mij één met het geheele Duitsche volk.
Daarom onversaagd het nieuwe jaar tegemoet,dat ons voeren moet tot nieuwe overwinningen voor het geliefde vaderland.

Het Groote Hoofdkwartier, 31 Dec. 1914. was getekend: WILHELM

‘De Telegraaf’, 2 januari 1915 ; De wensch van den Russischen opperbevelhebber

De ‘Daily Mail’ ontving den tekst van den volgende Nieuwjaarswensch van grootvorst Nicolaas, opperbevelhebber der Russische legers:
“Gij vraagt mij voorspellingen voor ’t nieuwe jaar. Ik kan er geen doen. Ik wensch een gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar aan al onze trouwe bondgenoten. ”

‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Nederland en de oorlog – Uitvoerverbod van brood

Bij Kon. Besluit is met ingang van 2 Januari de uitvoer van brood verboden.

 ‘Algemeen Handelsblad’, 3 januari 1915 ; Beperking van het koekbakken

De Berlijnsche Kamer van Koophandel heeft aan het bestuur van het banketbakkersgilde en van de Berlijnse Vereeniging van Banketbakkers medegedeeld, dat voor het nieuwe jaar eene beperking van het koekbakken gewenscht is en ook door de Berlijnsche politie verlangd wordt. In de maanden Januari en Februari mag dus in de banketbakkerijen van groot-Berlijn slechts éénmaal per dag aangemengd en gebakken worden. De Berlijnse banketbakkers willen een protestbetooging houden tegen deze beperking.

Gelukkig Nieuwjaar!

Reacties altijd welkom via jeangustaveschoup@gmail.com